De Cock trok een bedenkelijk gezicht.
‘Ik heb moeite met jouw waarnemingen met betrekking tot de voeten van Mathilde van Nibbixwoud,’ sprak hij bedachtzaam. ‘Ik ben er eerlijk gezegd ook niet blij mee. Ik vraag mij af of wij die nietige krasspoortjes in de woning van Christiaan Adriaansen kunnen opblazen tot een deugdelijke bewijsvoering. Dat zie ik technisch nog niet gebeuren. Bovendien moeten we die spoortjes kunnen koppelen aan het tijdstip van de moord op Christiaan Adriaansen, anders hebben ze voor ons geen enkele waarde.’
De oude rechercheur maakte een hulpeloos gebaar.
‘En vertel eens… welk motief moeten wij mevrouw Van Nibbixwoud toedichten voor de moord op twee van haar employés?’
‘Twee?’
De Cock knikte.
‘Als Mathilde van Nibbixwoud Christiaan Adriaansen heeft omgebracht, dan is zij ook verantwoordelijk voor de moord op Hendrik Zuiderman.’
Vledder trok zijn schouders op.
‘Ik heb alleen geconstateerd, dat mevrouw Van Nibbixwoud haar voeten beweegt op een manier, die overeenkomt met de krassen in de vloerlak van de woning van Christiaan Adriaansen. Dat is alles. Ik weet beslist niet hoe andere mensen met hun voeten schuifelen.’
De jonge rechercheur lachte.
‘Daar heb ik nog nooit studie van gemaakt.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik ook niet,’ gniffelde hij. ‘Ik heb in mijn gehele carrière nog nooit inzake een bewijsvoering met schuifelende voeten te maken gehad.’
Vledder keek even naar de vloer.
‘Het kwam zomaar in mij op om naar haar voeten te gaan kijken.’
‘Ik acht de poging om in het kantoor aan de Herengracht het bureau van Hendrik Zuiderman open te breken, van groter belang dan jouw krasspoortjes in de vloerlak van de woning van Adriaansen.’
‘Waarom?’
‘Omdat ik er bijna van overtuigd ben dat die poging is ondernomen door de man of vrouw, die ook verantwoordelijk is voor de twee moorden.’
Vledder ademde diep.
‘Ik vermoed dat jij gelijk krijgt. Omdat verdere sporen van braak ontbreken, moet die poging zijn ondernomen door een lid van het personeel.’
De Cock knikte instemmend.
‘Een personeelslid van het reclamebureau die beschikt over een sleutel van het kantoor en zonder braak of verbreking kon binnenkomen… uiteraard buiten kantoortijd. Ik neem niet aan dat hij of zij tijdens de braakpoging getuigen om zich heen wilde.’
Vledder gniffelde.
‘Een braakpoging met publiek.’
De Cock wees voor zich uit.
‘Zorg ervoor dat Ben Kreuger morgenochtend het bureau van Hendrik Zuiderman dactyloscopisch bekijkt. Misschien heeft de man of vrouw die de schroevendraaier hanteerde, vingerafdrukken achtergelaten.’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Ik verwacht daar niet veel van,’ reageerde hij triest. ‘Zowel in de woning van Hendrik Zuiderman als in de woning van Christiaan Adriaansen zijn geen bruikbare dactyloscopische sporen gevonden. De dader of daderes is een voorzichtig mens, die tot nu geen sporen heeft achtergelaten. Buiten dan die krasjes…’
De Cock wuifde het weg.
‘Hou daar over op.’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Ik zal er niet meer over beginnen.’
De jonge rechercheur keek omhoog naar de grote klok boven de toegangsdeur.
‘Het is bijna twee uur. Het wordt langzamerhand tijd om ons bed op te zoeken. Het is of de duivel er mee speelt… het wordt bij ons altijd laat.’
De Cock kwam uit zijn stoel overeind en slenterde naar de kapstok. Op dat moment rinkelde op zijn bureau de telefoon.
De oude rechercheur bleef staan en Vledder nam de hoorn op.
Na enkele seconden hield hij zijn hand voor het spreekgedeelte.
‘Het is de wachtcommandant beneden. Bij hem voor de balie staat Marie van den Heuvel… of jij haar nog te woord wilt staan?’
‘Nu?’
‘Ja.’
De Cock knikte met een zucht. Op zijn gezicht lag een droevige grijns.
‘De tamtam bij Het Intellect werkt snel.’
Traag slofte hij naar zijn bureau terug.
Marie van den Heuvel liet zich op de stoel naast het bureau van De Cock zakken en trok haar rok ietwat dichter naar haar knieen. Daarna draaide zij zich naar de oude rechercheur toe.
‘Christiaan Adriaansen,’ sprak ze afgemeten, ‘is vanavond vermoord.’
De Cock knikte gelaten.
‘Wie vertelde u dat?’
‘Zijn moeder.’
‘Kent u die?’
‘Ja.’
‘Hoe?’
‘Hendrik Zuiderman was met Christiaan bevriend. Toen ik nog met Hendrik samenwoonde, zijn wij wel eens bij haar op bezoek geweest.’
‘Wat behelsde die vriendschap?’
Marie van den Heuvel maakte een schouderbeweging.
‘Wat behelst een vriendschap?’
Om haar mond lag een grijns.
De Cock wond zich op. Hij boog zich met een rood gezicht naar haar toe.
‘Mevrouw Van den Heuvel,’ sprak hij streng en met hoorbare stemverheffing, ‘dit is het derde onderhoud dat wij beiden in deze zaak hebben. In de vorige gesprekken hebt u mij nooit de volle waarheid verteld. Ik wens, dat u van die onhebbelijke traditie afwijkt. Dus herhaal ik met klem: wat behelsde de vriendschap tussen Herman Zuiderman en Christiaan Adriaansen?’
Mevrouw Van den Heuvel draaide haar hoofd iets weg.
‘Zij fabriceerden samen kinderporno.’
‘Met uw zoon Albert als model.’
Mevrouw Van den Heuvel knikte.
‘Hendrik fotografeerde en Christiaan Adriaansen was de man die vieze spelletjes met Albert deed.’
‘Vieze spelletjes?’
‘Ja.’
‘Hij is op de kinderporno met uw zoon Albert vaak in zijn gezelschap afgebeeld?’
‘Inderdaad.’
‘Tijdens ons vorig onderhoud zei u: Hendrik Zuiderman deed aan pornografie. En hij was niet de enige bij ons op het reclamebureau.’
Mevrouw Van den Heuvel knikte opnieuw.
‘Dat was juist.’
‘Wie waren de anderen?’
‘Vrijwel elk lid van het personeel deed mee.’
‘U?’
Marie van den Heuvel zuchtte.
‘Ik werd in verband gebracht met de kinderporno waarin Albert een rol speelde.’
De Cock keek haar schuins aan.
‘Wat was de oorzaak dat Christiaan Adriaansen buiten schot bleef toen u en Hendrik Zuiderman voor kinderporno werden gearresteerd?’
Marie van den Heuvel draaide haar hoofd weg en zweeg.
De Cock nam een kleine pauze.
‘Ik heb u wat gevraagd,’ sprak hij na een poosje.
Mevrouw Van den Heuvel draaide haar hoofd terug.
‘Ik… eh, ik… eh,’ sprak ze aarzelend, ‘ik breng mijn positie bij het reclamebureau in gevaar als ik u de waarheid vertel.’
De Cock keek haar strak aan.
‘Ik zal van die waarheid zo min mogelijk gebruikmaken.’
Mevrouw Van den Heuvel zuchtte diep.
‘Mathilde van Nibbixwoud beloofde Hendrik en mij, dat wij na het uitzitten van onze straf op het reclamebureau mochten terugkomen… als wij over het aandeel van Christiaan Adriaansen zouden zwijgen.’
De Cock keek haar niet-begrijpend aan.
‘Waarom?’
Mevrouw Van den Heuvel liet haar hoofd iets zakken.
‘Ze had destijds een verhouding met hem.’
‘Met Christiaan Adriaansen?’
‘Ja.’
‘Buiten de heer Van Nibbixwoud om. Ik bedoel, kende hij die verhouding?’
Mevrouw Van den Heuvel schudde haar hoofd.
‘Dat weet ik niet. Ik heb geen zicht op hun relatie. De heer Van Nibbixwoud was er vrijwel nooit… vertoefde meest in het buitenland. De feitelijke leiding van het reclamebureau berustte bij haar.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Kon ze dat?’
In zijn vraag trilde verbazing.
Mevrouw Van den Heuvel grijnsde.
‘Mathilde speelde altijd de hulpeloze… de hulpbehoevende, maar ze wist deksels goed wat ze deed.’
‘Wist Mathilde van Nibbixwoud, dat in de kantoren van het reclamebureau aan de Herengracht op grote schaal pornografie werd vervaardigd?’
Mevrouw van den Heuvel knikte overtuigend.
‘Dat moet zij hebben geweten.’
De Cock liet zich in zijn stoel terugzakken. Zijn hersens werkten koortsachtig om de nieuwe informatie te verwerken.
Ineens veranderde mevrouw Van den Heuvel van houding. De gelatenheid waarmee ze de vragen van de oude rechercheur had beantwoord, verdween. Met verschrikte ogen keek ze naar De Cock op.
‘Ik kom niet midden in de nacht naar de Warmoesstraat,’ sprak ze snel, ‘om met u te praten als ik daartoe geen gegronde redenen had.’
‘Dat begrijp ik.’
‘Daar hebt u nog geen vraag over gesteld.’
De Cock knikte voor zich uit
‘Dat doe ik dan nu,’ reageerde hij kalm.
Mevrouw Van den Heuvel verschoof op haar stoel.
‘Albert, mijn zoon, haatte niet alleen zijn natuurlijke vader, maar meer nog de man met wie hij voor de camera vieze spelletjes moest spelen.’
‘Christiaan Adriaansen.’
‘Precies. Toen ik vanavond hoorde dat ook Christiaan Adriaansen was vermoord, sloeg mij de schrik om het hart. Ik had het stellige gevoel, dat Albert eindelijk wraak had genomen op de twee mannen die hem vrijwel zijn gehele jeugd op een afschuwelijke wijze hadden vernederd.’
De Cock keek haar met mededogen aan.
‘Die mogelijkheid acht u aanwezig?’
Mevrouw Van den Heuvel knikte traag.
‘Urenlang ben ik bezig geweest om Albert in Leiden te bereiken.’
Over haar vriendelijk rond blozend gezicht gleden enige tranen… drupten geruisloos op haar schoot.
‘Hij is er niet.’
Ze slikte en begon erbarmelijk te huilen. Een stroom van tranen gleed over haar wangen.
‘Hij… eh, hij is er niet,’ herhaalde ze panisch van angst. ‘Niemand weet waar hij is… waar hij is gebleven. Ik ben nu zo bang dat die jongen uit wroeging zichzelf iets heeft aangedaan.’
Toen De Cock de volgende morgen zo rond de klok van tien uur de grote recherchekamer binnenstapte, trof hij Vledder achter zijn nieuwe computer. De rappe vingers van de jonge rechercheur dartelden over het toetsenbord.
De Cock bezag het met een glimlach. Hij wierp zijn oude hoedje naar de kapstok, lachte omdat hij weer eens had gemist en wurmde zich uit zijn regenjas. Daarna raapte hij zijn gevallen hoedje op en slenterde naar zijn bureau.
Vledder liet zijn vingers rusten en keek op.
‘Je bent laat.’
Het klonk bestraffend.
De Cock gniffelde.
‘Een oude man heeft zijn nachtrust nodig. Heb jij vannacht niet geslapen?’
Vledder grinnikte.
‘Ik heb toen ik thuis kwam Adelheid[6] gebeld. Die had voor een speciale opdracht nachtdienst aan het hoofdbureau. Ik heb haar gevraagd om mij op tijd te wekken.’ De jonge rechercheur glimlachte fijntjes. ‘Dat heeft ze vanmorgen gedaan… persoonlijk.’
De Cock trok zijn wenkbrauwen samen.
‘En toch was je op tijd op bureau?’ vroeg hij verwonderd.
Vledder zuchtte.
‘Dat moest wel. Ik heb Ben Kreuger naar de Herengracht gestuurd om het bureau van Hendrik Zuiderman dactyloscopisch te onderzoeken. Ik heb gebeld met dokter Rusteloos over het tijdstip van de gerechtelijke sectie op het lijk van Christiaan Adriaansen. En ik heb contact opgenomen met de politie in Leiden met het verzoek om uit te kijken naar de verdwenen Albert van den Heuvel.’
‘En?’
Vledder grijnsde.
‘Ze namen het daar nogal luchtig op. Het schijnt dat studenten bepaald niet hokvast zijn. Ze veranderen dikwijls van adres en verdwijnen soms voor een poosje uit het zicht.’
‘Heb je op de ernst van de situatie gewezen?’
Vledder knikte.
‘Op hun verzoek heb ik een opsporingsbericht op de telex gezet.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Toch geen OAV?[7]’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Dat durfde ik nog niet aan. Ik heb alleen de opsporing van zijn verblijfplaats verzocht. Moeder Van den Heuvel mag dan wel denken dat haar zoon uit wraak Hendrik Zuiderman en Christiaan Adriaansen heeft vermoord, maar wij hebben daarvoor nog geen spatje bewijs.’
De grillige accolades rond de mond van De Cock vormden een droevige grijns.
‘Ik had vannacht wel met de bedroefde moeder Van den Heuvel te doen. Ik heb nog een moment met de gedachte gespeeld om met haar naar Leiden te rijden om die jongen te gaan zoeken.’
Vledder keek hem lachend aan.
‘Soms ben jij toch een sentimentele oude dwaas,’ sprak hij hoofdschuddend. ‘Waar wil je midden in de nacht gaan zoeken in een stad, die je helemaal niet kent?’
De Cock maakte een afwerend gebaar.
‘Ik heb alleen gespeeld met de gedachte om naar Leiden te gaan, meer niet.’
Vledder sloeg plotseling geschrokken zijn hand voor de mond.
‘Ver… eh, vergeten,’ stamelde hij.
‘Wat?’
Vledder duimde over zijn schouder.
‘Commissaris Buitendam stond vanmorgen om negen uur al naast mijn bureau. Je moest onmiddellijk bij hem komen.’ De jonge rechercheur blikte op zijn polshorloge. ‘Dat was één uur en twintig minuten geleden.’
Commissaris Buitendam, de lange, statige politiechef van bureau Warmoesstraat, wenkte hem met een slanke hand naderbij.
‘Heeft Vledder jou niet verteld,’ vroeg hij verrast, ‘dat jij onmiddellijk bij mij moest komen?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Het is hem blijkbaar ontschoten,’ sprak hij achteloos. ‘Ik denk dat hij het niet zo belangrijk heeft gevonden.’
Op het vale gezicht van Buitendam verschenen lichte blosjes. Hij wees naar de stoel voor zijn bureau.
‘Ga zitten, De Cock,’ sprak hij geaffecteerd.
De oude rechercheur schudde zijn hoofd.
‘Ik blijf liever staan.’
‘Zoals je wilt.’ De commissaris zweeg even om indruk te maken, strekte zijn rug en ademde diep.
‘Hoewel jouw gedrag, De Cock, in het verleden dikwijls enige correctie behoefde, heb ik jou in de meeste gevallen ongestoord je gang laten gaan.’
De commissaris hield opnieuw een kleine pauze en kuchte.
‘Daarbij gold de overweging,’ ging hij gedragen verder, ‘dat je als rechercheur vaak uiterst succesvol was… een feit, waarvoor ik mijn ogen niet heb willen sluiten.’
De Cock trok denkrimpels in zijn voorhoofd en spreidde zijn armen in een hulpeloos gebaar.
‘Waarom zo’n… zo’n omhaal van woorden?’ riep hij licht geprikkeld. ‘Zeg gewoon rechtuit wat u op het hart hebt. Als ik loftuitingen van u hoor, is dat op z’n minst het begin van een vermanende toespraak.’
Buitendam kuchte opnieuw.
‘Juist… heel juist, een vermanende toespraak… dat is het… dat wordt het.’
De Cock keek de politiechef onbewogen aan.
‘Ik wacht.’
Commissaris Buitendam raadpleegde een notitie voor zich op zijn bureau.
‘Ik ben gisteravond, vrij laat nog, benaderd door mevrouw Van Nibbixwoud van reclamebureau Het Intellect.’
‘Mathilde.’
Buitendam keek hem niet-begrijpend aan.
‘Mathilde?’
De Cock knikte.
‘Dat is haar voornaam.’
Buitendam gebaarde voor zich uit.
‘Mevrouw Van Nibbixwoud had ernstige kritiek op jouw werkwijze… op jouw houding ten opzichte van haar… op de nonchalance waarmee jij het verlies van twee van haar belangrijkste medewerkers tegemoet trad. Hun dood scheen jou nauwelijks te interesseren.’
De Cock glimlachte.
‘En de slang nu was listiger dan al het gedierte des velds.’
‘Waar slaat dat op?’
De Cock spreidde zijn armen.
‘Dit bijbelwoord kwam plotseling in mij op.’
‘Je bedoelt mevrouw Van Nibbixwoud?’
De Cock ontweek de vraag.
‘U gelooft haar?’
Buitendam schraapte zijn keel.
‘De grieven van mevrouw Van Nibbixwoud leken mij oprecht.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘En gegrond?’
‘Dat… eh, dat kan ik niet geheel beoordelen.’
De Cock grijnsde.
‘Maar u neemt haar grieven wel als basis voor een vermanende toespraak?’
Buitendam trok zijn gezicht strak.
‘Dat is mijn beoordeling.’
De Cock knikte traag.
‘En zoals gewoonlijk,’ sprak hij gelaten, ‘een foute beoordeling.’
Commissaris Buitendam kwam met een ruk uit zijn stoel overeind. Zijn gezicht zag rood en zijn lippen trilden.
Bevend strekte hij zijn arm naar de deur.
‘Eruit.’
De Cock ging.