Ze verlieten in hun Golf de steiger achter het politiebureau. Vanaf de Oudebrugsteeg reden ze naar het Damrak. De zwaaiende wissers zwiepten de regen van de voorruit weg. De Cock keek er een poosje naar en liet zich toen onderuitzakken.
Vledder, aan het stuur, blikte opzij.
‘Heb je die zilveren doopbeker bij je gestoken?’
De Cock knikte.
‘Hij ligt op de achterbank. Ik heb hem met wat vloeipapier in een doosje verpakt.’
‘Gaan we die Wladimir Wiardibotjov… wat een naam… nu echt arresteren?’
De Cock trok zijn schouders op.
‘Dat hangt grotendeels van zijn verhaal af… wat hij ons over die zilveren beker kan vertellen. Bovendien zitten we, juridisch gezien, nog met het probleem van de confrontatie.’
Vledder keek hem verast aan.
‘Wat voor een probleem?’
De Cock glimlachte.
‘Ik ken mijn vriend Smalle Lowietje al een eeuwigheid. De caféhouder is best bereid om veel voor ons te doen. Dat heeft hij in het verleden dikwijls bewezen… zolang het maar vrijblijvend en informeel blijft. Begrijp je, een echte getuigenverklaring, waarmee je een gedegen bewijsvoering kunt opbouwen, moet je van Smalle Lowietje niet verwachten.’
‘Je bedoelt dat Smalle Lowietje het ons niet zal willen zeggen, dat Wladimir Wiardibotjov de Rus is van wie hij die doopbeker kocht?’
De Cock grinnikte.
‘Hij zal het ons wel zeggen… entre nous. Geloof maar niet, dat je Smalle Lowietje zover krijgt dat hij voor de rechtbank onder ede een verklaring gaat afleggen.’ De oude rechercheur schudde zijn hoofd. ‘Dat zou ik, eerlijk gezegd, ook niet van hem verlangen.’
‘Waarom niet?’
De Cock grijnsde.
‘Noem het een gentlemen’s agreement.’
Ze reden een poosje zwijgend voort. Vledder had al zijn aandacht nodig om de Golf door het chaotische Amsterdamse verkeer te loodsen.
Toen ze in de Vijzelstraat onwrikbaar in een file waren beland, omdat een potige vrachtwagenchauffeur doodgemoedereerd midden op de rijbaan zijn wagen ging staan lossen, keek de jonge rechercheur opzij.
‘Je deed vanmorgen zo geheimzinnig, toen Ellen van Zoelen naar de zilververzameling van haar oom Zadok vroeg. Waarom heb je haar die zilveren doopbeker niet laten zien?’
De Cock maakte een vaag gebaar.
‘Dat had volgens mij geen enkele zin. Het is niet te verwachten dat Ellen exact weet, dat die bepaalde doopbeker tot de zilvercollectie van haar oom Zadok behoort. Bovendien wilde ik bij haar niet de valse hoop wekken, dat wij de verzameling spoedig boven water zouden krijgen.’
Vledder lachte.
‘Eén zwaluw maakt nog geen zomer.’
‘Precies.’
‘Wat denk je van haar verhaal?’
‘Over die neef Carry Cornelissen?’
Vledder knikte.
‘Ik vind het hoogst opmerkelijk, dat Carry Cornelissen op het station in Utrecht blijkbaar niet door Ellen van Zoelen herkend wilde worden. Zijn gedrag is… ten opzichte van iemand, die je goed hebt gekend… toch vreemd. Het wekt de indruk dat hij iets te verbergen heeft.’
De Cock ademde diep.
‘Als de waarnemingen van Ellen van Zoelen juist zijn… en ik twijfel daar niet aan… dan is die Carry Cornelissen al enige tijd terug in Nederland. Je kunt je dan tevens afvragen waarom hij zich nooit met neef Christiaan in verbinding heeft gesteld.’ De grijze speurder zweeg even en plukte aan het puntje van zijn neus. ‘Carry Cornelissen zou voor ons een bijna ideale verdachte zijn.’
Vledder trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.
‘Hoezo?’
De Cock grijnsde.
‘Wel, Carry Cornelissen kent de zilververzameling van Zadok van Zoelen en weet veel, zo niet alles, van de schilderijenverzameling van zijn oom Christiaan.’ De oude rechercheur stak zijn wijsvinger omhoog. ‘En bij beiden had hij een ingang.’
‘Je bedoelt dat noch Zadok van Zoelen, noch zijn oom Christiaan hem de toegang tot zijn woning zou hebben geweigerd.’
De Cock knikte nadrukkelijk.
‘Precies. Hij was als neef en oude kennis hartelijk welkom. En dat maakt diefstal wel erg gemakkelijk.’
De vrachtwagen trok op en de file kwam in beweging. Vledder richtte zijn aandacht weer op het verkeer.
Na enige tijd drukte De Cock zich omhoog, keek om zich heen en zag het water van de Amstel. Hij blikte opzij.
‘Hoe rijd jij naar de Bernard Zweerskade?’ vroeg hij verwonderd.
‘Via de Amsteldijk.’
De Cock snoof.
‘Waarom ga je niet via Tietjerksteradeel?’
Met een kartonnen doosje onder zijn arm geklemd, keek De Cock naar het zwaar gehavende ovale naambordje en drukte op de bel.
Na luttele minuten werd de deur geopend door een jongeman in een zwarte slobbertrui met een col en een vale spijkerbroek met bleekvlekken. Zijn donkere ogen onder een verwilderde haardos keken met verbazing van De Cock naar Vledder en terug.
‘Bent u er alweer?’
De Cock nam beleefd zijn hoedje af.
‘Wij wilden nog even met u praten,’ sprak hij vriendelijk, ‘en u iets laten zien.’
Wladimir Wiardibotjov deed de deur verder open en beduidde de beide rechercheurs hem te volgen. Hij bracht hen opnieuw naar zijn ruime zitkamer en liet hen aan de kale rechthoekige tafel plaatsnemen.
De Cock blikte om zich heen.
‘Ik mis uw moeder.’
Wladimir Wiardibotjov knikte.
‘Men heeft haar in een verzorgingshuis opgenomen. Het heeft mij heel veel moeite gekost om dat voor elkaar te krijgen. Het is mij uiteindelijk toch gelukt om een ambtenaar van mijn onmogelijke situatie te overtuigen.’ Hij zweeg even. ‘Het is ook veel beter zo. Ik had het feitelijk al opgegeven en mij met de gedachte verzoend, dat dit ook moeders sterfhuis zou worden. Gelukkig heeft men toch een plaatsje voor haar gevonden. Ze heeft nu de aandacht en verzorging die ze verdient. Hier kwijnde ze weg.’ Hij ademde diep. ‘En aanstaande maandag ga ik weer aan de slag. Ik kon bij mijn vroegere werkgever terugkomen.’
De Cock glimlachte.
‘Ik ben blij dat te horen.’
Wladimir Wiardibotjov ging tegenover hem aan tafel zitten. ‘Ik heb een beroerde tijd achter de rug,’ verzuchtte hij. ‘Ik heb zelfs een poosje drugs gebruikt.’ Hij keek even grijnzend op. ‘Maar dat zult u inmiddels wel te weten zijn gekomen.’
De Cock keek hem schuins aan.
‘Afgekickt?’
Wladimir Wiardibotjov knikte.
‘Volledig. En het vreemde was… het kostte mij niet eens veel moeite.’ Hij glimlachte vermoeid. ‘Eén ding weet ik zeker… ik begin er nooit meer aan.’ Hij boog zich iets voorover en wees naar het kartonnen doosje, dat De Cock voor zich op tafel had gezet. ‘Wat hebt u voor mij meegebracht… een cadeau?’
De oude rechercheur deed het doosje open, nam de beker uit het vloeipapier en hield hem omhoog.
De donkere ogen van Wladimir Wiardibotjov werden groot van verbazing. ‘Mijn beker,’ riep hij verrast, ‘mijn zilveren doopbeker. Hoe is het mogelijk? Hoe… eh, hoe komt u daaraan?’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Uw doopbeker?’
Wladimir Wiardibotjov knikte nadrukkelijk.
‘Gekregen van oom Zadok.’
De Cock trok zijn neus iets op.
‘Gekregen?’ herhaalde hij.
In zijn stem beefde ongeloof.
Wladimir Wiardibotjov knikte opnieuw.
‘Oom Zadok had een hele verzameling zilveren doopbekers. Toen ik hem ongeveer een maand voor zijn dood weer eens om wat geld vroeg, gaf hij mij die beker en zei: “Zie maar wat je ervoor maakt.”’
‘Toen hebt u hem verkocht?’
Wladimir Wiardibotjov schudde zijn hoofd.
‘Toen ik thuiskwam liet ik de zilveren doopbeker aan mijn moeder zien en beduidde haar dat ik die van oom Zadok had gekregen. Daarna wilde ze hem niet meer kwijt. Het ding kreeg plotseling voor haar een enorme sentimentele waarde.’
De Cock zette de beker voor zich neer en tikte met zijn wijsvinger tegen de rand. ‘Wij praten toch samen over dezelfde doopbeker?’
‘Zeker.’
‘Hoe komt die dan in mijn bezit?’
Wladimir Wiardibotjov trok zijn schouders op.
‘Dat weet ik niet. Ik weet alleen, dat die zilveren doopbeker plotseling was verdwenen. Moeder en ik hebben hier in huis overal gezocht. Ik denk dat Iwan hem heeft gejat.’
‘Wie is Iwan?’
Wladimir Wiardibotjov maakte een hulpeloos gebaar.
‘Een jongen uit de drugsscene, die ik heb leren kennen… een verslaafde… van Russische afkomst. Hij werd meestal Iwan de Verschrikkelijke of ook wel de Rus genoemd. Toen die jongen erachter kwam, dat ik Wladimir heette, klampte hij zich aan mij vast. Hij is ook een paar maal hier bij ons in huis geweest. Kortgeleden nog.’
De Cock keek hem onderzoekend aan.
‘En u denkt dat deze Iwan de zilveren doopbeker van u heeft gestolen?’
Wladimir Wiardibotjov knikte.
‘Maar ik doe tegen die jongen geen aangifte van diefstal. Iwan is een schlemiel… een lamme vogel… geboren op Sint-Galbertsnacht, drie dagen voor het geluk.’ Hij schudde zuchtend zijn hoofd. ‘En nu moeder niet meer hier in huis is, heb ik ook geen interesse meer in die doopbeker.’
Met precieze bewegingen wikkelde De Cock de zilveren doopbeker in het vloeipapier en deed hem terug in het doosje. De grijze speurder blikte langzaam omhoog. Zijn gezicht stond strak.
‘Ik vraag het u heel formeel,’ sprak hij ernstig. ‘Bezit u verder nog zilveren voorwerpen uit de kunstverzameling van uw oom Zadok?’
Wladimir Wiardibotjov keek hem onbewogen aan.
‘U bedoelt te vragen of ik wel eens iets van hem heb gestolen?’
De Cock tuitte zijn lippen.
‘Zo mag u het formuleren,’ antwoordde hij gedragen.
Wladimir Wiardibotjov trok zijn kin op.
‘Het antwoord is: nee… duizendmaal nee. Ik heb nooit iets van die man gestolen. En God weet dat ik daartoe toch dikwijls in de gelegenheid ben geweest. Oom Zadok was niet altijd even zorgvuldig.’
De Cock plukte aan zijn onderlip.
‘Hebt u wel eens van Marc Chagall gehoord?’ veranderde hij van onderwerp.
Wladimir Wiardibotjov knikte.
‘Marc Chagall… een zeer veelzijdig kunstenaar… bij zijn leven al een legende. En net als ik… van joods-Russische origine.’
De Cock gebaarde in zijn richting.
‘Kent u bewonderaars van Marc Chagall… mensen, die zijn werk verzamelen?’
Wladimir Wiardibotjov glimlachte.
‘Die zullen er beslist wel zijn. Maar ik ken ze niet.’
De Cock wreef over zijn kin.
‘Hoe vaak hebt u oom Zadok van Zoelen tijdens zijn leven bezocht?’
Wladimir Wiardibotjov woelde met zijn vingers door zijn verwilderde haardos. ‘Ik heb het niet bijgehouden. Ik schat zo’n tien, twaalf keer.’
‘Hebt u wel eens mensen ten huize van uw oom ontmoet?’
Wladimir Wiardibotjov knikte traag.
‘Een man die van die kleine peuterige Japanse beeldjes verzamelde. Froombosch heette hij.’ De jongeman schudde grinnikend zijn hoofd. ‘Die Froombosch mocht mij niet. En dat stak hij bepaald niet onder stoelen of banken. “Zadok,” zei hij dan tegen mijn oom… en dat in mijn bijzijn… “die jongeman moet je hier niet meer binnenlaten.”’
De Cock glimlachte. ‘Verder nog?’
Wladimir Wiardibotjov krabde peinzend aan zijn voorhoofd. ‘Een knappe assistente, die medicijnen voor oom Zadok bracht… een oudere man, die iets deed met klokken, horloges en pendules… en een man met een zwak Amerikaans accent, die door oom Zadok heel familiaar Carry werd genoemd.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Carry?’
Wladimir Wiardibotjov knikte.
‘Hij deed in verzekeringen.’
Via de Apollolaan, de Churchilllaan, de Vrijheidslaan en de Berlagebrug reden ze terug naar de binnenstad. Het regende nog steeds en er waaide een harde wind. De ruitenwissers van de Golf zwiepten heen en weer.
De Cock keek er even naar en schoof toen zijn oude hoedje tot over zijn ogen. Hij had altijd de onbedwingbare neiging om, net als bij het zien van het tafeltennisballetje, de bewegingen van de ruitenwissers met zijn hoofd te volgen.
Vledder blikte opzij.
‘Hadden we geen huiszoeking moeten doen?’
‘Bij Wladimir?’
‘Ja.’
De Cock schoof zijn hoedje iets terug.
‘Geloof jij zijn verhaal niet?’
Vledder duimde over zijn schouder naar de kartonnen doos op de achterbank. ‘Ik vond dat hij nogal gemakkelijk afstand van die zilveren beker deed.’
De Cock trok zijn schouders op.
‘Dat hoef je niet negatief op te vatten. Die zilveren doopbeker stamt uit een minder prettige episode in zijn leven. Misschien dat hij daaraan geen herinneringen wil bewaren.’ De oude rechercheur zweeg even. ‘Ik moet plotseling denken,’ ging hij verder, ‘aan de uitdrukking die Wladimir Wiardibotjov gebruikte ten aanzien van de verslaafde Iwan. De schlemiel, zei hij … geboren op Sint-Galbertsnacht, drie dagen voor het geluk. Ken jij die uitdrukking?’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Nog nooit van gehoord. Ik vond het ook een vreemde uitdrukking.’ Hij trok zijn schouders op. ‘Ik begrijp de betekenis niet. Wie was Sint-Galbert… welke nacht wordt er bedoeld?’[3]
Verzonken in gedachten reden ze verder.
Na een poosje klapte Vledder met zijn vuist op het stuur. ‘Het is toch opmerkelijk,’ sprak hij met enige opwinding in zijn stem, ‘dat Carry Cornelissen weer opduikt.’ Hij keek even opzij. ‘We kunnen er toch van uitgaan, dat de Carry met een zwak Amerikaans accent, die Wladimir bij zijn oom Zadok aantrof, de Carry Cornelissen is die door Ellen van Zoelen op het station van Utrecht werd gezien?’
De Cock knikte traag voor zich uit.
‘Dat moet haast wel dezelfde zijn. Volgens Wladimir ging oom Zadok nogal familiaar met hem om.’
‘Er is toch iets vreemds met die man,’ sprak Vledder geprikkeld. ‘Bij zijn neef Christiaan, die vermoedt dat hij in Amerika vertoeft, laat hij zich niet zien, door Ellen van Zoelen wil hij niet worden herkend, maar hij komt wel bij oom Zadok op bezoek.’
De Cock trok een grimas.
‘Die kort daarna sterft en zijn kostbare zilvercollectie kwijt is.’
‘Kunnen we hem opsporen?’
De Cock trok een bedenkelijk gezicht.
‘We hebben geen enkele aanwijzing waar hij zich ophoudt. Dat kan vrijwel overal zijn. Het feit, dat Ellen van Zoelen hem op het station van Utrecht zag, zegt niets over zijn verblijfplaats. Utrecht is het centrale spoorwegknooppunt van ons land.’ De oude rechercheur maakte een hulpeloos gebaar. ‘We kunnen ook geen opsporingsbericht van hem doen uitgaan. Hij is geen verdachte. Officieel kunnen we Carry Cornelissen nergens van betichten.’
Vledder snoof.
‘En aan de dode Christiaan Cornelissen,’ sprak hij grinnikend, ‘kunnen we niet meer vragen of neef Carry zich ook aan hem heeft gepresenteerd.’
Het Amsterdamse verkeersmonster was hun ditmaal beter gezind dan op de heenweg. Vrijwel zonder oponthoud bereikten ze met de Golf de steiger en stapten uit. De wind was uit het zuidwesten aangewakkerd en joeg van over het water van het Damrak de regen striemend in hun gezichten.
De Cock trok de kraag van zijn regenjas ver omhoog en groette in het voorbijgaan een hem bekende hoer, die acrobatische toeren verrichtte om haar paraplu ondanks de wind in model te houden.
Vledder liep met gebogen hoofd naast hem.
‘Als ik nog eens rechercheur word,’ bromde hij, ‘dan is het in Miami.’
De Cock lachte.
‘Dan mis je de geur van de Warmoesstraat.’
‘Je bedoelt de stank.’
Toen ze de hal van het politiebureau in liepen, wenkte Jan Kusters hen vanachter de balie. De Cock veegde met zijn vlakke hand de regen van zijn gezicht en liep licht geïrriteerd op hem toe.
‘Wat heb je nu weer?’ vroeg hij snauwerig.
De wachtcommandant grinnikte.
‘We hebben er weer een.’
‘Wat?’
‘Een dooie vent in een maillot.’