Ze reden via de Apollolaan, de Churchilllaan, de Vrijheidslaan en de Berlagebrug terug naar de binnenstad. Het regende nog steeds. De ruitenwissers van de Golf zwiepten heen en weer. Om aan de kracht van hun magische hypnose te ontkomen, liet De Cock zich, na een korte worsteling met zijn autogordels, ver onderuitzakken.
Vledder blikte van opzij op hem neer.
‘Ga je er echt mee door?’
‘Waarmee?’
‘Het onderzoek naar die verdwenen verzameling antiek zilver.’
De Cock knikte traag.
‘Je moet morgenochtend maar eens zien uit te vissen welke dokter van de Geneeskundige Dienst bij Zadok van Zoelen de doodschouw heeft verricht. De hele affaire zal wel nooit bij de recherche terecht zijn gekomen, maar de beide dienders, die bij de lijkvinding aanwezig waren, zullen daarvan zeker een rapport hebben opgemaakt. Misschien staan in dat rapport wel bijzonderheden, die wij voor ons onderzoek kunnen gebruiken.’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Waarom wil je weten welke dokter de doodschouw heeft verricht?’ vroeg hij met hoorbare vertwijfeling. ‘Dat is toch niet belangrijk? Die oom Zadok stierf een natuurlijke dood.’
De Cock knikte.
‘In een mallotige maillot.’
Vledder wond zich zichtbaar op.
‘Mag iemand in een maillot sterven?’ reageerde hij ongewoon fel. ‘Desnoods een mallotige maillot… als hij daar zin in heeft?’
De Cock trok rimpels in zijn voorhoofd.
‘Het is nog maar de vraag of oom Zadok er zin in had om te sterven.’
Vledder liet even het stuur van de Golf los en en sloeg zijn handen voor zijn gezicht.
‘De Cock,’ riep hij verbijsterd, ‘je bent een onmogelijke kerel. Oom Zadok had een zwak hart… en dat zwakke hart vond het op een zeker moment genoeg… had er geen zin meer in om verder te kloppen… begrijp je… het ging stilstaan en daar kunnen sterfelijke mensen niet zo best tegen… ook oom Zadok niet.’
De Cock negeerde de cynische uitleg van zijn jonge collega. Hij keek schuin omhoog.
‘Wat vond je van Wladimir Wiardibotjov?’ veranderde hij van onderwerp.
Vledder trok zijn schouders op.
‘Men mag iemand niet op zijn uiterlijk beoordelen,’ antwoordde hij brommend, ‘maar hij zag er onfris en onverzorgd uit.’
De Cock knikte instemmend.
‘Je moet bedenken,’ sprak hij vergoelijkend, ‘dat hij met weinig financiële middelen een oude, zieke en dove moeder moet verzorgen.’
Vledder grijnsde. ‘Doof?’ riep hij uit. ‘Ik heb tijdens het gesprek, dat jij met haar zoon Wladimir had, goed op haar gelet. Volgens mij is dat oude mens helemaal niet doof. Ik kreeg sterk de indruk dat ze alles wat er werd gezegd woordelijk volgde. Toen we weggingen, heb ik werkelijk een moment in tweestrijd gestaan of ik achter de rug van haar stoel nog even snel boe zou roepen om te zien hoe ze daarop reageerde.’
De Cock lachte vrijuit.
‘Misschien krijg je die kans nog eens.’
Voorzichtig manoeuvrerend parkeerde Vledder hun nieuwe politiewagen op de gladde houten steiger boven het water van het Damrak.
De beide rechercheurs stapten uit en slenterden via de Oudebrugsteeg terug naar de Warmoesstraat. Het was er druk, ondanks de nog steeds gestaag vallende regen. Toen ze de hal van het bureau binnenstapten, wenkte Jan Kusters hen vanachter de balie.
De Cock liep op hem toe. ‘Wat heb je op je lever?’
De wachtcommandant schudde zijn hoofd. ‘Ik heb niets op mijn lever.’ Hij wees brommend omhoog. ‘Er zit boven een man op je te wachten.’
‘Iemand van hier uit de buurt?’
Jan Kusters trok zijn schouders op. ‘Ik ken hem niet,’ sprak hij weifelend. ‘Een heer… een deftige grijze nestor… vrij oud… van jouw leeftijd, schat ik.’
De Cock trok een grimas. ‘Leuk.’
Jan Kusters lachte. ‘Ik wist niet dat jij zo gevoelig was.’
‘Naam?’
‘Heb ik niet naar gevraagd.’
De Cock draaide zich om, liep naar de trap en klom, voor een vrij oude man opmerkelijk kwiek, omhoog. Vledder volgde.
Op de bank op de tweede etage zat een heer in een lange, groene loden jas en met een jagershoedje op met een pluim. Met beide handen steunde hij op een wandelstok, die hij tussen zijn knieën had geklemd. Toen hij de rechercheurs in het oog kreeg, kwam hij snel overeind en bleef martiaal kaarsrecht staan tot ze hem waren genaderd. Zijn wandelstok hield hij als een geweer bij zijn rechtervoet.
Hij keek de grijze speurder scherp aan.
‘Heer De Cock?’
De oude rechercheur knikte. ‘Met ceeooceekaa… om u te dienen.’
De heer maakte een korte stijve buiging. ‘Mijn naam is Franciscus… Franciscus Froombosch. Ik heb op uw komst gewacht.’
De Cock glimlachte. ‘Dat is heel attent van u,’ sprak hij vriendelijk. ‘Ik hoop dat het niet te lang heeft geduurd.’ De grijze speurder ging de heer voor naar de grote recherchekamer en liet hem op de stoel naast zijn bureau plaatsnemen. Tot zijn verwondering gebruikte hij zijn wandelstok niet om er op te steunen.
De Cock trok zijn wenkbrauwen iets op.
‘U bent slecht ter been?’
Franciscus Froombosch schudde resoluut zijn hoofd. Hij hield zijn wandelstok schuin voor zich uit.
‘Dit lijkt op een wandelstok en men kan hem uiteraard ook als zodanig gebruiken, maar het is geen wandelstok… het is een ouderwetse degenstok… nog van mijn grootvader geërfd.’ De heer drukte iets onder het handvat op een knopje en in een flitsende beweging verscheen uit het inwendige van de wandelstok een vlijmscherpe stalen kling.
De Cock schudde verwijtend zijn hoofd. ‘Zo’n degenstok mag u op de openbare weg niet dragen. Dat is bij de wet verboden.’
Franciscus Froombosch grinnikte.
‘Er is zoveel bij de wet verboden,’ sprak hij achteloos. ‘Maar ik voel er nu eenmaal niets voor om ’s avonds ongewapend door de Amsterdamse binnenstad te lopen.’ Hij schoof de scherpe stalen kling weer zorgvuldig in het inwendige van de degenstok. ‘En als het nodig is maak ik er gebruik van.’
De Cock liet het onderwerp degenstok rusten. Hij was niet van plan om de heer zijn geheime wapen af te nemen.
‘Hoe komt u aan mijn naam?’
‘Van Ellen.’
‘Ellen van Zoelen?’
Franciscus Froombosch knikte. ‘Ze had tussen de papieren van haar overleden oom Zadok van Zoelen mijn naam, adres en telefoonnummer gevonden. Ook een korte briefwisseling tussen hem en mij over een zilveren kandeelkom, die ik in mijn bezit had. Die Ellen belde mij vanavond op en vroeg mij of ik haar oom Zadok goed had gekend en welke relatie ik met hem had.’
‘En… welke relatie had u met hem?’
Franciscus Froombosch gebaarde voor zich uit.
‘We ontmoetten elkaar vaak op kunstveilingen. Hij was geïnteresseerd in oude zilveren gebruiksvoorwerpen en ik in netsukes.’
De Cock keek verrast op. ‘In wat?’
Franciscus Froombosch lachte. ‘Netsukes. Een netsuke,’ legde hij geduldig uit, ‘is een klein, kunstig snijwerkje, een sculptuur… vaak een dierfiguur, maar ook goden en demonen komen voor.
Een netsuke werd in vroeger tijden door de Japanners gebruikt als afsluiting van een koord, waaraan ze allerlei voorwerpen droegen… tabakszak, geldbuidel, snuif- en medicijndozen. Ze zijn er van edelhout of ivoor, maar ook van jade en koraal. Vooral oude netsukes, die uit de veertiende en vijftiende eeuw stammen, de Ashikaga-periode, zijn zeer kostbaar… een ton en meer. Ik schat mijn eigen verzameling netsukes toch zeker op anderhalf miljoen.’
De Cock floot tussen zijn tanden. ‘Dat is nogal wat,’ reageerde hij onthutst.
Franciscus Froombosch knikte. ‘Ik zou u graag nog veel meer over de netsuke willen vertellen. U moet bij mij thuis maar eens komen kijken. Dan kan ik u verschillende fraaie modellen laten zien… subtiele kunstwerkjes, met liefde en oneindig veel geduld gemaakt.’
De Cock gebaarde in zijn richting.
‘U verzamelt geen antiek zilver?’
Franciscus Froombosch schudde zijn hoofd.
‘Uiteraard heb ik er wel verstand van. Ik heb mij van kinds af aan al met kunst en kunstvoorwerpen beziggehouden. Maar mijn kennis is toch niet te vergelijken met hetgeen Zadok van Zoelen van antiek zilver wist. Dat was werkelijk fabelachtig. Zijn verzameling zilveren gebruiksvoorwerpen was dan ook heel bijzonder. Ik schat de waarde daarvan zeker op een miljoen.’
De Cock slikte.
‘Een miljoen,’ riep hij ongelovig.
Franciscus Froombosch knikte.
‘Zeker. Ik zou maar eens informeren voor hoeveel Zadok van Zoelen zijn verzameling had verzekerd.’
De Cock spreidde zijn handen.
‘En die hele verzameling is verdwenen.’
Franciscus Froombosch liet zijn hoofd iets zakken.
‘Ik weet het,’ reageerde hij somber. ‘Die Ellen vertelde mij, dat zij de enige erfgename was van de bezittingen van haar oom Zadok en dat ze had geconstateerd dat de kostbare zilververzameling van haar oom was verdwenen… of ik daar enige opheldering over kon geven.’
De Cock keek hem gespannen aan. ‘En… kunt u dat?’
Franciscus Froombosch antwoordde niet direct. Hij staarde enige tijd voor zich uit. ‘Zadok van Zoelen had een neef… ik heb hem een keer bij hem thuis ontmoet… een vreemde ongewassen jongeman met een Russische naam.’
‘Wladimir?’
Franciscus Froombosch knikte met een ernstig gezicht. ‘Volgens Zadok van Zoelen was hij verslaafd en voortdurend op geld uit.’