Toen Franciscus Froombosch zwaaiend met zijn degenstok was vertrokken, viel er tussen de beide rechercheurs een diep stilzwijgen. Boven hun hoofden zoemde een defecte tl-balk en van buiten drong het geroezemoes van bekende straatgeluiden tot hen door: flarden muziek uit open cafédeuren, het lallen van een dronken sloeber, het felle krijsen van een hoer.
Het was Vledder, die na enige tijd het zwijgen verbrak.
‘Die oude heer Franciscus Froombosch,’ sprak hij misprijzend, ‘is een tobberd… een armzalige tobberd. Die man haalt zich van alles in zijn hoofd.’ Hij keek naar zijn oudere collega met een brede grijns op zijn jong gezicht. ‘Komt dat met het klimmen der jaren?’
De Cock trok zijn gezicht strak.
‘De oude heer Froombosch,’ sprak hij ernstig, ‘ervaart een gevoel van dreiging. Dat overkomt eenieder wel eens. Het heeft dan ook niets met leeftijd te maken. Zo’n gevoel van doodsdreiging kan heel wezenlijk zijn. En Franciscus Froombosch wil niet dood.’
Vledder grinnikte.
‘Wie wel… welke geestelijk normale man of vrouw, die recht van lijf en leden is, wil er dood? Dat ik-wil-niet-dood van die Franciscus Froombosch is in mijn oren een dwaze kreet.’ De jonge rechercheur schudde heftig zijn hoofd. ‘Bovendien mist dat gevoel van hem elke grond. Er bestaat voor de heer Froombosch geen enkele dreiging met de dood. Het zijn muizenissen… en niet meer dan dat.’
De Cock keek naar hem op.
‘Vind je?’ vroeg hij simpel.
Vledder knikte nadrukkelijk.
‘Zadok van Zoelen en Christiaan Cornelissen bezweken aan een hartverlamming. Laten we daar niet weer over beginnen… dat staat onomstotelijk vast. Dat ze beiden ook een kunstverzameling hadden is een pure toevalligheid. Het is onzinnig om daar een misdadig verband in te zoeken.’
De Cock wreef over zijn kin.
‘Ze stierven beiden in een mallotige maillot.’
Vledder spreidde zijn armen.
‘En wat zegt dat?’ riep hij uitdagend. ‘Hoeveel mensen dragen er een maillot? Duizenden, tienduizenden, honderdduizenden? Misschien nog wel meer. Als het dragen van een maillot al een misdaad is…’ De jonge rechercheur maakte zijn zin niet af.
De Cock schudde zijn hoofd. ‘Je moet zindelijk blijven redeneren,’ sprak hij bestraffend, ‘met redelijke argumenten. Natuurlijk is het dragen van een maillot niet strafbaar. Maar het feit dat beide kunstverzamelaars in een mallotige maillot stierven, geeft mij te denken… roept louter achterdocht in mij wakker.’
Vledder greep naar zijn hoofd en zuchtte diep. ‘Ik geef onmiddellijk toe,’ sprak hij ontmoedigd, ‘dat bij de vele zaken, die wij samen in het verleden hebben behandeld, jij het achteraf steeds bij het rechte eind had. Dat valt niet te betwisten. Maar ditmaal, De Cock…’
De jonge rechercheur stokte. Er werd op de deur van de recherchekamer geklopt. Hij kwam half uit zijn stoel overeind en riep: ‘Binnen!’
Het klonk niet vriendelijk.
De deur ging langzaam open en in de deuropening verscheen de kleine tengere gestalte van een man in een te lange regenjas. Over zijn vriendelijk muizensnuitje gleed een verlegen lachje.
De Cock kwam onmiddellijk vanachter zijn bureau vandaan en liep blij verrast op hem toe. ‘Smalle Lowietje,’ riep hij vrolijk, haast uitbundig. ‘Een dikke streep aan de balk. Ik kan het mij nauwelijks herinneren. Het is beslist jaren geleden dat je in hoogst eigen persoon naar de Kit kwam.’
De tengere caféhouder grinnikte.
‘Ik kom hier ook liever niet,’ sprak hij wat mistroostig. ‘Begrijp je, het is niet goed voor mijn image. Als ze mij hier naar binnen zien gaan, denken ze dat ik een versliecheraar ben.’
De Cock keek verholen naar de klok boven de toegangsdeur van de grote recherchekamer. ‘Het is bijna tien uur,’ stelde hij hardop vast. ‘De business is nu juist in volle gang. Kon je in je etablissement wel worden gemist?’
Smalle Lowietje schudde zijn hoofd.
‘Feitelijk niet. Ik zal het ook niet te lang maken. Ik heb even een vervanger in mijn etablissement gezet. En vervangers weet je… vervangers gappen van je… altijd.’ De caféhouder liet zich op de stoel naast het bureau van De Cock zakken en keek vragend omhoog. ‘Heb je al iets van dat antieke zilver boven water kunnen brengen?’
De Cock keek hem schuins aan.
‘Je bedoelt van oom Zadok?’
‘Ja.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Het is een ondoorzichtige affaire,’ sprak hij triest. ‘Ik weet echt niet wat ik ervan moet denken. En ik moet je eerlijk zeggen, dat ik er ook nog geen benul van heb in welke richting ik het moet zoeken.’
Smalle Lowietje verschoof iets op zijn stoel en tastte met een van zijn kleine handjes in een zijzak van zijn regenjas. Behoedzaam diepte hij daaruit een kleine zilveren beker op. Met een liefdevol gebaar zette hij de beker op het bureau van De Cock. Zijn oogjes glinsterden en op zijn vriendelijk muizensmoeltje lag een glimlach.
‘Kijk eens!’ riep hij triomfantelijk.
Met een blik vol ongeloof staarde de grijze speurder naar het zilveren kunstwerk op zijn bureau.
‘Wat is dat?’ vroeg hij onzeker.
Smalle Lowietje grijnsde.
‘Een doopbeker,’ riep hij enthousiast, ‘een echte zwaar zilveren antieke doopbeker met drijfwerk versierd. Uit 1854.’ De tengere caféhouder gebaarde levendig. ‘In de vorige eeuw gaven rijke en chique mensen zo’n mooi bewerkte zilveren beker als doopgeschenk. Ze lieten er dan aan de buitenkant de datum van geboorte in graveren en ook de initialen van het kind.’ Hij strekte zijn rechterwijsvinger naar de beker uit. ‘Moet je maar zien… hier in het midden… J.C.A.M. van K., geboren 21 juli 1854.’
De Cock plukte aan zijn onderlip.
‘Hoe kom je eraan?’
Smalle Lowietje friemelde aan een knoop van zijn te grote regenjas. ‘Gekocht,’ sprak hij vaag. ‘Vanmiddag, in mijn etablissement.’ Hij wuifde met een nonchalant gebaar in de richting van de zilveren beker. ‘Een paar tientjes handel.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Een paar tientjes?’
Zijn stem beefde van ongeloof.
De caféhouder knikte.
‘Een paar tientjes,’ herhaalde hij. ‘Meer wilde ik die junk er niet voor geven.’
‘Een junk?’
Smalle Lowietje knikte opnieuw.
‘Een junk. Ik ken hem verder niet. In de buurt van de pillenbrug[2] wordt hij de Rus genoemd.’
De Cock slikte. Met trillende hand wees hij naar de kleine zilveren beker voor zich op zijn bureau.
‘Uit… eh, uit de collectie van oom Zadok van Zoelen?’ vroeg hij beverig.
Smalle Lowietje knikte traag.
‘Geen twijfel mogelijk. Ik heb deze antieke doopbeker destijds zelf aan hem verkocht.’ Er gleed een zoete grijns over zijn vriendelijk muizensnuitje. ‘En voor aardig wat meer.’
‘Wanneer gaan we hem arresteren?’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Wie?’
Vledder keek hem verwonderd aan.
‘Wladimir Wiardibotjov.’
‘Waarom?’
Vledder grinnikte vreugdeloos.
‘Wat een vraag,’ riep hij hoorbaar geprikkeld. ‘Voor de diefstal van de antieke zilververzameling van Zadok van Zoelen. Je hebt gehoord wat Smalle Lowietje zei: hij had de doopbeker voor een paar tientjes gekocht van een junk… een junk, die op de pillenbrug de Rus wordt genoemd. Die bijnaam heeft hij ongetwijfeld te danken aan zijn vrijwel onuitspreekbare Russisch klinkende naam.’ De jonge rechercheur raakte geëmotioneerd. ‘Ook het signalement dat Smalle Lowietje van die junk gaf wijst op Wladimir Wiardibotjov… een zwarte slobbertrui met col en een vale spijkerbroek met bleekvlekken.’
De Cock glimlachte.
‘Zo lopen er in het junkenwereldje nog wel een paar rond.’ Hij zweeg even en keek geïnteresseerd naar de fraaie zilveren doopbeker, die Smalle Lowietje op zijn bureau had achtergelaten. ‘Een paar tientjes,’ mompelde hij ongelovig. De oude rechercheur besefte ineens ten volle waarom stelende junks nooit naar een heler behoefden te zoeken. Het kopen van gestolen goed kon erg profijtelijk zijn.
Zijn blik dwaalde van de zilveren doopbeker terug naar Vledder. ‘We zullen uiteraard voor een confrontatie moeten zorgen,’ ging hij verder, ‘Een confrontatie tussen Smalle Lowietje en… eh, en Wla… Wla… Wla-di-mir Wia… Wia… Wi-ar-di-bot-jov.’ Zijn tong struikelde over de vreemde naam.
‘En als Smalle Lowietje onze Wladimir Wiardibotjov herkent als de man, van wie hij in zijn etablissement voor een paar tientjes die zilveren doopbeker heeft gekocht?’ vroeg Vledder.
De Cock maakte een schouderbeweging.
‘Als Wladimir ons dan geen redelijke verklaring omtrent de herkomst van die doopbeker kan geven, dan overweeg ik zijn arrestatie.’
Vledder grijnsde breed.
‘Dus toch?’
Het klonk cynisch.
De Cock knikte.
‘Daarbij geldt,’ ging hij onverstoorbaar verder, ‘dat Wladimir ruimschoots in de gelegenheid is geweest om de diefstal te plegen. Hij kon gemakkelijk, vóór hij de politie van de dood van zijn oom verwittigde, de hele zilververzameling uit het huis aan de Keizersgracht weghalen… ongestoord.’ De grijze speurder pauzeerde opnieuw. Nadenkend. Hij stak zijn beide handen naar voren en drukte de vingertoppen tegen elkaar.
‘Toch heb ik een paar bezwaren tegen Wladimir Wiardibotjov als mogelijke dader.’
Vledder keek hem verbaasd aan.
‘Als Smalle Lowietje hem als de verkoper van die doopbeker herkent… wat wil je dan nog meer? Dan is de zaak toch rond? Wladimir moet ons dan alleen nog even vertellen waar hij de rest van de kunstverzameling heeft gelaten.’
De Cock keek bedenkelijk.
‘Die paar tientjes zitten me dwars.’
‘Waarom?’
‘Wladimir kende de verzameling van zijn oom Zadok en wist hoe kostbaar die was. Ik kan mij niet indenken dat hij een enkel stuk uit die verzameling voor een paar tientjes verkoopt.’
Vledder keek hem ongelovig aan.
‘Je weet hoe dat gaat met junks,’ riep hij opgewonden. ‘Als hun vergiftigd bloed om een shot schreeuwt, dan denken ze niet rationeel meer… dan is er geen ruimte meer voor overwegingen… voor een koel zakelijk overleg.’ De jonge rechercheur spreidde zijn armen. ‘Van dat ongecontroleerde, impulsieve misdadige gedrag kent de praktijk van ons recherchewerk toch tal van voorbeelden? Wladimir Wiardibotjov heeft geldzorgen… al geruime tijd.’ De jonge rechercheur schudde zijn hoofd. ‘Ik vind het niet zo vreemd dat hij die fraaie zilveren beker voor een appel en een ei heeft verkocht.’
De Cock keek naar hem op.
‘En hoe breng je Wladimir Wiardibotjov dan in verband met de dood van Christiaan Cornelissen?’
De mond van Vledder viel half open.
‘Moet dat?’ riep hij verrast. ‘Moet er een verband bestaan tussen de dood van Christiaan Cornelissen en Wladimir Wiardibotjov? Daartoe bestaat volgens mij geen enkele reden. Wladimir Wiardibotjov is een neef van oom Zadok van Zoelen en van oom Zadok van Zoelen is een zilververzameling gestolen. Punt uit. Ik heb het al vaker betoogd: het geval Christiaan Cornelissen staat daar volkomen buiten.’
De Cock sloot even zijn ogen en zuchtte. Daarna keek hij omhoog naar de grote klok. Het was al kwart over elf. Hij kwam zacht kreunend uit zijn stoel overeind. ‘Ik ga naar huis. Het is mooi geweest voor vandaag. Morgen is er een nieuwe dag… misschien dat ik je er dan van kan overtuigen dat de dood van Zadok van Zoelen en de dood van Christiaan Cornelissen geen twee op zichzelf staande gevallen zijn.’ Hij borg de doopbeker voorzichtig in een lade van zijn bureau en sloot die af. Daarna slofte hij zichtbaar vermoeid naar de kapstok.
Vledder kwam hem na. ‘Zorg dat je morgenochtend een beetje op tijd in de recherchekamer bent.’
De Cock wurmde zich in zijn regenjas. ‘Op tijd?’ Hij grinnikte vrolijk. ‘Dat is tegen mijn gewoonte.’
Vledder knikte. ‘Precies. Daarom vraag ik het je ook.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen. ‘Wat wil je dan?’
Vledder zwaaide geagiteerd. ‘Zo vroeg mogelijk op pad om Wladimir Wiardibotjov van zijn bed te lichten.’
De Cock keek zijn jonge collega secondenlang aan. Toen schudde hij verwijtend zijn hoofd. ‘Onverbeterlijke stijfkop.’
Vledder grijnsde. ‘Stijfkop,’ herhaalde hij gnuivend. ‘Heb je wel eens in een holle spiegel gekeken?’
De Cock reageerde niet. Hij voelde zich te vermoeid voor een wederzijdse karakterontleding. Omzichtig schoof hij zijn oude hoedje over zijn stugge grijze haren en liep in zijn zo typische slentergang naar de deur.
Vrijwel op hetzelfde moment stormde een jongeman met een gejaagde blik in zijn ogen de recherchekamer binnen. Zijn gezicht zag rood en zijn blonde haren lagen verward om zijn hoofd.
De oude rechercheur keek hem verwonderd aan.
‘Christiaan Cornelissen,’ riep hij bezorgd, ‘wat is er gebeurd?’
De jongeman gebaarde heftig.
‘Ze zijn vals.’ Hij viel op een stoel neer en verborg zijn hoofd in zijn handen. ‘Ze zijn vals.’
De Cock liep op hem toe en trok zijn handen van zijn gezicht weg.
‘Wie zijn vals?’ vroeg hij scherp.
Christiaan Cornelissen slikte. ‘Marc Chagall… al de schilderijen van Marc Chagall in het huis van mijn oom zijn vervalsingen.’