Vledder en De Cock reden met hun oude Golf vanaf de houten steiger achter het politiebureau naar de Oudebrugsteeg en vandaar naar het Damrak. Ondanks het late uur en het druilerige weer liepen er veel mensen over het brede trottoir. De talrijke eettentjes waren druk bezet. De Cock ergerde zich opnieuw aan de uitbundige kerstetalages terwijl Sinterklaas nog op de stoomboot zat.
De oude rechercheur blikte opzij.
‘Weet je waar de Van Heemskerckstraat is?’ vroeg hij met enige argwaan.
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Geen flauw idee.’
De Cock grinnikte.
‘Waar rij je dan heen?’
De jonge rechercheur wees voor zich uit.
‘Ik mag op het Damrak maar één kant op… richting Centraal Station.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Straks ga je rechts de Prins Hendrikkade op en vandaar rij je via de Oosterdokskade achter het Centraal Station om naar de De Ruijterkade.’
‘En verder?’
‘Net zoals gisteren via de Westerdoksdijk naar het Barentszplein. Vandaar rij je de Barentszstraat in en rechts voor je… de Van Heemskerckstraat.’
Vledder grinnikte.
‘Bedankt, maar ik heb toch liever een routeplanner.’
De Cock wuifde afwerend.
‘Wees blij dat je mij hebt. Op die routeplanner kun je nog wel een poosje wachten. Het Rijk heeft voor de politie en haar voorzieningen weinig over.’
Vledder bromde.
‘De criminelen zijn ons altijd een slag voor. Zij beschikken over snellere wagens, hebben betere communicatiemiddelen en worden niet belemmerd door de wettelijke voorschriften, waaraan wij ons wel dienen te houden.’
‘Kies een andere baan.’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Dan ben ik jou kwijt.’
Het klonk vertederend.
Er gleed een glimlachje om de lippen van De Cock, maar verder ging de oude rechercheur niet op de opmerking in.
‘Dat adres in de Van Heemskerckstraat, zegt jou dat iets? Komt het in onze stukken voor?’
Vledder trok zijn schouders op.
‘Het kan best. Ik heb al die adressen niet in mijn hoofd zitten.’
De Cock wreef zich achter in zijn nek.
‘Het komt mij bekend voor.’
In de Van Heemskerckstraat parkeerde de jonge rechercheur de Golf achter een surveillancewagen met zwaailicht. Ze stapten uit.
Onderweg naar 707 liepen ze langs de surveillancewagen. Het voorportier werd opengegooid en een jonge diender stapte gehaast uit. De Cock herkende hem van de vorige dag. De agent bleef voor de oude rechercheur staan en tikte tegen de rand van zijn pet.
‘Ik had de meute voor u willen waarschuwen, maar dat mocht ik niet van de wachtcommandant, omdat hij u niet kon bereiken. Dan zouden ze hier voor niets komen en dat gaf problemen. Mag ik het nu wel doen?’
De Cock knikte.
‘Doe maar.’
De oude rechercheur bukte zich, keek naar het interieur van de surveillancewagen en zag op de achterbank een vrouw zitten.
‘Is de melding van haar?’
De jonge diender knikte.
‘Zij zegt de moeder van het slachtoffer te zijn. Ze was totaal overstuur. Ze riep maar steeds mijn zoon, mijn zoon… o, mijn zoon. En dat zonder ophouden. Mijn collega heeft haar in onze wagen laten plaatsnemen. Ze is nu al wat rustiger.’
De Cock glimlachte.
‘Gelukkig.’ Hij wees naar de politiewagen. ‘Neem alvast een verklaring van haar op. Uitgebreid. Met zoveel mogelijk details. Je kunt het. Ik was over dat proces-verbaal van jou gisteravond dik tevreden.’
Licht blozend kroop de jonge diender terug in zijn surveillancewagen.
De toegangsdeur tot perceel Van Heemskerckstraat 707 stond op een kier. De Cock drukte de deur verder open, na een klein halletje hees hij zijn negentig kilo langs de leuning van een smalle trap omhoog. De houten traptreden kraakten onder zijn gewicht.
Vledder volgde.
Op het portaal van de tweede etage bleef de oude rechercheur even staan en bracht zijn hijgende ademhaling weer wat op peil. Daarna stapte hij langs de open woningdeur naar de keuken. Met op het aanrecht aangekoekte pannen en ongewassen vaatwerk zag het er vies en vervuild uit.
Links in de keuken was een deur, die naar een woonvertrek leidde. De Cock schoof de deur met zijn rechterknie verder open.
Leunend tegen een muur, zijn uniformpet ver naar achteren geschoven, stond een oudere diender.
De Cock herkende Jan Peekel. Hij liep op hem toe.
‘Het begint mij te vervelen,’ sprak hij lachend. ‘Als ik jou morgen weer bij een lijk aantref, dan arresteer ik je voor moord.’
Jan Peekel schudde grijnzend zijn hoofd.
‘Dat doe jij niet, vader. Ik heb altijd een rotsvast alibi… mijn jonge maat in de surveillancewagen.’
Hij kwam loom van de muur vandaan en wees naar een schuin weggezakte, forsgebouwde man in een brede, wat versleten fauteuil van een lichtgroene stof.
‘Het lijkt wel een kopie van gisteren,’ ging hij verder. ‘Schotwonden in de borst op vrijwel dezelfde plek.’
‘Geen hulzen?’
Jan Peekel schudde zijn hoofd.
‘Ik heb er wel naar gekeken, maar ik heb geen hulzen kunnen ontdekken.’
Hij zweeg even en gebaarde opnieuw naar de dode man in de fauteuil.
‘Ik weet ook nog niet wie hij is,’ verzuchtte hij. ‘Een oudere vrouw, die ik hier bij het lijk aantrof, zei dat het slachtoffer haar zoon was. Het mens was totaal van de kaart en zo in de war, dat ik niet eens heb geprobeerd om naar de naam van haar zoon te vragen.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Je hebt haar beneden in de wagen gezet.’
‘Dat leek mij het beste.’
De Cock liep van Jan Peekel weg naar het slachtoffer. Hij liet het beeld van de dode man in de fauteuil even op zich inwerken. De oude rechercheur had voor dergelijke situaties een bijna fotografisch geheugen… het voorover hangende hoofd met sliertjes dun sluik haar… de slappe kin rustend op de borst… de omvangrijke bloedvlek rond de hartstreek in het lichtgrijze overhemd… hij legde het vast. In de rommelige zolderkamer van zijn herinnering lagen tientallen van dergelijke beelden opgeslagen.
De Cock boog zich iets voorover en bezag het ronde gezicht met de hoog opbollende wangen. De kleine ogen daarachter waren nauwelijks te zien.
Vledder boog met hem mee en hijgde in zijn nek.
‘Het… eh, het is Christiaan Adriaansen,’ stamelde hij onthutst. ‘Christiaan Adriaansen van reclamebureau Het Intellect. Je hebt gelijk, dat het adres hier in de Van Heemskerckstraat jou bekend voorkwam. Ik herinner mij het weer. Het staat in de stukken.’
Bram van Wielingen keek naar de dode man in zijn fauteuil. In zijn ogen glansde verwondering.
‘Het is alleen een andere vent,’ riep hij verrast.
‘Je bedoelt,’ zei De Cock, ‘dat hij op dezelfde wijze om het leven is gebracht?’
Bram van Wielingen wees naar een fauteuil recht tegenover het slachtoffer.
‘Precies. De schutter moet op het moment dat hij vuurde, in die fauteuil daar hebben gezeten. Dezelfde enscenering als gisteren.’
De Cock zuchtte.
‘En dezelfde dader?’
Bram van Wielingen knikte.
‘Daar kun je rustig van uitgaan.’ De fotograaf keek naar De Cock op. ‘Heb je al wat?’
‘Je bedoelt of ik vorderingen heb gemaakt?’
‘Precies.’
De oude rechercheur maakte een mistroostig gebaar.
‘Ik ben nog niet veel verder. Deze man en het slachtoffer van gisteren werken op hetzelfde reclamebureau aan de Herengracht, Het Intellect.’
Bram van Wielingen grinnikte.
‘Heet het zo… Het Intellect?’
‘Ja.’
‘Over kapsones gesproken.’
De Cock negeerde de opmerking.
‘Kortgeleden is de directeur-eigenaar van dat reclamebureau overleden en nu schijnen enige personeelsleden om die functie te strijden.’
Bram van Wielingen trok zijn neus iets op.
‘En daarvoor moorden ze elkaar uit?’
In zijn stem trilde verwondering.
De Cock spreidde zijn handen.
‘Het is ongelukkig genoeg, maar ik kan voorlopig geen ander motief vinden.’
Bram van Wielingen schudde zijn hoofd.
‘Dat is het niet, De Cock,’ sprak hij stellig. ‘Daar geloof ik geen barst van. Aan die twee moorden moeten andere motieven ten grondslag liggen.’
‘Welke?’
Bram van Wielingen lachte.
‘Jij bent rechercheur. Het is jouw taak om de zaak op te lossen.’ Hij pakte zijn trouwe Hasselblad en flitste in het dode gelaat van het slachtoffer. ‘Ik schiet gewoon mijn plaatjes en verder geen sores.’
Dokter Den Koninghe kwam het vertrek binnen. Achter hem stonden twee broeders van de Geneeskundige Dienst. De Cock begroette de kleine lijkschouwer in zijn uitzonderlijke outfit allerhartelijkst.
Dokter Den Koninghe volgde dezelfde procedure als bij het lijk van Hendrik Zuiderman. Hij trok het grijze overhemd uit de pantalon van het slachtoffer omhoog en knoopte het van onderen af los. In de borst van het slachtoffer werden drie kogelwonden zichtbaar. Ze zaten ook nu dicht bij elkaar gegroepeerd.
De lijkschouwer trok het hemd weer naar beneden en draaide het slachtoffer zijn rug toe. Daarna volgde de gebruikelijke ceremonie met bril en pochet.
‘Ook deze is dood,’ sprak hij laconiek.
De Cock glimlachte.
‘Dat vermoeden had ik al,’ snierde hij. ‘Doodsoorzaak?’
‘Inwendige verbloeding.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Kunt u iets over het tijdstip van overlijden zeggen?’ vroeg hij voorzichtig.
Dokter Den Koninghe wierp nog even een blik op het lijk.
‘Nog maar een paar uur.’
De Cock keek hem verbaasd aan.
‘U bedoelt,’ sprak hij verwonderd, ‘dat hij in de loop van deze avond is vermoord?’
Dokter Den Koninghe knikte.
‘Ik schat zo rond de klok van acht uur. Misschien nog iets later.’
De kleine lijkschouwer wuifde een groet en verliet het vertrek.
De Cock keek hem even na. Daarna draaide hij zich om en keek toe hoe Bram van Wielingen zijn aluminium koffertje sloot.
‘Ben je klaar?’
De fotograaf knikte.
‘Morgen heb je de plaatjes bij je op bureau. Moet ik nog naar Westgaarde voor een portretje?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik weet wie hij is… Christiaan Adriaansen. Zonder twijfel. Ik heb vanmorgen nog in de Warmoesstraat met hem gesproken.’
Bram van Wielingen knikte begrijpend en verdween met zijn koffertje.
De Cock wenkte de broeders van de Geneeskundige Dienst naderbij. Ze tilden het lijk uit de fauteuil en legden het op de brancard. Ze drapeerden een laken om hem heen, sloegen de canvas flappen terug en sjorden de riemen vast. Zachtjes wiegend droegen ze hem het vertrek uit.
Vledder liep op De Cock toe.
‘Het is zeker geen roofmoord.’ Hij wees naar een secretaire aan de wand. ‘Daar ligt baar geld, betaalpasjes, een chequeboek… onaangeroerd. Toch heb ik het idee dat er naar iets is gezocht. Dat idee had ik ook gisteren in de woning van Hendrik Zuiderman, maar ik vond daar niets om het te staven. Ga eens mee.’
Hij liep naar de secretaire en knielde bij de deurtjes. Met zijn zaklantaarn bescheen hij een paar verse krasjes in de gelakte houten vloer.
‘Die zijn niet van Christiaan Adriaansen. Hij droeg in de woning pantoffels, en de schoenen die ik vond hebben rubber zolen. Bovendien lijken mij deze krasjes te zijn gemaakt door kleinere voeten.’
De Cock knikte instemmend.
‘Had mij eerder gewaarschuwd, dan had ik die krasjes door Bram van Wielingen laten fotograferen.’
Vledder maakte een verontschuldigend gebaar.
‘Ik merkte ze pas op toen de fotograaf al weg was. Ik maak morgen wel een afspraak. Misschien kan de technische dienst er wat mee.’
De jonge rechercheur wuifde om zich heen naar het versleten meubilair, naar de kroonluchter aan het plafond, waarin kapotte lampen niet waren vervangen, naar de scheve en vervuilde lamellen voor de ramen.
‘Wat een puinhoop.’
Het kwam uit de grond van zijn hart.
De Cock knikte.
‘Het woonhok van een verslonsde vrijgezel.’
De Cock keek de vrouw, die hij op de stoel naast zijn bureau had laten plaatsnemen, onderzoekend aan. De oude rechercheur schatte haar op rond de zestig jaar. Ze droeg een groene houtje-touwtjejas met capuchon. Haar zilvergrijze haren in een stijf permanentje waren gevangen in een netje. Verder had ze dezelfde opbollende wagen als haar zoon.
‘U bent mevrouw Adriaansen?’ opende hij vriendelijk.
De vrouw schudde haar hoofd.
‘Adriaansen is de familienaam van mijn man. Ik ben van hem gescheiden. Na de scheiding heb ik mijn meisjesnaam weer aangenomen. Ik ben Alida Oldenhoven.’
‘Christiaan is uw zoon.’
‘Mijn enige zoon,’ sprak mevrouw Oldenhoven bezorgd. ‘Ik heb nog een dochter. Die is keurig getrouwd en heeft tot mijn geluk een paar schatten van kinderen.’
‘Christiaan was niet getrouwd?’
Mevrouw Oldenhoven schudde haar hoofd.
‘Er heeft nooit veel vrouwenvlees aan hem gezeten. In zijn jonge jaren heeft hij wel eens verkering gehad, maar het is nooit wat geworden.’
‘Waarom ging u vanavond naar zijn woning.’
‘Omdat hij niet had gebeld.’
De Cock glimlachte.
‘Kunt u dat nader uitleggen?’
Mevrouw Oldenhoven knikte.
‘Christiaan is altijd een zorgenkind geweest. Met Ellis, mijn dochter, heb ik nooit problemen gehad, maar met Christiaan heb ik steeds moeten oppassen dat hij geen verkeerde vrienden kreeg. Hij wilde ook al vroeg op zichzelf wonen. In het begin hield ik zijn woning nog op orde, maar hij maakte er zo’n zootje van, dat ik daarmee ben gestopt. Wel heb ik hem verplicht, dat hij mij elke avond prompt om tien uur belt.’
‘Hij belde niet.’
Ze schudde haar hoofd.
‘Dat maakte mij ongerust. Christiaan hield zich altijd stipt aan onze afspraak.’
De Cock boog zich iets naar haar toe.
‘Was dat de enige reden dat u naar zijn woning ging… dat hij niet had gebeld?’
Mevrouw Oldenhoven zuchtte diep.
‘Hij was ’s morgens bij mij thuis geweest. Heel ongewoon. Hij kwam vrijwel nooit. Christiaan zag er moe en terneergeslagen uit. De moord op Hendrik Zuiderman had hem sterk aangegrepen. Hij was min of meer met hem bevriend.’
‘Heeft hij u verteld dat hij bij mij aan de Warmoesstraat was geweest?’
Mevrouw Oldenhoven knikte.
‘Volgens hem was het zijn plicht om de recherche bij het onderzoek naar de moord te helpen.’
‘Hij beschuldigde een collega van hem… Peter van Waardenburg.’
Alida Oldenhoven bracht een trieste glimlach.
‘Hij mocht die man niet. Volgens Christiaan was die man irritant… had te veel eigendunk… liep van hoogmoed naast zijn schoenen.’
‘Geen reden om hem van moord te beschuldigen.’
Mevrouw Oldenhoven schudde haar hoofd.
‘Dat heb ik Christiaan vanmorgen ook gezegd. Jouw persoonlijke gevoelens van weerzin, haat of aversie mogen geen drijfveer zijn om iemand in een kwaad daglicht te stellen.’
Ze zweeg even.
‘Christiaan zei vanmorgen nog iets, dat mij de hele dag heeft beziggehouden. Hij zei: moeder, nu Hendrik Zuiderman dood is, volgen er meer.’