14

Nadat Nabor van Noordeinde in zijn groene trenchcoat uit de recherchekamer was vertrokken, viel er een diepe stilte. De geluiden van de straat drongen slechts flauw door, gedempt door de regen kwamen ze van heel ver.

De Cock steunde met zijn ellebogen op het blad van zijn bureau en liet zijn kin in het kommetje van zijn handen rusten. Hij keek naar de beregende ruiten en op zijn gezicht lag een sombere trek.

De oude rechercheur maakte zich zorgen. Het derde maillot-slachtoffer had zijn geestelijke weerstand aangetast. Hij voelde zich minder gespannen, minder strijdbaar dan bij vorige zaken, die hij in zijn lange carrière als speurder had behandeld. Zijn gevoel vertelde hem, dat noch Zadok van Zoelen, noch Christiaan Cornelissen, noch Nicolaas van Noordeinde een natuurlijke dood was gestorven. Maar dat gevoel werd gesmoord in de kille, feitelijke constateringen van doodschouwer Den Koninghe en de patholoog-anatoom dokter Rusteloos. Dat verlamde zijn spirit, zijn denken. De Cock vroeg zich af hoe hij zich kon opkrikken… welke middelen hij nog had om te klauteren uit een diep dal van onvermogen.

Het leek alsof Vledder zijn gedachten raadde. De jonge rechercheur zwaaide in zijn richting.

‘Je hebt het lijk van deze Nicolaas van Noordeinde niet naar Westgaarde laten afvoeren,’ constateerde hij nadenkend. ‘Ik bedoel: je hebt het niet in beslag genomen voor het doen van een gerechtelijke sectie.’

De Cock trok zijn hoofd tussen zijn schouders.

‘Ik heb er nog wel even over gedacht. Maar het heeft geen enkele zin. Ik weet bij voorbaat de uitslag: hartverlamming.’ Hij grijnsde. ‘Bovendien zou commissaris Buitendam zich dan terecht afvragen of ik gek was geworden om opnieuw een gerechtelijke sectie te laten verrichten op iemand die een natuurlijke dood is gestorven.’

Vledder keek hem onderzoekend aan.

‘Zijn ze dat?’

‘Wat bedoel je?’

‘Zijn die drie mannen in hun maillot een natuurlijke dood gestorven?’

De Cock reageerde wrevelig.

‘Je weet wat dokter Den Koninghe zegt… je weet wat dokter Rusteloos zegt… wat moet ik dan nog?’

Vledder boog zich iets naar hem toe.

‘Daar leg je je toch niet bij neer? Jij denkt er toch zelf anders over?’

De Cock ademde diep.

‘Ik weet zo langzamerhand niet meer wat ik ervan denken moet,’ sprak hij traag, moedeloos. ‘Het verbaast mij werkelijk, dat ik nog steeds geen moeie voeten heb… dat de pijn nog niet in mijn kuiten kruipt. Naar mijn idee hebben wij er nog nooit zo hulpeloos en hopeloos voorgestaan als nu.’

Vledder spreidde zijn handen.

‘Er moet toch iets zijn?’ riep hij geëmotioneerd uit. ‘Men kan toch niet meer van toeval spreken, dat telkens wanneer zo’n man een natuurlijke dood sterft, zijn kostbare kunstverzameling is verdwenen?’

De Cock schonk zijn jonge collega een vermoeide glimlach.

‘Wat is het dan? Moord?’ reageerde hij gelaten. ‘Een geraffineerde… niet te bewijzen… moord? Zo geraffineerd, dat uiterst bekwame en ervaren mensen als dokter Den Koninghe en dokter Rusteloos tot geen andere conclusie kunnen komen, dan dat de slachtoffers aan een hartverlamming… dus een volkomen natuurlijke dood zijn gestorven?’

Vledder sloeg met zijn vuist op het blad van zijn bureau. ‘We moeten zien te bewijzen,’ sprak hij krachtig, ‘dat zowel dokter Den Koninghe als dokter Rusteloos ongelijk had.’

De Cock grinnikte vreugdeloos.

‘Hoe?’

Vledder maakte een hulpeloos gebaar.

‘Dat weet ik niet. Jij bent altijd de man van de invallen… de ideeën. En als jij…’ De jonge rechercheur maakte zijn zin niet af. Er werd op de deur van de recherchekamer geklopt. Vledder maakte een korzelig gebaar en riep: ‘Binnen!’

De deur ging langzaam open en in de deuropening verscheen een heer in een lange groene loden jas en met een jagershoedje op met een pluim. In zijn rechterhand hield hij een wandelstok, waarop hij niet steunde. Kaarsrecht, met lange passen, zwaaiend met zijn wandelstok, liep hij op De Cock toe en ging statig, onuitgenodigd op de stoel naast diens bureau zitten.

De grijze speurder glimlachte. De sombere trek op zijn gezicht was verdwenen. ‘Meneer Franciscus Froombosch,’ riep hij opgetogen, ‘wat verschaft ons het genoegen van uw komst?’

De heer keek hem strak aan.

‘De dood.’

De Cock, niet in het minst geschokt, wees naar de degenstok in zijn rechterhand. ‘En daartegen biedt uw geheime wapen onvoldoende bescherming?’

Het klonk spottend.

Franciscus Froombosch klopte driftig met zijn wandelstok op de vloer. ‘Ik bedoel,’ riep hij kwaad, ‘de dood van mijn goede vriend Nicolaas van Noordeinde. Ik wilde hem vanmiddag bezoeken. Ik belde aan en er werd tot mijn verrassing opengedaan door een jonge vrouw in een bespottelijk lederen pakje, die mij ijzig mededeelde dat haar oom Nicolaas van Noordeinde was overleden en dus geen bezoek meer kon ontvangen.’

De Cock tuitte zijn lippen.

‘Onheus!’

Franciscus Froombosch snoof. Zijn neusvleugels trilden van boosheid. ‘Ik was zo verbouwereerd, zo verrast door haar houding, dat het mij niet lukte om haar adequaat van repliek te dienen. Als een stotterende schooljongen heb ik woorden van condoléance gesproken en ben weggegaan.’

De Cock keek hem verwonderd aan.

‘U kende haar toch… Nanette van Noordeinde, de nicht van uw vriend?’

Franciscus Froombosch knikte heftig.

‘Zeker ken ik haar. Een eigenwijs nest, die haar oom betuttelde als een onmondig kind. Ik heb in verband met haar wel eens tegen Nicolaas gezegd: “Jouw broer, de vader van dat kind, was beslist van alle pedagogische gaven gespeend.”’

De Cock lachte.

‘Ik heb van Nanette van Noordeinde ook niet de indruk gekregen dat zij erg op u is gesteld.’

Franciscus Froombosch zwaaide met zijn degenstok.

‘Dat is dan wederkerig.’

De Cock negeerde de opmerking.

‘Ze was van mening dat u een… eh, een meer dan gebruikelijke belangstelling voor de kostbare klokkenverzameling van haar oom had.’

Franciscus Froombosch kneep zijn ogen half dicht.

‘Wat bedoelde die bliksemse meid daarmee?’ riep hij achterdochtig uit.

De Cock trok zijn schouders op.

‘U zou gezegd hebben, dat het eeuwig zonde was dat Nicolaas van Noordeinde die fraaie klokkenverzameling bezat. Volgens u toonde uw vriend daar veel te weinig respect voor.’

Franciscus Froombosch knikte nadrukkelijk.

‘Dat was ook zo,’ reageerde hij opgewonden. ‘Ik aanschouw mijn mooie verzameling netsukes met stille bewondering… aanbidding. Maar Nicolaas was heel anders. Hij beschouwde zijn klokken als speeltjes. Soms zette hij op een dag alle uurwerken in gang en ging bij elk heel uur vol plezier naar al dat getingel, getangel, geklok en gebeier luisteren. Begrijpt u… dat bedoel ik… geen respect.’

De Cock glimlachte. Plotseling was wijlen de heer Nicolaas van Noordeinde hem bijzonder sympathiek. Hij hield van mannen, in wie het kind was blijven leven.

De grijze speurder trok zijn gezicht weer in een ernstige plooi en wuifde naar de man naast hem.

‘U zou dat nooit hebben gedaan… al die klokken laten spelen?’

Franciscus Froombosch schudde zijn hoofd.

‘De mogelijkheid dat een van die oude uurwerken het begeeft, zou mij daarvan weerhouden.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Toen ik u vroeg wat ons het genoegen verschafte van uw komst, zei u: de dood… de dood van uw goede vriend Nicolaas van Noordeinde.’ De oude rechercheur zweeg even. ‘Hebt u daaraan nog iets toe te voegen… iets wat voor ons van belang kan zijn?’

Franciscus Froombosch boog zijn hoofd.

‘Ik vroeg mij af wat er met zijn klokkenverzameling is gebeurd.’

De Cock keek hem strak aan.

‘Die is weg.’

Het gezicht van Franciscus Froombosch versomberde.

‘Daar was ik al bang voor,’ sprak hij traag knikkend en met een hese stem. ‘Daar was ik al bang voor. Drie van ons Klavertje van Vier heeft hij nu al te pakken.’ De oude heer keek naar De Cock op. In zijn ogen lag een smekende blik. Met een beverige hand hield hij zijn wandelstok omhoog. ‘U hebt gelijk… ik vrees dat mijn oude degenstok tegen de dood een onvoldoende wapen is. U moet mij helpen… mij beschermen. Ik wil mijn fraaie verzameling netsukes niet kwijt… en bovenal… ik wil niet dood.’


De Cock keek de oude Franciscus Froombosch na toen die met gebogen hoofd, zijn degenstok tikkend tegen de vloer, de recherchekamer uit stapte. Het was de grijze speurder wat vreemd te moede. Was er een gevaar dat de oude man bedreigde? Wat voor een gevaar? En als er al een gevaar was… hoe kon hij hem daartegen afdoende beschermen?

Vledder keek naar de grote klok boven de deur.

‘Het is alweer elf uur,’ mompelde hij.

De jonge rechercheur blikte naar De Cock.

‘Gaan we naar huis?’ vroeg hij geeuwend.

De grijze speurder knikte.

‘Ga jij maar. Morgenochtend zien we elkaar weer.’

Vledder keek hem verbaasd aan.

‘Ga jij niet?’

De Cock schudde zijn hoofd. Hij rolde zijn bureaustoel op wieltjes wat naar achter en stond op.

‘Ik heb nog een missie,’ sprak hij raadselachtig. ‘Een bezoek aan een oude vriend.’ Licht waggelend slenterde hij naar de kapstok, wurmde zich in zijn regenjas, pakte zijn oude hoedje op en schoof het achter op zijn hoofd. Zwaaiend liep hij de recherchekamer uit.

Via de Oudebrugsteeg, de Nieuwezijds Kolk, langs het Korenmetershuisje liep hij naar de Nieuwezijds Voorburgwal en stak de rijbaan over. Na een paar steegjes kwam hij op de Blauwburgwal en bereikte via de Heren- en de Prinsenstraat, de Prinsengracht.

Peinzend sjokte hij over het smalle trottoir. Het was stil op de gracht, bijna beangstigend stil. Het geraas van het verkeer was ver weg. Langs de wallenkant tussen de bomen scharrelde een eenzame rat.

De Cock merkte hem niet op. De doden in hun mallotige maillots spookten door zijn gedachten. Was het moord… moord zonder vergif… zonder verwondingen… zonder letsel?

Hij stak de rijbaan van de Westerstaat over en liep naar de Noordermarkt. Achter de hervormde kerk, voor een klein huisje met een groot hoog raam, bleef hij staan. Midden op de ruit, in sierlijke krulletters, stond Peter Karstens en daaronder, in letters van veel kleiner formaat, schilder-kunstenaar.

De Cock schoof de mouw van zijn regenjas iets omhoog en keek op zijn horloge. Het was tien voor half twaalf. Hij gleed met duim en wijsvinger over zijn neusvleugels en grinnikte. ‘Een onchristelijke tijd voor een bezoek,’ mompelde hij binnensmonds. Toch rukte hij met enig welbehagen aan de glimmend gepoetste koperen trekker.

Ver weg, in het inwendige van het huis, rinkelde een bel. De Cock voelde zich niet bezwaard. Hij kende reeds lang de gewoonten van de bewoner en wist dat die meestal tot diep in de nacht in de weer was.

Het duurde nog geen twee minuten, of de deur werd geopend. Een man met donkerblond warrig haar, gekleed in een slobberbroek en een glanzende zwartzijden blouse, keek hem aan. De wenkbrauwen gefronst. Zijn grote bruine ogen glommen van verwondering.

‘De Cock,’ riep hij verrast. ‘Wat haal jij in je hoofd! Dit is toch geen uur om iemand te arresteren?’

De Cock lachte.

‘Je moet niet van die akelige dingen zeggen,’ sprak hij bestraffend. ‘Ik kom gewoon even op bezoek.’

De kunstenaar aarzelde even. Toen maakte hij een lichte buiging en spreidde zijn armen. In zijn blouse met wijde mouwen was dat een sierlijk gebaar.

‘Ambtelijk grootinquisiteur… snood en geniepig belager van weduwen, maagden en wezen,’ schertste hij breed lachend, ‘treed binnen.’

De Cock reageerde niet. Hoofdschuddend stapte hij langs hem heen. Na het voorportaal belandde hij in een hoog, diep vertrek. Het was er schemerig. Het enige licht kwam van een straatlantaarn voor het huis, aan de rand van het trottoir. Het wierp lange schaduwen over ezels met half afgemaakte schilderijen.

Peter Karstens ging De Cock voor naar een trap, die aan het einde van het vertrek draaiend omlaag liep. Na een korte smalle gang kwamen ze in een intieme ruimte met een lage zoldering.

Op een ruwhouten tafel brandden flakkerend een paar kaarsen naast flessen rode wijn en fraai geslepen kristallen bokalen. Twee ervan waren half gevuld.

De Cock keek rond. Plotseling ontdekte hij een jonge vrouw. Hij schatte haar op achter in de twintig. Ze zat schuin op een brede leren bank. In het halfduister had hij haar aanvankelijk niet opgemerkt. Ze was mooi, vond hij, uitzonderlijk mooi. In het schijnsel van het kaarslicht was ze van een bijna serene schoonheid. Haar huid glansde zacht. Boven een korte zwarte rok met een split droeg ze een ruim geplooide blouse, die haar boezem nauwelijks verhulde. Lang zwart haar golfde over haar halfblote schouders. Toen ze even bewoog, zag De Cock dat het split in haar rok tot heel hoog reikte. Het maakte hem wat duizelig. Zijn puriteinse ziel raakte bij een dergelijke aanblik altijd wat in de war.

Peter Karstens wees in haar richting.

‘Mag ik je even voorstellen… Maria.’ De kunstenaar aarzelde. ‘Of was ze er de vorige keer ook al?’

De Cock slikte.

‘Ze… eh, ze was er de vorige keer ook al,’ antwoordde de grijze speurder timide. ‘En… eh, ze is nog steeds even mooi.’

Peter Karstens stak zijn armen omhoog.

‘Luister,’ galmde hij ontroerd, ‘een wonder… een absoluut wonder… een ambtenaar met gevoel voor schoonheid.’

In zijn stem trilde een ondertoon van spot.

De Cock ging er achteloos aan voorbij. De spot deerde hem niet. Hij wist dat de kunstenaar voortdurend met de maatschappij in onmin leefde. Peter Karstens was een vrijbuiter, een boekanier met een ontembare kunstenaarsziel, die niet paste in het keurslijf van een geordende samenleving.

Peter Karstens wees naar de flessen op de ruwhouten tafel. ‘Een verrukkelijke bourgogne,’ riep hij opgetogen. ‘Een Savigny-les-Beaune van een gezegend wijnjaar.’ De kunstenaar pakte een schoon glas en schonk behoedzaam in. Daarna keek hij op. ‘Je drinkt toch een glas mee?’

De Cock knikte nadrukkelijk.

‘Graag.’

De schilder zette de fles op tafel terug en ging tegenover hem op de bank zitten. Om zijn mond gleed een zoete glimlach. ‘Gewoon op bezoek,’ sprak hij spottend. Hij blikte op zijn horloge. ‘Een ambtenaar… op dit uur.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Het spijt me, maar daar geloof ik niet in.’

De Cock reageerde niet direct. Hij pakte zijn glas op en proefde. De wijn was werkelijk voortreffelijk.

‘Je weet,’ sprak hij met het glas nog in zijn hand, ‘dat ik een grote bewondering heb voor schilders van het impressionisme: Monet, Renoir, Cézanne, Toulouse-Lautrec.’ Hij zette zijn glas voorzichtig voor zich neer. ‘Ik heb kort geleden een man ontmoet,’ ging hij verder, ‘die bezeten was van de schilderijen van Marc Chagall.’ De oude rechercheur zweeg even, peilde de reacties op het gezicht van Peter Karstens. ‘Hij kocht ze al toen Marc Chagall nog geen naam had gemaakt… nog niet beroemd was. Toen de man stierf hingen er nog steeds schilderijen van Marc Chagall aan de wanden van zijn huis. Zij waren alleen niet echt meer… niet origineel… maar kunstige vervalsingen.’

De grijze speurder zweeg opnieuw. Hij boog zich vertrouwelijk naar voren.

‘Peter… wie gaf jou die opdracht?’

De kunstenaar glimlachte.

‘Hoe weet je zo zeker dat ik die valse Chagalls heb gemaakt?’

De Cock plukte aan zijn onderlip.

‘Ik weet uit ervaring hoe mooi jouw impressionisten zijn.’

De kunstenaar pakte zijn glas op, keek hem aan, maar antwoordde niet.

Een lichte wanhoop maakte zich van De Cock meester. Hij stak zijn beide handen gespreid naar voren. ‘Peter… er sterven op onverklaarbare wijze mannen gekleed in mallotige maillots… en daarna is hun kunstverzameling weg… gestolen. Ik zoek naar de man of de vrouw die daarvoor verantwoordelijk is.’

Peter Karstens keek hem opnieuw secondenlang aan. Toen, na enige aarzeling, wendde hij zich tot Maria naast hem op de bank. ‘Pak even die visitekaartjes,’ gebood hij haar.

Maria kwam omhoog en sloeg een been over de rug van de leren bank. Een tweede been volgde. De Cock hield zijn adem in. Verbijsterd keek hij toe en het bloed steeg hem naar het hoofd. Onder haar korte rokje droeg Maria niets. Heupwiegend gleed ze naar een notenhouten kabinetje aan de wand. Uit een verticaal vakje nam ze een stapeltje kaartjes en reikte die Peter Karstens aan. De kunstenaar legde de visitekaartjes voor zich op tafel en nam ze stuk voor stuk door.

‘Het was een Engelsman,’ sprak hij zacht, mijmerend, ‘een statige Engelsman met een bijna Amerikaans accent.’ Zijn blik verhelderde. ‘Hier heb ik het… Sir Stephen Warwick-Benson.’

Загрузка...