De Cock boog zich over de balie naar de wachtcommandant.
‘Die dode man in de Grote Bickerstraat,’ vroeg hij gehaast. ‘Welk nummer?’
Jan Kusters raadpleegde een notitie.
‘Zeshonderddertien. Derde etage.’
‘Van wie kwam de melding?’
‘Van een vrouw.’
‘Heb je haar naam?’
Jan Kusters schudde zijn hoofd.
‘Ik heb er wel naar gevraagd, maar ze verbrak de verbinding voor ik antwoord kreeg. Ik heb onmiddellijk een surveillancewagen naar dat adres gestuurd. De bemanning heeft zich inmiddels “ter plaatse” gemeld.’
‘Meer niet?’
De wachtcommandant schudde opnieuw zijn hoofd.
‘Ik heb nog geen rapportage.’
De Cock stak zijn hand op tot afscheid en verliet met Vledder in zijn kielzog het bureau.
Het regende buiten. De Cock schoof de kraag van zijn regenjas omhoog en trok de rand van zijn oude vilten hoedje tot op zijn oren.
Vanuit de Warmoesstraat liepen ze via de Oudebrugsteeg naar de houten steiger achter het bureau. Daar stapten ze in hun trouwe Golf en reden naar het Damrak. De felle, veelkleurige lichtreclames spiegelden in het natte asfalt.
De regen nam plotseling in hevigheid toe, vormde ineens een gesloten gordijn. Dikke druppels trommelden op het dak van de Golf en kletsten tegen de voorruit.
Vledder zette de ruitenwissers op volle toeren aan. De Cock kon daar al jaren niet tegen. De zwiepende ruitenwissers werkten hypnotiserend op hem. Dwangmatig volgden zijn ogen de bewegingen over de voorruit. Om aan die magie te ontkomen liet de oude rechercheur zich ver onderuitzakken. Hij keek vanonder zijn hoedje schuin omhoog.
‘Weet je waar de Grote Bickerstraat is?’ vroeg hij met enige argwaan.
De jonge rechercheur achter het stuur schudde zijn hoofd.
‘Geen flauw idee.’
‘Waar rij je dan heen?’ vroeg De Cock grinnikend.
Vledder wees voor zich uit.
‘Ik mag op het Damrak maar één kant op, en dat is richting Centraal Station.’
De Cock drukte zich weer iets omhoog.
‘Ga achter het station om, de De Ruijterkade op. Vandaar neem je de Westerdoksdijk naar het Barentszplein.’
‘En dan?’
‘Via Bokkinghangen naar de Zandhoek en aan het eind over de brug naar de Grote Bickerstraat.’
Vledder keek zijn oude collega van terzijde glimlachend aan.
‘En dat alles zo uit je blote hoofd?’
De Cock knikte.
‘Kennis van “plaatselijke gesteldheid” was vroeger een belangrijk deel van de politieopleiding.’
Vledder nam even zijn handen van het stuur.
‘Niet meer nodig,’ reageerde hij nonchalant. ‘Binnenkort zit in alle politiewagens een GPS, die brengt je precies waar je zijn moet.’
‘Wat is dat nou weer,’ vroeg De Cock smalend.
‘Die GPS, Global Positioning System, is een routeplanner die je de weg wijst middels gesproken en getoonde aanwijzingen op een schermpje op je dashboard,’ sprak Vledder gedragen.
‘Nog even,’ gromde De Cock, ‘en je behoeft als politieman helemaal niets meer te weten. Parate kennis van de wet… niet meer nodig.’
Vledder was het ermee eens.
‘Precies. De boordcomputer in de auto brengt in luttele seconden het juiste wetsartikel op het scherm, compleet met de daaraan verbonden bevoegdheden.’
De Cock zuchtte.
‘En ik heb in mijn tijd dat alles nog uit het hoofd moeten leren. En wee je gebeente als je bij het opdreunen een komma vergat.’
Vledder reageerde niet. Hij parkeerde de Golf achter een surveillancewagen met zwaailicht.
Toen ze op weg naar perceel 613 in de stromende regen langs die wagen liepen, vloog het voorportier open. Lenig en snel stapte een jonge diender uit. Hij bleef staan voor De Cock en tikte tegen de rand van zijn pet.
‘Op verzoek van mijn collega boven,’ meldde hij plechtig, ‘heb ik de meute voor u gewaarschuwd. Volgens hem is het een pure moord. Hij heeft ook die vrouw bij mij achter in de wagen gezet.’
‘Welke vrouw?’
‘Die bij het lijk zat.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Neem alvast een verklaring van haar op. Uitgebreid. Met zo veel mogelijk details.’
De jonge diender keek hem verwonderd aan.
‘Moet u haar niet verhoren?’
De Cock glimlachte.
‘Wil je later rechercheur worden?’
‘Graag.’
De Cock stak de wijsvinger van zijn rechterhand omhoog.
‘Dan is dit jouw eerste oefening,’ reageerde hij droog. ‘Houd haar in ieder geval onder je hoede. Ik wil straks nog even met haar babbelen.’
Enigszins beteuterd kroop de agent terug in zijn surveillancewagen.
De toegangsdeur tot perceel Grote Bickerstraat 613 stond op een kier. De Cock drukte de deur verder open en hees zijn negentig kilo langs de leuning van een smalle trap omhoog. De houten traptreden kraakten onder zijn gewicht.
Vledder volgde.
Op het portaal van de derde etage bleef de oude rechercheur even staan en bracht zijn hijgende ademhaling weer wat op peil. Daarna stapte hij langs de open woningdeur naar de keuken. Links in de keuken was een deur, die naar een woonvertrek leidde. De Cock schoof de deur met het puntje van zijn rechterknie verder open.
Leunend tegen een muur, zijn uniformpet ver naar achteren geschoven, stond een oudere diender.
De Cock herkende Jan Peekel. Hij liep naar hem toe.
‘Gebeuren er altijd moorden,’ vroeg hij verwonderd, ‘als jij in de nachtdienst zit?’[1]
De oude diender grijnsde.
‘Ik heb er patent op.’
Jan Peekel kwam van de muur vandaan en wees naar een schuin weggezakte man in een bruin lederen fauteuil. Het hoofd van de man, met een enigszins kalende kruin, hing voorover. Zijn kin rustte op zijn borst net boven een omvangrijke bloedvlek op zijn hagelwitte overhemd.
De oude diender grinnikte.
‘Ik probeer al een paar minuten met hem in gesprek te komen, maar hij doet zijn bek niet open.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Nooit meer… vrees ik.’
Jan Peekel gebaarde om zich heen.
‘Toen ik hier binnenkwam, zat tegenover hem in de leren fauteuil een vrouw. Ze griende haar schoot vol traantjes nat en riep zonder ophouden: wie doet dat nou… wie doet dat nou… wie doet dat nou?’ De oude diender grijnsde. ‘Omdat ik op die vraag niet zo gauw een antwoord wist, heb ik haar naar beneden gebracht en haar zolang achter in de surveillancewagen gezet.’
De Cock bromde goedkeurend.
‘Jouw maat zou in de auto een verklaring van haar opnemen.’
Jan Peekel grinnikte.
‘Dat mag je wel nakijken. Ik ben bang dat hij de helft vergeet.’
De Cock liep naar het lijk in de fauteuil. Het bloed op het hagelwitte overhemd was al roodbruin verkleurd. Gezien de plek hoog rond het borstbeen was het slachtoffer vrijwel zeker aan het hart geraakt.
De situatie overziend schatte de oude rechercheur dat van vrij korte afstand op de man was gevuurd. Vermoedelijk zat de schutter op dat moment recht tegenover zijn slachtoffer. De Cock vroeg zich af of er uitschotkogels waren… mogelijk in de rugleuning van de fauteuil.
Hij boog zich diep over het slachtoffer heen en keek de man in het gezicht. Hij schatte hem op achter in de veertig. Even drukte hij de rug van zijn hand tegen zijn wang en voelde aan zijn kin. Het lichaam was sterk afgekoeld en er waren duidelijke sporen van lijkstijfheid.
De Cock kwam weer overeind en liep terug naar Jan Peekel.
‘Heb je op hulzen gelet?’
De oude diender knikte.
‘Dat heb ik. Vluchtig. Maar ik heb geen hulzen zien liggen.’ Hij wees naar de ronde tafel voor de stoel met het slachtoffer. ‘Aan de moeten in het tapijt kun je zien dat de tafel iets is verschoven. Mogelijk heeft de schutter zelf naar zijn of haar hulzen gezocht… en die meegenomen.’
De Cock glimlachte.
‘Of het was geen pistool, maar een revolver.’[2]
Bram van Wielingen kwam het vertrek binnenstuiven. Hij zette zijn aluminium koffertje in een van de leren fauteuils en liep met een rood hoofd op De Cock toe.
‘Ik lag al een paar uur in mijn bed,’ gromde hij kwaad. ‘Het is met jou altijd midden in de nacht.’
De Cock keek hem lachend aan.
‘Bram, het wordt tijd dat je met pensioen gaat. Je moppert als een oude man.’
Hij wees naar het lijk in de fauteuil.
‘Schiet gauw een paar plaatjes, zoals hij daar zit, in kleur. Compleet met bloedvlek. En maak dan dat je hier wegkomt… behoef ik niet langer tegen dat chagrijnige smoel van je aan te kijken. Morgen voor de sectie maak je een portretje van zijn gezicht.’
‘Weet je wie hij is?’
De Cock grijnsde.
‘Nog niet, begrijp je. Vandaar dat portretje morgen, voor alle zekerheid.’
Bram van Wielingen opende morrend zijn aluminium koffertje en monteerde een flitslicht op zijn Hasselblad. Terwijl de fotograaf in het dode gelaat flitste kwam dokter Den Koninghe het vertrek binnen. Achter hem torenden twee reusachtige broeders van de Geneeskundige Dienst met hun onafscheidelijke brancard.
De grijze speurder slofte blij op de oude lijkschouwer toe en begroette hem hartelijk. De Cock had een zwak voor de excentrieke dokter met zijn ouderwetse grijze slobkousen onder een deftige streepjesbroek, zijn stemmig zwart jacquet en zijn verfomfaaide groen uitgeslagen garibaldihoed.
‘Hoe maakt u het?’ vroeg hij opgewekt.
Door zijn ronde stalen brilletje keek de dokter naar De Cock op.
‘Best,’ antwoordde hij met krakende stem. ‘Het is vrij rustig. Opmerkelijk. Meest als de blaadjes van de bomen vallen, wil het met de lijkschouw wel eens pieken.’
‘Zelfmoorden?’
‘Precies.’
De Cock wees naar de dode in de fauteuil.
‘Ik denk dat hij nog best een poosje had willen blijven leven.’
Dokter Den Koninghe liep naar het slachtoffer toe. Hij bekeek de man aandachtig, minutenlang. Plots, met een ruk, trok hij het hagelwitte overhemd uit de pantalon van het slachtoffer omhoog en knoopte het van onderen af los. In de behaarde borst van de man werden drie kogelwonden zichtbaar. Ze zaten dicht bij elkaar gegroepeerd.
De lijkschouwer trok het hemd weer naar beneden en draaide het slachtoffer zijn rug toe. Met trage bewegingen nam hij zijn bril af, pakte zijn pochet uit het borstzakje van zijn jacquet en poetste zijn glazen.
‘Hij is dood,’ sprak hij laconiek.
‘Ik… eh, ik had al een vaag vermoeden,’ reageerde De Cock simpel. ‘Doodsoorzaak?’
‘Inwendige verbloeding.’
De Cock knikte een paar keer begrijpend.
‘Kunt u iets zeggen over het tijdstip van overlijden?’ vroeg hij voorzichtig.
‘Ruim vierentwintig uur geleden.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Zolang?’
Dokter Den Koninghe knikte traag.
‘Ik gok een beetje op de roestbruine verkleuring van het bloed op het overhemd en de afkoeling van het lichaam.’
De oude lijkschouwer maakte een verontschuldigend gebaar.
‘Vierentwintig uur… het is een schatting. Niet meer dan dat. Ik kan er ook een paar uur naast zitten. De dood kent geen uurwerk.’
Hij zette zijn bril weer op en borg zorgvuldig zijn pochet weg. Daarna staarde hij enige seconden zwijgend voor zich uit.
‘Herfst,’ sprak hij somber. ‘Ik heb het altijd al een triest jaargetijde gevonden. Gelukkig. Met die felle regen en stormachtige wind zijn de bomen gauw kaal.’
De Cock glimlachte.
‘En vallen er geen blaadjes meer.’
Dokter Den Koninghe wuifde een groet en verliet het vertrek.
De Cock keek hem even na. Daarna draaide hij zich om en keek toe hoe Bram van Wielingen zijn aluminium koffertje sloot.
‘Ben je klaar?’
‘Morgenochtend heb je de plaatjes bij je op het bureau, en ik ga naar Westgaarde voor een portretje.’ Hij keek naar De Cock op. ‘Heb ik nog een chagrijnige smoel?’
De grijze speurder lachte.
‘Je bent aardig bijgekleurd.’ Hij plukte even aan zijn neus. ‘Krijg ik nog een dactyloscoop?’
Bram van Wielingen trok een bedenkelijk gezicht.
‘Ik denk dat je een afspraak moet maken voor morgen. Ben Kreuger heeft het razend druk.’
De Cock stak zijn hand op.
‘Dat doe ik,’ sprak hij vriendelijk. ‘En kruip maar gauw weer onder de wol.’
De fotograaf verdween met zijn koffertje.
De Cock wenkte de broeders van de Geneeskundige Dienst naderbij. Ze tilden het lijk uit de fauteuil en legden het op de brancard. Door de lijkstijfheid bleef het lichaam in een gehurkte houding. De broeders drukten de heup en de benen door de stijfheid heen en drapeerden een laken om hem heen. Daarna sjorden ze de riemen vast. Zachtjes wiegend droegen ze hem het vertrek uit.
Vledder liep met een paspoort in zijn hand op De Cock toe.
‘Hij heet Hendrik Zuiderman, oud negenenveertig jaar, van beroep fotograaf.’
De jonge rechercheur wuifde naar een fraai gewelfde kast aan de wand.
‘Het is vrijwel zeker geen roofmoord. In die kast daar liggen open en bloot ruim drieduizend gulden en enkele duizenden aan Franse francs. Er zijn ook geen sporen die erop wijzen dat hier in de woning naar iets is gezocht.’
‘Dat paspoort?’
‘Lag bij het geld. Het lijkt erop, dat hij van plan was een reisje te maken.’
De Cock knikte.
‘Naar de eeuwigheid.’
De Cock keek de vrouw, die hij op de stoel naast zijn bureau had laten plaatsnemen, onderzoekend aan. Hij schatte haar op rond de veertig jaar. Wellicht nog iets ouder. Ze had zwart, al wat grijzend haar en een vriendelijk rond blozend gezicht. De make-up bij haar ogen was door het huilen doorgelopen.
‘Ik ben blij,’ sprak hij vriendelijk, ‘dat u bereid was om mee te gaan naar het bureau.’
De vrouw maakte een hulpeloos gebaar.
‘Ik heb niets te verbergen. Ik heb ook niets meer te vertellen. Die jonge agent heeft alles al van mij opgenomen.’
‘Toch wil ik nog even met u babbelen,’ zei De Cock. ‘Om te beginnen… wie bent u en wat deed u in de woning bij die dode man?’
Ze trok haar schouders op.
‘Dan nog maar eens,’ sprak ze lichtelijk geïrriteerd. ‘Ik ben Marie van den Heuvel en met die dode man heb ik jaren een verhouding gehad.’
‘U onderhield nog steeds contact met hem?’
‘Wij hebben samen een zoon. Albert. Ik wil dat Hendrik Zuiderman zijn verantwoordelijkheden nakomt.’
‘Een punt van onenigheid?’
Marie van den Heuvel schudde haar hoofd.
‘Niet echt. Hendrik financiert de studie die Albert volgt, maar aan de vorming van die jongen heeft hij maar weinig bijgedragen.’
‘Dat verwijt u hem?’
‘Min of meer.’
De Cock veranderde van onderwerp.
‘U hebt aan de situatie in de woning van Hendrik Zuiderman niets veranderd?’
Mevrouw Van den Heuvel schudde haar hoofd.
‘Ik ben in de fauteuil tegenover hem gaan zitten.’
‘Hoe kwam u binnen?’
‘Ik heb nog een sleutel van de woning in de Grote Bickerstraat. We hebben daar samen gewoond.’
‘Met die sleutel bent u binnengekomen?’
Mevrouw Van den Heuvel schudde opnieuw haar hoofd.
‘Dat was niet nodig. De deur was niet afgesloten… stond op een kier.’
‘Hebt u, nadat u Hendrik Zuiderman dood had aangetroffen, onmiddellijk de politie gebeld?’
De vrouw tegenover hem knikte traag.
‘Misschien dat het even heeft geduurd voor ik van de schok was bekomen… niet meer dan een paar minuten. Ik zag onmiddellijk dat het geen zin meer had om een ambulance te bellen.’
De Cock hield zijn hoofd iets schuin.
‘Wat was de reden dat u hem op zo’n laat uur nog bezocht?’
‘Ik maakte mij ongerust.’
‘Ongerust?’
‘Ja.’
‘Waarover?’
‘Hendrik was al twee dagen niet op zijn werk verschenen. Dat is heel ongewoon. Hendrik verzuimt nooit.’
De Cock keek haar onderzoekend aan.
‘Hoe wist u dat hij niet op zijn werk was verschenen? Hebt u contact gehad met zijn werkgever?’
‘Hendrik en ik werken al jaren samen op hetzelfde bureau.’
‘U ziet elkaar dus dagelijks?’
‘Tenzij Hendrik ergens een klus heeft, maar dan ben ik daarvan toch op de hoogte. Hij zou morgen voor een paar dagen naar Parijs gaan. Ik vond het vreemd dat hij niets van zich had laten horen. Hij had ook onze zoon Albert in Leiden niet gebeld.’
‘Die woont in Leiden?’
‘Studeert daar rechten.’
De Cock knikte begrijpend.
‘U was ongerust?’
Mevrouw Van den Heuvel keek naar hem op.
‘Ik heb vijftien jaar met die man samengeleefd,’ reageerde ze kribbig. ‘Die jaren poets je niet uit je ziel.’
De Cock boog even beschaamd zijn hoofd en nam een kleine pauze.
‘Dat samen werken,’ ging hij verder, ‘op hetzelfde bureau, gaf dat na de scheiding geen problemen?’
Ze maakte een kleine schouderbeweging.
‘Ik heb nooit strubbelingen met Hendrik gehad, maar opeens ging het niet meer. Ik kon geen intimiteiten van hem meer verdragen. Maar we zijn als vrienden uit elkaar gegaan.’
‘Waar werkte u?’
Marie van den Heuvel wees voor zich uit.
‘Op de Herengracht. Reclamebureau Het Intellect.’