12

De Cock keek toe hoe zijn jonge collega zich met een diepe zucht op zijn stoel achter zijn bureau liet zakken.

‘Moe?’ vroeg hij bezorgd.

Vledder antwoordde niet. Hij tastte in de zijzak van zijn colbert, pakte daaruit een doorschijnende plastic zak en wierp die De Cock toe.

‘Drie kogels,’ gromde hij, ‘voor je verzameling. Ik had na Westgaarde geen trek meer om ze naar de technische dienst te brengen.’

De Cock bekeek ze even en borg de zak met kogels in een lade van zijn bureau.

‘Hoe was de sectie?’

Vledder grijnsde.

‘Verschrikkelijk.’

De Cock lachte.

‘Een kersverse dode vent. Nog geen dag oud. Wat is daar voor verschrikkelijks aan? Een sectie bijwonen op een oud vies lijk, dat wekenlang in het stinkende water van een gracht heeft gelegen… dat is verschrikkelijk.’

Vledder bromde.

‘Ik bedoel het gedrag van dokter Rusteloos. Zo heb ik hem nog nooit meegemaakt. Hij was nukkig, humeurig, werkte als een bezetene. Alsof de duivel op zijn hielen zat. Ik heb al die tijd geen woord met hem gewisseld.’

‘Je was op tijd?’

Vledder knikte.

‘Ruimschoots. Toen ik kwam was dokter Rusteloos er nog niet. Ik trof in het sectielokaal wel een ijverige Ben Kreuger. Hij was bezig om van Christiaan Adriaansen een uitgebreid dactyloscopisch signalement te nemen. De dactyloscoop heeft vanmorgen aan het beschadigde bureau van Hendrik Zuiderman bruikbare vingersporen gevonden.’

‘Mooi,’ zei De Cock.

‘Volgens de voorlopige conclusie van Ben Kreuger zijn die sporen van Christiaan Adriaansen.’

De Cock tuitte zijn lippen.

‘Dat lijkt mij niet onmogelijk.’

‘Hoezo?’

‘Christiaan Adriaansen en Hendrik Zuiderman werkten samen. Toen Adriaansen hoorde dat Zuiderman was vermoord, begreep hij dat vroeg of laat de kinderporno in het bureau van Zuiderman zou worden gevonden… met op elke foto zijn beeltenis in een schunnige scène.’

Vledder knikte begrijpend.

‘Om dat te voorkomen probeerde hij het bureau open te breken om de pornofoto’s weg te nemen.’

De Cock grinnikte.

‘Een stuntelige inbreker.’

‘Met die bevindingen van Ben Kreuger schieten we niet veel op. Adriaansen is dood en we kennen inmiddels de inhoud van het bureau van Zuiderman,’ zei Vledder.

Toen keek hij vragend op.

‘Is Peter van Waardenburg nog geweest?’

De Cock lachte.

‘Je kegelde hem bijna omver.’

‘Was dat Peter van Waardenburg?’

‘Een brave borst, die zich hevig verzette tegen al het kwaad dat hem in het reclamebureau omringde,’ sprak De Cock wat spottend.

‘Van al dat kwaad was volgens hem Hendrik Zuiderman de kwade genius, die eenieder infecteerde. Vandaar dat hij in woede uitriep, dat hij hem van kant zou maken als hij de nieuwe leider van het bedrijf zou worden.’

‘Die kreet gaf hij toe?’ vroeg Vledder.

De Cock knikte.

‘Peter van Waardenburg toonde zich wel berouwvol. Het gebod Gij zult niet doden, was hem uit het hart gegrepen. Als lid van het genootschap De Steenen Tafelen omarmt hij de bijbelse Tien Geboden.’

Vledder glimlachte.

‘Daar wordt hij niet slechter van. Bracht hij verder nog nieuws?’

‘Ja,’ antwoordde De Cock. ‘Iets wat wij al hebben vermoed. Volgens Peter van Waardenburg wisten de heer en mevrouw Van Nibbixwoud dekselsgoed dat in hun kantoren pornografie werd vervaardigd. Hij had hen daar herhaaldelijk op gewezen.’

‘En?’

‘Hij kreeg steeds de opdracht om zich met zijn eigen zaken te bemoeien.’

‘Dat was hun enige commentaar?’

De Cock knikte.

‘Er veranderde niets. Van Waardenburg gaf toe dat hij ook zelf modellen fotografeerde… liefst poedelnaakt… maar dat was geen pornografie. Zijn foto’s kenschetste hij als naaktstudies.’

Vledder grinnikte.

‘Wat is het verschil?’

De Cock glimlachte.

‘Misschien wil hij jou dat wel eens haarfijn uitleggen.’

Vledder snoof.

‘Dat zal hem niet lukken.’

‘Volgens Peter van Waardenburg had ook Josee van de Weetering zich in die tijd wel eens door Hendrik Zuiderman laten fotograferen.’

Vledder trok zijn schouders op.

‘Als de heer en mevrouw Van Nibbixwoud op de hoogte waren van hetgeen er in hun kantoren gebeurde, dan wist Josee van de Weetering als hun secretaresse dat ook.’

De Cock keek omhoog naar de klok.

‘Wil je nog een kijkje nemen in de woning van Marie van den Heuvel?’

Vledder knikte.

‘Zeker.’

De Cock maakte een grimas.

‘Ik dacht dat jouw interesse in Marie van den Heuvel was verdwenen.’

Vledder keek hem verwonderd aan.

‘Waarom?’

‘Je was er zo vast van overtuigd dat Mathilde van Nibbixwoud de moorden had gepleegd.’

Vledder zuchtte.

‘Sinds mijn vriendin Adelheid van Buuren de eerste wankele schreden op het glibberig pad van het recherchewerk doet, ben ik voorzichtiger geworden.’

De Cock glimlachte.

‘Hoe doet ze het?’

‘Prima. Ze tintelt van energie en is uiterst enthousiast. Als ik haar opgetogen verhalen hoor, dan maakt zij dezelfde beginnersfouten als ik vroeger. Ze denkt veel te snel dat ze de juiste dader heeft gevonden.’

Hij zweeg even.

‘Maar ik hou toch vast,’ ging hij ernstig verder, ‘aan mijn theorie omtrent die Mathilde van Nibbixwoud. Als dader blijft zij mijn favoriet.’

De jonge rechercheur keek De Cock uitdagend aan.

‘Ik ben ervan overtuigd, dat ik dit keer gelijk krijg.’


De Cock blikte om zich heen.

‘Woont ze hier? Bekend terrein. Ik heb hier in mijn jonge jaren nog eens verkering gehad.’

Vledder knikte.

‘Hier woont ze. Zaandammerplein 417, op de tweede etage.’

De Cock gebaarde voor zich uit.

‘Zet onze Golf maar ergens in een zijstraat. Er zijn mensen die ruiken dat dit een auto van de politie is. En ik heb liever geen pottenkijkers.’

Vledder gehoorzaamde zonder mokken. Hij parkeerde de wagen in de Oostzaanstraat. Daar stapten ze uit en liepen via de Koogstraat terug naar het Zaandammerplein. De Cock constateerde tot zijn genoegen dat het aardedonker was op het slechtverlichte plein.

De toegangsdeur van perceel 417 was glimmend bruin gelakt. Er was een wit emaille naamplaatje met M. van den Heuvel in sierlijke zwarte letters.

De Cock bekeek het slot van de deur aandachtig. Daarna pakte hij uit de steekzak van zijn regenjas het apparaatje dat hij eens, lang geleden, van zijn vriend en ex-inbreker Handige Henkie had gekregen toen die na rijp beraad besloot om het smalle pad van de deugd te bewandelen. Het was een koperen houdertje met daarin een keur aan sleutelbaarden.

Vledder ging beschermend achter hem staan. Met kennersblik koos de oude rechercheur de juiste sleutelbaard en in enkele seconden had hij de deur geopend. Vanuit een klein portaal voerde een houten trap naar de eerste etage. In luttele seconden had De Cock ook daar de deur van de woning van het slot. Toen ze binnen waren, draaide de oude rechercheur het slot weer terug.

Hij keek naar Vledder.

‘Ik word binnen niet graag verrast op onze missie.’ Hij borg het apparaatje weer in een zak van zijn regenjas. ‘Kijk op je horloge en neem de tijd op.’

Vledder keek hem verbaasd aan.

‘Waarom?’

‘We hebben maar een halfuurtje. Langer wilde de wachtcommandant Marie van den Heuvel niet aan de praat houden. Jan Kusters vond het toch al niet prettig dat wij hem er bij betrokken.’

Vledder gromde.

‘Toch een kleine moeite.’

De Cock reageerde niet. Hij liet het lichtovaal van zijn zaklantaarn door de woning dwalen. De keuken van Marie van den Heuvel was een plaatje, met fraaie apparatuur en veel blinkend staal. Haar huiskamer was rijk gemeubileerd met prachtige surrealistische schilderijen aan de muren. De Cock ontdekte een Monet en vroeg zich af of die echt was. Ook de inrichting van de slaapkamer getuigde van weelde.

De oude rechercheur bezag het met enige ergernis.

‘Kinderporno,’ gromde hij, ‘schijnt veel op te leveren.’

Ze doorzochten de woning al een tijdlang zonder enig succes toen de scherpe oren van De Cock een geluid waarnamen. Hij greep Vledder bij zijn arm.

‘Er is iemand aan de deur,’ fluisterde hij.

De jonge rechercheur knikte.

‘Ik hoor het.’

‘Hoe lang zijn we al hier?’

‘Een kwartier.’

De Cock zuchtte.

‘Dan kan het Marie van den Heuvel nog niet zijn.’ Hij trok Vledder mee naar de slaapkamer. ‘Snel,’ gebood hij. ‘Onder het bed.’

Ze schoven op hun buik over het hoogpolige tapijt tot achter de volants van de sprei waarmee het bed was afgedekt. Scherp luisterend hielden ze hun adem in.

Iemand kwam de woning binnen. Het licht floepte aan en een jonge mannenstem riep gedempt: ‘Moeder… moeder.’

Na lange minuten ging het licht weer uit en stierf het geluid van voetstappen weg.

De Cock wachtte tot hij niets meer hoorde. Toen kwam hij van onder het bed vandaan.

Vledder volgde.

‘Dat was Albert,’ hijgde de jonge rechercheur, ‘Albert van den Heuvel.’

De Cock knikte.

‘Zoonlief heeft blijkbaar een sleutel van deze woning. We gaan weg. Ik wil niet het risico lopen dat hij terugkomt en dan langer blijft hangen… misschien tot zijn moeder thuiskomt. En dan kunnen wij geen kant meer op.’ Hij blikte om zich heen. ‘Er is hier toch niets te vinden.’

Vledder fronste zijn wenkbrauwen.

‘Vind je het niet gek, dat die jongen hier plotseling opduikt?’

De Cock grijnsde.

‘Plotseling? Misschien is hij wel nooit weg geweest… was er van een verdwijning geen sprake.’

Vledder snoof.

‘En heeft moeder Marie van den Heuvel ons mogelijk wat voorgelogen?’

‘Inderdaad, haar zoveelste leugen.’

De Cock liep naar de deur. Met behulp van het apparaatje van Handige Henkie verlieten ze de woning.

Het was buiten weer zachtjes gaan regenen. Zwijgend verlieten ze het Zaandammerplein.


In de Oostzaanstraat naast de Golf bleef De Cock in gepeins verzonken staan. Vledder duwde vanaf zijn plaats achter het stuur het portier voor hem open.

‘Kom je erin of blijf je hier overnachten?’

De Cock nam zonder commentaar naast hem plaats.

Vledder boog zich voorover en startte de motor.

‘Gaan we terug naar de Kit?’

De oude rechercheur scheen hem niet te horen.

Vledder herhaalde zijn vraag.

‘Gaan we terug naar de Kit?’

De Cock draaide zich naar hem toe.

‘Heb jij… eh, heb jij het adres van Alex van de Boogaard?’ vroeg hij enigszins afwezig.

Vledder grinnikte.

‘Dat heb ik. Voor de zekerheid heb ik alle adressen van de figuren die een rol spelen in deze idiote zaak, bij mij gestoken.’

‘Zoek het op.’

De jonge rechercheur pakte zijn notitieboek en bladerde.

‘Het adres van Alex van de Boogaard,’ las hij hardop, ‘is Kloosterstraat driehonderdzeven en zeventig, derde etage, in Duivendrecht.’ De jonge rechercheur stopte zijn notitieboek weer in de binnenzak van zijn colbert en blikte opzij. ‘Wat wil je dan?’

‘Naar Duivendrecht… met spoed.’

‘Waarvoor?’

De Cock keek hem strak aan.

‘Kijken,’ sprak hij toonloos. ‘Kijken of hij nog leeft. Alex van de Bogaard was bang om… net als Hendrik Zuiderman en Christiaan Adriaansen… het slachtoffer te worden van de wraakgevoelens van Albert van den Heuvel.’

Vledder manoeuvreerde de oude Golf behendig door het drukke stadsverkeer. De Cock liet zich in zijn gordel wat onderuitzakken.

‘Weet je waar Duivendrecht ligt?’ vroeg hij overbodig.

Vledder knikte.

‘Sinds kort. Ik kom tegenwoordig nog wel eens in de Arena om naar Ajax te kijken.’

De Cock grinnikte.

‘Ik heb nooit geweten dat jij van voetbal hield.’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Mijn vriendin Adelheid is een Ajax-fan.’

De Cock knikte begrijpend.

‘En dan moet jij wel mee.’

‘Precies.’

Vanaf de Ringweg bereikten ze de afslag Duivendrecht. Het was stil in het dorp. Aan het einde van de Rijksstraatweg reden ze links de Kloosterstraat in. Bij perceel 377 bracht Vledder de Golf tot stilstand. Ze stapten uit.

Er brandde in het gehele pand geen licht en de buitendeur stond halfopen.

De Cock drukte met zijn elleboog de deur verder open en liep de trap op. Vledder volgde.

Op het portaal van de tweede etage bleef De Cock even staan om zijn stampende ademhaling tot bedaren te laten komen. Daarna klom hij een verdieping hoger. Toen hij op de derde etage ook de woningdeur halfopen zag staan, overviel hem een gevoel van angst. Hij schoof met zijn knie de deur geheel open en stapte de woning in. Het ovaal van zijn zaklantaarn zocht naar een schakelaar voor het licht. Toen hij die had gevonden, stond hij onder een plafonnière van een kleine hal met drie deuren. Op zijn gevoel koos hij de middelste deur.

Toen hij die had geopend zocht hij met zijn zaklantaarn opnieuw naar een schakelaar. Het duurde maar even. Toen baadde de kamer in een zee van licht.

Met een lichte trilling in zijn knieën bleef De Cock verslagen staan.

Schuin weggezakt in een brede fauteuil van lichtgroen velours zat Alex van de Boogaard. Zijn kin hing op zijn borst en zijn open bruine ogen staarden in het niets. In het zachtblauwe

overhemd dat hij droeg, zat ter hoogte van de hartstreek een grote rode bloedvlek.

De Cock liet zijn hoofd even hangen. In zijn hart kroop een gevoel van pijn en woede. Pijn, omdat hij de dood van deze man niet had kunnen voorkomen. Woede, omdat de moordenaar, ondanks zijn inspanningen, toch weer had toegeslagen.

Vledder liep langs hem heen naar het slachtoffer en bezag de situatie.

‘Een kopie,’ verzuchtte hij. ‘Een kopie van de moorden op Zuiderman en Adriaansen. De dader moet weer recht tegenover zijn slachtoffer hebben gezeten op het moment dat hij schoot. Het is niet te vatten. Zou het toch Albert van den Heuvel zijn?’

De Cock antwoordde niet. Het duurde enige seconden voor hij reageerde. Met een somber gezicht wees hij achter zich naar de deur.

‘Pak beneden de mobilofoon en vraag om de meute.’


Bram van Wielingen kwam dreunend het vertrek binnen. Hij blikte naar het lijk, zette zijn aluminium koffertje op het parket en keek De Cock met grote schrikogen aan.

‘Wéér een,’ riep hij verbijsterd. ‘Weer een op dezelfde manier? Dat kan toch niet zomaar doorgaan. Hoeveel denk je dat er nog volgen?’

De Cock zuchtte diep.

‘Geen notie.’

‘Weet je wie hij is?’

‘Alex van de Boogaard, net als de vorige twee, employé van reclamebureau Het Intellect.’

Bram van Wielingen keek De Cock onderzoekend aan.

‘Heb je al wat… een aanwijzing, een idee in welke richting je het moet zoeken?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ik durf de mensen,’ sprak hij triest, ‘de mensen van het reclamebureau die nu nog in leven zijn, bijna niet meer onder ogen te komen.’

De oude rechercheur wees naar de dode man in zijn fauteuil.

‘Die man was vanmorgen nog bij mij en zei dat hij bang was om vermoord te worden.’

‘Door wie?’

‘Een wrokkende jongeman. Een jongeman met wie hij en die twee andere slachtoffers in het verleden kinderporno hebben gefabriceerd.’

‘Ken je die jongeman?’

De Cock knikte.

‘Ik heb hem weliswaar nog nooit ontmoet, maar ik weet dat hij Albert van den Heuvel heet. Het eerste slachtoffer in deze zaak was zijn natuurlijke vader.’

Van Wielingen trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.

‘Waarom arresteer je die Van den Heuvel niet?’

De Cock trok een pijnlijk gezicht.

‘Je kent mijn principes. Ik gok niet. Ik zet niemand in de cel, van wie ik niet voor honderd procent zeker ben dat hij of zij de dader is.’

De fotograaf deed zijn koffertje open en pakte zijn Hasselblad.

‘Als er nog zo’n slachtoffer valt, dan nemen ze jou en Vledder de zaak uit handen.’

De Cock knikte met een somber gezicht.

‘Daar ben ik ook bang voor. Het zou voor de eerste keer in mijn lange carrière zijn, dat ik een zaak niet volledig heb afgerond.’

Van Wielingen schudde zijn hoofd.

‘Dat mag niet gebeuren.’

De fotograaf monteerde een flitslicht op zijn Hasselblad en schoot zijn eerste plaatje.

Dokter Den Koninghe kwam het vertrek binnen. Achter hem in de hal stonden twee broeders van de Geneeskundige Dienst met hun onafscheidelijke brancard.

De Cock kon het niet opbrengen om de excentrieke lijkschouwer ditmaal, zoals zijn gewoonte was, blij en opgewekt te begroeten. Hij drukte hem zwijgend de hand.

Dokter Den Koninghe wierp een korte blik op het lijk en keek daarna naar De Cock op.

‘Ga je grossieren?’

De Cock zweeg. Het grapje amuseerde hem niet.

Dokter Den Koninghe stapte naar de dode man in de fauteuil. Zoals De Cock had verwacht, drukte hij met duim en wijsvinger de oogleden dicht. Daarna voelde de lijkschouwer met de rug van zijn hand aan de wang en betastte de kin. Langzaam liep hij terug naar De Cock.

‘Ik behoef de kogelwonden in zijn borst niet te zien. Die ken ik inmiddels. À propos… hij is dood… niet langer dan een uur.’

‘Zo kort?’

De lijkschouwer knikte.

‘Hij voelt nog warm aan. Zijn lichaamstemperatuur is nauwelijks gezakt.’

Vledder liep op De Cock toe.

‘Ga eens mee?’

De oude rechercheur liep achter Vledder aan. Voor de deuren van een oude gotische kast wees de jonge rechercheur naar kleine krasspoortjes in de lak van het parket.

‘Net als in de woning van Christiaan Adriaansen.’

‘Heb je die krasjes daar door onze technische dienst laten onderzoeken?’

Vledder knikte.

‘Ik heb ze ook laten fotograferen.’

‘Heb je al uitsluitsel van het onderzoek?’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Ik hoop morgen.’

De Cock wenkte Bram van Wielingen naderbij en wees op de spoortjes.

‘Kun je daar plaatjes van maken?’

‘Zeker.’

Dokter Den Koninghe zwaaide tot afscheid en verliet het vertrek.

Toen Bram van Wielingen de krasjes in de lak had gefotografeerd, borg hij de Hasselblad en de flitser in zijn aluminium koffertje. Hij verdween met een groet.

De Cock gaf de broeders een teken, dat zij de dode man konden weghalen. Hij keek toe hoe ze hem op de brancard legden, een laken over hem heen drapeerden en de canvasflappen dichtsloegen. Toen ze de riemen hadden vastgesjord, droegen ze hem zacht wiegend weg.

De Cock volgde de brancard tot aan de trap.

Vledder kwam naast hem staan.

De oude rechercheur staarde voor zich uit.

‘Ik heb de slachtoffers van moord dikwijls nagestaard… vaak met pijn in het hart. Maar nu…’ hij stokte even, ‘…nu is die pijn schrijnender dan ooit.’

Загрузка...