Vledder imiteerde de stem van Alida Oldenhoven.
‘Moeder, nu Hendrik Zuiderman dood is, volgen er meer.’
De jonge rechercheur maakte een mistroostig gebaar.
‘Wat moeten we ermee? Wat hebben we aan zo’n kreet?’
De Cock maakte een schouderbeweging.
‘Niet veel,’ reageerde hij grijnzend. ‘Het is jammer dat Alida Oldenhoven niet aan haar zoon heeft gevraagd, waarop zijn prognose berustte.’
Vledder zuchtte.
‘Dat had ons wellicht verder kunnen helpen.’
De Cock produceerde een moede glimlach.
‘Alida Oldenhoven is een bedroefde moeder, geen rechercheur belast met een onderzoek.’
Vledder knikte.
‘Waarom heeft Christiaan Adriaansen ons vanmorgen niet verteld dat hij na de dood van Zuiderman meer slachtoffers verwachtte. Hij tipte zijn collega Peter van Waardenburg ook op basis van zo’n loze kreet… als het Zuiderman wordt, maak ik hem van kant.’
De Cock trok zijn gezicht in een ernstige plooi.
‘Nu er twee werknemers om het leven zijn gebracht,’ sprak hij bedachtzaam, ‘moeten we toch tot de conclusie komen dat de motieven voor de moorden ergens in de boezem van dat reclamebedrijf Het Intellect liggen.’
Vledder grijnsde.
‘Welke motieven?’
De Cock zuchtte.
‘Bram van Wielingen wees de gedachte, dat het personeel elkaar om de functie van directeur-manager zouden uitmoorden, radicaal van de hand. Het leek hem onzinnig. Hij geloofde er geen barst van.’
Vledder was het met hem eens.
‘Het lijkt ook absurd. Maar laat Bram van Wielingen dan met een ander motief komen.’
‘Het is zijn zaak niet.’
Vledder gromde.
‘Maar hij ventileert wel een mening.’
‘Het wordt toch tijd,’ sprak De Cock wat geprikkeld, ‘dat wij Peter van Waardenburg, die irritante man met veel eigendunk, een vent die van hoogmoed naast zijn schoenen loopt, eens nader gaan bekijken.’
Vledder maakte een grimas.
‘De visie van Christiaan Adriaansen… voor wat die waard is.’
De Cock glimlachte.
‘Heb je hem al opgevraagd?’
‘Peter van Waardenburg?’
‘Ja.’
Vledder knikte.
‘Een keurige man. Geen strafblad. Gehuwd en vader van twee studerende kinderen. Hij is met zijn gehele gezin verbonden aan een sektarische geloofsgemeenschap en al jaren lid van een schietvereniging.’
De Cock keek verrast op.
‘Wat?’
‘Een schietvereniging.’
De oude rechercheur toonde verontwaardiging.
‘Dat had je mij wel eens kunnen vertellen.’
Vledder keek hem onbewogen aan.
‘Waarom? Een lid van een schietvereniging is nog geen crimineel.’
‘Maar we hebben wel twee moorden, gepleegd door iemand die verrekt goed een vuurwapen kan hanteren.’
‘Ik weet het ook pas sinds vanmiddag,’ sprak Vledder op verontschuldigende toon.
De Cock liet het onderwerp rusten.
‘Wie hebben we nog meer?’
‘Alex van de Boogaard.’
Vledder spreidde zijn handen.
‘Ook een keurige man. Ongehuwd. Geen antecedenten. Heeft een tijdlang met een vriend samengeleefd, maar woont nu al weer jaren alleen.’
‘Homofiel?’
‘Vermoedelijk. Maar in de annalen van de zedenpolitie komt hij niet voor.’
De Cock schudde vertwijfeld zijn hoofd.
‘Moeder,’ citeerde hij Christiaan Adriaansen, ‘nu Hendrik Zuiderman dood is, volgen er meer.’ Op het gezicht van de oude rechercheur verscheen een droevige grijns.
‘Adriaansen was zelf de man die volgde. Wie volgen er nog meer?’
Vledder grinnikte vreugdeloos.
‘Doe eens een suggestie?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Bij deze wankele stand van ons onderzoek waag ik mij daar niet aan.’
Er werd op de deur van de grote recherchekamer geklopt. De Cock keek omhoog naar de klok boven de deur. Het was bijna één uur in de nacht. Laat, vond hij, voor een bezoek aan een politiebureau.
Vledder riep: ‘Binnen.’
De deur werd traag geopend en in de deuropening verscheen de gestalte van een struise vrouw. De Cock herkende Mathilde van Nibbixwoud. Ze droeg dezelfde grijze regenmantel en dezelfde grijze laarsjes als bij haar eerste bezoek. Ook nu bungelde een ingeklapte paraplu aan haar rechterhand.
Met korte driftige pasjes liep ze naar De Cock en liet zich op de stoel naast zijn bureau zakken. Zwaar hijgend en met een deinende boezem bleef ze zwijgend zitten.
De oude rechercheur drong niet aan. Hij wachtte geduldig tot de cadans van haar ademhaling zich weer enigszins had hersteld.
‘Wat verschaft mij het genoegen van uw late bezoek?’ informeerde hij vriendelijk.
Mathilde van Nibbixwoud slikte een paar maal.
‘Ik ben zo’n halfuurtje geleden gebeld door de moeder van Christiaan Adriaansen. Ze heeft haar zoon dood in zijn woning aangetroffen. Vermoord.’
De Cock knikte traag.
‘Dat klopt.’
Vledder stond op. De jonge rechercheur ging, zonder een aanwijsbare reden aan een ander bureau in de grote recherchekamer zitten.
Mevrouw Van Nibbixwoud zwaaide met haar mollige armen.
‘Ik lag al in bed toen ze belde,’ sprak ze geagiteerd. ‘Ze was zo in de war, dat het een tijd heeft geduurd voor ik het gesprek fatsoenlijk kon afbreken.’
‘Deed ze nog suggesties?’
‘Waarover?’
‘De mogelijke dader.’
Mathilde van Nibbixwoud schudde haar hoofd.
‘Daar heeft ze niets over gezegd. Toen het gesprek was beëindigd, heb ik de wachtcommandant van bureau Warmoesstraat gebeld. Van hem hoorde ik dat u nog op het bureau was. Ik heb mij toen snel aangekleed.’
De Cock keek de vrouw onbewogen aan.
‘En?’
De ogen van Mathilde van Nibbixwoud schoten vuur.
‘En… en,’ herhaalde ze opgewonden. ‘Dat is al de tweede moord op een lid van mijn personeel. Hebt u al een onderzoek ingesteld?’
‘Ja.’
Mathilde van Nibbixwoud snoof.
‘Mag ik dan vragen… en?’
Haar stem droop van sarcasme.
De Cock knikte traag.
‘Ik zal u de details besparen, maar Christiaan Adriaansen werd op dezelfde wijze om het leven gebracht als Hendrik Zuiderman. Wij schatten ook, dat beiden door dezelfde man of vrouw werden vermoord.’
‘Wie?’
De Cock glimlachte.
‘Dat is een vraag waarop ik graag het antwoord kende. Zover ben ik nog niet. Ik hoop, dat ik bij het beantwoorden van die vraag op uw medewerking kan rekenen.’
‘Uiteraard.’
De Cock boog zich iets naar haar toe.
‘Welke leden van uw personeel hebben naar de opengevallen post van uw overleden man gesolliciteerd?’
Mevrouw Van Nibbixwoud keek naar hem op.
‘Dat had ik graag geheim gehouden.’
De Cock keek haar niet-begrijpend aan.
‘Waarom?’
‘Ik wilde voor alles voorkomen, dat leden van mijn personeel elkaar als rivalen zouden bezien. Dat kwam volgens mij de werksfeer niet ten goede.’
De Cock negeerde haar opmerking.
‘Was Peter van Waardenburg de eerste?’ drong hij hardnekkig aan.
Mevrouw Van Nibbixwoud knikte.
‘Inderdaad.’
‘U hebt hem afgewezen?’
‘Ja.’
‘Reden?’
‘Ik wist dat hij bij andere werknemers irritatie opwekte. Dat was mijn bezwaar.’
De Cock keek haar schuins aan.
‘Weet u hoe Peter van Waardenburg op uw afwijzing heeft gereageerd?’
‘Als het Zuiderman wordt,’ sprak mevrouw Van Nibbixwoud traag, ‘maak ik hem van kant.’
De Cock reageerde verrast.
‘Hoe weet u dat?’
‘Christiaan heeft mij dat in vertrouwen verteld.’
‘Nam u dat serieus?’
Mevrouw Van Nibbixwoud schudde haar hoofd.
‘Een loze kreet… uit woede.’
‘En een aversie jegens Hendrik Zuiderman.’
‘Dat was mij bekend.’
‘Heeft hij ook gesolliciteerd?’
‘Wie?’
‘Christiaan Adriaansen.’
‘Ja.’
‘Afgewezen?’
Mevrouw Van Nibbixwoud stak haar kin iets naar voren.
‘Ik heb ze allen afgewezen.’
‘Ook Alex van de Boogaard?’
Mathilde van Nibbixwoud knikte.
‘Ook Alex van de Boogaard,’ herhaalde ze kalm.
De Cock trok een vies gezicht.
‘Sinds de dood van uw echtgenoot rommelt het onder uw personeel. Er heerst een onderling wantrouwen. Ondanks uw pogingen ziet men elkaar wel degelijk als rivalen.’
Mevrouw Van Nibbixwoud bracht haar handen naar haar hoofd. Het was een gebaar van vertwijfeling.
‘Ik weet het. Na kantoortijd liep ik vanavond nog even door het gebouw en toen bemerkte ik, dat iemand had geprobeerd het bureau van Hendrik Zuiderman open te breken.’
De Cock keek haar geschrokken aan.
‘Inbrekers?’
Mevrouw Van Nibbixwoud schudde haar hoofd.
‘Er zijn verder geen sporen van braak aan het gebouw. De toegangsdeuren zijn normaal gesloten. Ook alle ramen zijn nog intact.’
De Cock trok zijn wenkbrauwen naar elkaar toe.
‘Alleen braaksporen aan het bureau van Hendrik Zuiderman… aan geen ander bureau?’
Mathilde van Nibbixwoud schudde haar hoofd.
‘Alleen aan het bureau van Hendrik Zuiderman. Er zijn duidelijk zichtbare krassen en moeten in het hout. De beschadigingen vond ik voornamelijk boven en onder de laden. U moet ze morgen maar eens bekijken. Misschien ontdekt u meer dan ik. Persoonlijk schat ik, dat men met een groot model schroevendraaier heeft getracht de laden open te breken.’
Ze zweeg even.
‘Zuiderman had zijn bureau altijd stijf op slot. Josee en ik waren van plan om het bureau morgenmiddag met behulp van een slotenmaker in elkaars bijzijn te openen.’
‘U hebt geen sleutel?’
Mevrouw Van Nibbixwoud zuchtte.
‘Mijn man had in zijn vertrek een sleutel van alle bureaus. Ik heb gezocht, maar de sleutel van het bureau van Hendrik Zuiderman is verdwenen. Ik vermoed dat Zuiderman die sleutel zelf heeft weggenomen, zodat niemand in zijn bureau kon snuffelen.’
‘Wie hebben er een sleutel van het kantoor?’
‘Alle werknemers.’
‘Dus iedereen kan bij dag, maar ook in de avond en de nacht het kantoor betreden?’
‘Ja.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Waarom wilt u het bureau samen met Josee openen… in elkaars bijzijn?’
Mevrouw Van Nibbixwoud gebaarde heftig.
‘Als voorzorgsmaatregel,’ reageerde ze fel. ‘Ik heb een vaag vermoeden dat er in het bureau van Hendrik Zuiderman zaken of documenten liggen, die mogelijk voor ons reclamebedrijf, of wellicht voor een van de leden van ons personeel, belastend kunnen zijn… nare consequenties voor iets of iemand kunnen hebben. Ik heb bij het vinden van dergelijke zaken of documenten graag een betrouwbare getuige.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Waarop berust uw vermoeden, dat u iets dergelijks in het bureau van Zuiderman zult aantreffen?’
Mathilde van Nibbixwoud snoof.
‘Hendrik Zuiderman was een eigenheimer. Een in zichzelf gekeerd man. Iemand die naar mijn gevoel geen echte binding met ons bedrijf had.’
‘Waarom ontsloeg uw man hem niet?’
‘Hendrik Zuiderman was in ons reclamebureau een medewerker van het eerste uur. Mijn man was in dat soort zaken erg gevoelig… sentimenteel.’
De Cock keek haar strak aan.
‘Hendrik Zuiderman,’ sprak hij streng, ‘fabriceerde kinderporno.’
Mevrouw Van Nibbixwoud liet haar hoofd iets zakken.
‘Ik weet het,’ reageerde ze timide. ‘Nog wel hier op de Herengracht in ons eigen bedrijf. Het was een schok toen wij daar achter kwamen.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Dat kan ik mij indenken. Hebben u en uw man tevoren nooit iets gemerkt of vermoed?’
Op het gezicht van mevrouw Van Nibbixwoud kwam een pijnlijke trek.
‘Het personeel genoot het volle vertrouwen van mijn man. Zijn toezicht op hun handelen was minimaal.’
De Cock schoof zijn onderlip naar voren.
‘Mijn oude moeder hanteerde de spreuk: wees getrouw, maar vertrouw niemand.’
Mathilde van Nibbixwoud nam een berustende houding aan.
‘Dat is een kwestie van instelling. Mijn man was zeer sociaal bewogen. Hij vond, dat men iemand niet dubbel mocht straffen. Na een veroordeling voor pornografie, zo redeneerde mijn man, komt men in onze branche niet makkelijk meer aan de slag. Toen Hendrik Zuiderman uit de gevangenis kwam, heeft hij hem weer in genade aangenomen.’
‘Nobel.’
Mevrouw Van Nibbixwoud knikte.
‘Er was voor dat besluit van mijn man,’ formuleerde ze voorzichtig, ‘verder nog een belangrijke overweging. Hendrik Zuiderman werkte niet alleen. Hij werd bij het vervaardigen van kinderporno steevast geassisteerd door Christiaan Adriaansen.’
De Cock reageerde verrast.
‘Christiaan Adriaansen hielp Hendrik Zuiderman?’
Mevrouw Van Nibbixwoud zuchtte.
‘Die twee werkten heel nauw samen, maar op een of andere wonderlijke manier is de naam van Christiaan Adriaansen bij het politieonderzoek en het strafproces dat daarop volgde, nooit ter sprake gekomen.’
‘Vreemd.’
‘Mijn man achtte het niet zijn taak om justitie op deze omissie te attenderen. Hij zweeg daarover en hield Christiaan Adriaansen gewoon in dienst.’ Het klonk wat betweterig.
Toen Mathilde van Nibbixwoud uit de grote recherchekamer was vertrokken, keek Vledder De Cock grijnzend aan.
‘Ik vond het verhaal van mevrouw Van Nibbixwoud erg verhelderend. Die pornoaffaire begint toch wat beter uit de verf te komen. Hendrik Zuiderman werkte wat betreft die porno, nauw samen met Christiaan Adriaansen. Dat is vermoedelijk de reden dat die twee zijn vermoord.’
De Cock keek hem onderzoekend aan.
‘Jij ziet een verband tussen het fabriceren van kinderporno en de dood van beide mannen?’
Vledder knikte overtuigend.
‘Absoluut. Ik denk, dat…’
De jonge rechercheur stokte plotseling en staarde peinzend voor zich uit.
‘Vreemd,’ ging hij verder, ‘dat ik dat dossier over die affaire nog steeds niet binnen heb. Ik zal daar morgen toch nog eens over bellen.’
De Cock ging op het onderwerp niet in.
‘Ik ben toch niet zo tevreden met het verhaal van Mathilde van Nibbixwoud,’ sprak hij met enige ergernis. ‘Volgens haar hield haar man maar matig toezicht. Maar de overige leden van het personeel zullen hun ogen niet in de zak hebben gehad.’
Vledder reageerde verrast.
‘Je bedoelt, dat meer mensen moeten hebben geweten wat Zuiderman en Adriaansen uitspookten?’
‘Sterker nog,’ reageerde De Cock, ‘ik ben ervan overtuigd dat meerdere leden van het personeel aan het fabriceren van porno hebben deelgenomen. Smalle Lowietje noemde het reclamebureau Succes aan de Herengracht één grote pornotent.’
De oude rechercheur zweeg even.
‘In feite,’ ging hij verder, ‘bracht Mathilde van Nibbixwoud ons alleen het nieuwtje, dat ook Christiaan Adriaansen bij de affaire Zuiderman was betrokken. Over al die andere illegale activiteiten van haar reclamebureau Succes heeft ze met geen woord gerept. Terwijl wij toch van Blonde Klaartje weten, dat er in het kantoor aan de Herengracht heel veel porno werd gefabriceerd.’
Vledder grinnikte.
‘Het stinkt.’
De Cock knikte.
‘Inderdaad, het stinkt. Maar hebben wij er belang bij dat die beerput opengaat? Wij hebben twee moorden en die concentreren zich om het produceren van kinderporno.’
Vledder glimlachte.
‘Je wilt zeggen, dat al dat andere ons voorlopig niet interesseert?’
De Cock antwoordde niet. Hij keek vragend naar Vledder op.
‘Jij veranderde tijdens het verhoor van Mathilde van Nibbixwoud van plek.’
‘Ja.’
‘Waarom ging jij aan een ander bureau zitten?’
‘Om naar haar voeten te kijken.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘De voeten van Mathilde van Nibbixwoud?’
In zijn stem trilde ongeloof.
Vledder knikte.
‘Mevrouw van Nibbixwoud beweegt haar voeten op een manier, die overeenkomt met de krassen in de vloerlak bij de secretaire in de woning van Christiaan Adriaansen.’