7

Het vale gezicht van commissaris Buitendam, de lange statige politiechef van bureau Warmoesstraat, stond op storm. Zijn neusvleugels trilden en de kleine ogen onder zijn borstelige wenkbrauwen fonkelden kwaadaardig. Hij wuifde met een slanke hand wat bruusk naar de stoel voor zijn bureau. ‘Ga zitten, De Cock,’ sprak hij geaffecteerd. ‘Ik moet met je spreken.’

De Cock monsterde het gezicht van zijn chef en koos voor de aanval. ‘Als het u hetzelfde is,’ reageerde hij nonchalant, ‘ik blijf liever staan.’

Buitendam kuchte.

‘Zoals je wilt,’ sprak hij kortaf. Hij rommelde zichtbaar nerveus in een stapel paperassen op zijn bureau en raadpleegde een notitie. ‘De heer Medhuizen,’ opende hij op plechtige toon, ‘onze nieuwe officier van justitie, heeft mij enkele minuten geleden gebeld. Hij was nogal ontstemd.’

De Cock veinsde verbazing.

‘Zo,’ reageerde hij quasi geschokt, ‘dat is bijzonder vervelend. Ik moet zeggen… het stemt mij droevig.’

Het klonk spottend.

Commissaris Buitendam negeerde de opmerking en de spot.

‘Jij hebt je vanmorgen,’ ging hij onverstoorbaar verder, ‘buiten mij om… in verbinding gesteld met onze officier van justitie met het verzoek om door de patholoog-anatoom dokter Rusteloos een gerechtelijke sectie te doen verrichten op het lijk van…’ Hij zweeg even en raadpleegde zijn notitie. ‘…van ene Christiaan Cornelissen.’

De Cock knikte.

‘Buiten u om… u was vanmorgen niet op het bureau aanwezig en ook niet bereikbaar. Ik wilde geen tijd verloren laten gaan.’

Commissaris Buitendam wuifde voor zich uit.

‘Maar waarom die gerechtelijke sectie?’

De Cock keek zijn chef ongelovig aan.

‘Omdat ik wilde weten wat de doodsoorzaak was… waaraan die Christiaan Cornelissen was overleden.’

‘Was er dan sprake van misdrijf?’

De Cock, opnieuw geraakt door zijn intuïtie, dwong zich met moeite tot kalmte.

‘In combinatie,’ antwoordde hij geduldig, ‘met de dood van ene Zadok van Zoelen vorige week… onder bijna identieke omstandigheden… achtte ik misdrijf niet uitgesloten.’

Commissaris Buitendam schraapte zijn keel.

‘De heer Medhuizen heeft… eh, gezien jouw verleden… jouw reputatie als rechercheur… dat verzoek tot het doen van een gerechtelijke sectie ingewilligd. Maar tot zijn verbazing berichtte dokter Rusteloos hem vanmorgen na afloop, dat er aan en in het lichaam van die Christiaan Cornelissen geen sporen of aanwijzingen waren, die op enig misdrijf duidden. Volgens de patholoog-anatoom was die man een natuurlijke dood gestorven. Dat die Christiaan Cornelissen aan een gewone hartverlamming overleed, was, zo meende dokter Rusteloos, aan geen twijfel onderhevig.’

De Cock knikte gedwee.

‘Dat heb ik inmiddels vernomen.’

Het klonk berouwvol.

Commissaris Buitendam grijnsde. In zijn fletse ogen vonkte een twinkeling van triomf. Hij richtte zich iets op en keek De Cock als een vertoornde vader aan.

‘Zo’n gerechtelijke sectie,’ sprak hij streng vermanend, ‘kost tijd en geld. Veel geld. Het is alles bijeen een kostbare aangelegenheid. Daar zijn gelden van de gemeenschap mee gemoeid. En als je de begrotingsdebatten in de Tweede Kamer wel eens volgt, dan weet je… althans kun je weten… dat het budget van politie en justitie uiterst beperkt is.’ Hij zweeg even om op adem te komen. ‘Het is jouw taak,’ ging hij gedragen verder, ‘om met die gemeenschapsgelden uiterst zorgvuldig om te gaan en die niet te verspillen… onnodig… aan… eh, aan speculaties… wilde speculaties ontsproten aan jouw… eh, jouw vaak ongebreidelde fantasie.’

De oude rechercheur voelde hoe de woede opnieuw zijn aderen binnenkroop. Zacht, maar onstuitbaar. De neerbuigende toon van de commissaris prikkelde de gevoelige uiteinden van zijn zenuwen.

Bovendien vertelde zijn hart hem, dat hij, De Cock, gelijk had, namelijk dat de dood van Zadok van Zoelen en Christiaan Cornelissen met een misdadig, geheimzinnig waas omgeven was.

Die mistige misdadige sluier op te lichten… daarvan, zo besloot hij, kon geen commissaris van politie of een ontstemde officier van justitie hem weerhouden.

Om de golven adrenaline in zijn bloed te bedwingen drukte hij zijn nagels in de palm van zijn handen en klemde zijn lippen op elkaar. Uiterlijk kalm, uitdagend, strijdbaar, zette hij zijn voeten iets uiteen.

‘Wanneer,’ siste hij tussen zijn tanden, ‘van een lijk de schedel is gekliefd, er kogelgaten in zijn bast zitten en uit zijn rug een dolk steekt, kan de grootste idioot zien dat er sprake is van misdrijf… zelfs een fantasieloze commissaris kan dat. Maar als…’

Verder kwam hij niet. Het gezicht van Buitendam kleurde felrood. Zijn onderlip trilde. Met een gebaar van ingehouden woede strekte hij zijn arm naar de deur.

‘Eruit!’

De Cock ging.


Vledder keek naar hem op.

‘Was het weer zover?’

De Cock knikte met een bedroefd gezicht.

‘Buitendam verweet mij over een ongebreidelde fantasie te beschikken.’

Vledder lachte.

‘Misschien heeft hij ook wel gelijk.’

De Cock negeerde de opmerking.

‘Ik kreeg van hem een ernstige reprimande. Ik zou gelden van de gemeenschap verkwisten door dure gerechtelijke secties te laten verrichten op mensen die gewoon een natuurlijke dood zijn gestorven.’

Vledder snoof.

‘Christiaan Cornelissen.’

‘Precies… Christiaan Cornelissen. Dokter Rusteloos deed na afloop van de sectie verslag aan de officier van justitie en meester Medhuizen lichtte onze commissaris in.’

Vledder grinnikte.

‘En die vond het nodig om jou op het matje te roepen.’ De jonge rechercheur ademde diep. ‘Och, ik kan het wel met hem eens zijn.’

De Cock schudde resoluut zijn hoofd.

‘Ik niet. En dat heb ik hem ook gezegd… heel duidelijk en plastisch.’ De oude rechercheur maakte een hulpeloos gebaar. ‘Toen werd Buitendam kwaad en stuurde mij zijn kamer uit.’

Vledder keek hem verwijtend aan.

‘Het is telkens hetzelfde. Je moet eens aan die man zijn hart denken.’

De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.

‘Hart,’ herhaalde hij nadenkend. ‘Hart.’ Ineens draaide hij zich om en beende naar de kapstok.

Vledder kwam achter zijn bureau vandaan en liep hem achterna.

‘Waar ga je heen?’

‘Naar de Churchilllaan.’

De jonge rechercheur keek hem verbaasd aan.

‘Wat is daar?’

De Cock antwoordde niet. Hij trok zijn oude regenjas aan en schoof zijn hoedje over zijn grijze haar.

‘Wat is daar?’ herhaalde Vledder geprikkeld.

De Cock grijnsde.

‘Gisteren even niet bij de les geweest?’ vroeg hij met een zweem van sarcasme. ‘Daar is de praktijk van dokter Sietse Schuringa.’


Vledder zocht en vond voor hun nieuwe Golf een krap parkeerplaatsje in de Jekerstraat. De beide rechercheurs stapten uit en slenterden via de Maasstraat naar de Churchilllaan.

Op het brede trottoir staarde De Cock verrast naar een mededeling achter het raam. ‘De praktijk van dokter Schuringa,’ las hij hardop, ‘wordt tijdelijk waargenomen door dokter Kloosterveen aan de Amstelkade.’

Vledder las over zijn schouder mee.

‘Je hebt pech.’

De Cock reageerde niet. Hij liep naar de deur van de praktijk en drukte op de bel. Er kwam geen reactie.

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Er is niemand.’

De Cock belde opnieuw. Langdurig.

Na enkele minuten werd de deur geopend door een jonge vrouw in een smetteloos wit nauwsluitend jasschort. Om haar mond lag een verbeten trek. Ze boog zich iets voorover en wees geagiteerd naar de mededeling achter het raam.

‘Dokter Schuringa is er niet.’

De Cock nam beleefd zijn hoedje af en maakte een lichte buiging.

‘U bent Monique?’

De jonge vrouw knikte traag. In haar ogen lag argwaan.

‘Monique van Montfoort,’ antwoordde ze bedeesd.

‘U bent de assistente van dokter Schuringa?’

‘Inderdaad.’

De oude rechercheur boog opnieuw.

‘Mijn naam is De Cock… met ceeooceekaa.’ Hij duimde opzij. ‘En dit is mijn collega Vledder. Wij zijn rechercheurs van politie.’

Monique van Montfoort fronste haar wenkbrauwen.

‘Rechercheurs?’

De Cock knikte.

‘Van het bureau Warmoesstraat. Wij wilden even praten over enige patiënten van dokter Schuringa.’

Monique van Montfoort schudde haar hoofd.

‘Dokter is er niet.’

De Cock glimlachte.

‘Dat hebben we inmiddels begrepen,’ reageerde hij beminnelijk. ‘Maar misschien kunt u ons met een paar inlichtingen van dienst zijn?’

De assistente aarzelde even. Toen deed ze de deur verder open en ging de beide rechercheurs voor naar een betrekkelijk klein vertrek met een bureau. Ze wuifde om zich heen. ‘Dit is mijn domein.’ Er kwam een glimlach op haar gezicht. ‘Ik zal uit de wachtkamer even twee stoelen voor u halen.’

De Cock keek haar na toen ze heupwiegend het vertrek verliet. Neef Christiaan had gelijk, vond hij, Monique van Montfoort was een welgevormde, imponerende schoonheid. Haar lange golvende haren dansten glanzend op haar rug. Ze hadden de zachte warme kleur van ongepelde hazelnoten.

Monique van Montfoort kwam terug en zette twee stoelen neer. ‘Over welke patiënten gaat het?’ vroeg ze vriendelijk.

De Cock lette op haar reacties.

‘Zadok van Zoelen en Christiaan Cornelissen.’

Monique van Montfoort reageerde verrast.

‘De heer Van Zoelen is dood… vorige week gestorven.’

De Cock trok zijn gezicht strak.

‘De heer Cornelissen is ook dood.’

Monique van Montfoort keek hem met haar grote bruine ogen verschrikt aan. ‘Is… is de heer Cornelissen gestorven?’ stamelde ze.

De Cock knikte.

‘Gisteren… hartverlamming.’

Ze sloeg haar rechterhand voor haar mond. ‘Wat vind ik dat erg. De heer Cornelissen was zo’n aardige man.’

‘U hebt hem goed gekend?’

Monique van Montfoort maakte een schouderbeweging.

‘De heer Cornelissen was een patiënt van dokter Schuringa… al vele jaren. Een gezellige man… maakte graag een praatje. Hier met mij in dit kamertje. Dan pakte ik een stoel voor hem. Soms kwam zijn neef mee en dan babbelden we wat over zijn kunstverzameling… hij was bezeten van een of andere Franse schilder.’

‘Marc Chagall.’

In de ogen van Monique van Montfoort kwam een glimp van herkenning. ‘Ja, Marc Chagall.’

De Cock tastte in een steekzak van zijn regenjas en diepte daaruit een doosje met medicijnen op. Hij reikte het haar aan. ‘Deze medicijnen heb ik bij de heer Cornelissen thuis gevonden.’

Monique van Montfoort bekeek het doosje en knikte.

‘Pulvis foliae digitalis.’

De Cock trok zijn neus op.

‘Wat?’

Monique van Montfoort lachte.

‘Vrijwel alle hartpatiënten krijgen digitalispreparaten voorgeschreven. Het bewerkstelligt een verhoging van het prestatievermogen en een betere doorbloeding van de hartspier. Om een aanval van angina pectoris op te heffen worden nitrieten gegeven. Ik ben er haast van overtuigd dat de heer Cornelissen ook nitroglycerinetabletten had.’

‘Verwachtte u zijn dood?’

Monique van Montfoort vouwde haar handen.

‘Dat is moeilijk te zeggen. Er zijn mensen, die met een zwak hart toch heel oud worden.’

De Cock wreef met zijn pink over de rug van zijn neus.

‘Die… eh, die heer Van Zoelen… had die ook een kunstverzameling?’ vroeg hij achteloos.

Monique van Montfoort maakte een verontschuldigend gebaar. ‘Dat weet ik niet. Met die heer Van Zoelen had ik niet zo veel contact. Hij was een wat stugge man, die geen enkele…’

Ze stokte plotseling. De deur van het vertrek ging iets open en het ronde hoofd van een man met donker haar werd zichtbaar. ‘O,’ zei de man geschrokken, ‘ik wist niet dat je bezoek had.’

Monique van Montfoort kwam lachend overeind.

‘Kom erin,’ riep ze vrolijk. ‘Dit zijn twee heren van de recherche.’

De man stapte aarzelend binnen. De Cock nam hem snel in zich op. De oude rechercheur schatte hem op begin veertig. Hij was goed gekleed in een stemmig kostuum. Zijn donkere haren werden al grijs aan de slapen. Monique van Montfoort pakte hem bij een arm en stelde hem aan de rechercheurs voor.

‘Jurgen… Jurgen Jaarsveld,’ kweelde ze opgewekt. ‘Een goede vriend van mij.’ Ze blikte op haar polshorloge. ‘We hadden afgesproken dat wij samen ergens zouden gaan eten.’

Vledder en De Cock stonden op en drukten de hen toegestoken hand. De oude rechercheur keek de man peinzend aan.

‘Jurgen Jaarsveld,’ sprak hij bedachtzaam, ‘die naam komt mij bekend voor. Ik heb hem beslist wel eens ergens gelezen.’

De man lachte en toonde een rij sterke tanden. ‘Hopelijk niet in het politieblad,’ reageerde hij gniffelend. Toen verdween de lach van zijn gezicht. ‘Ik ben journalist,’ sprak hij ernstig, ‘freelance… mogelijk hebt u wel eens een artikel van mij onder ogen gehad.’

De Cock spreidde zijn handen in onschuld.

‘Ik weet het niet meer.’ Hij pakte zijn oude hoedje van de vloer en kwam weer overeind. ‘We zullen niet langer storen.’ Hij wendde zich tot Monique van Montfoort. ‘Jammer dat we dokter Schuringa hier niet hebben getroffen. Ik had hem graag ontmoet. Is hij naar een of ander congres?’

Monique van Montfoort schudde haar hoofd.

‘Dokter Schuringa is vanmorgen naar Londen gevlogen.’

‘Londen?’

Monique van Montfoort glimlachte.

‘Naar het beroemde veilinghuis Sotheby. Daar wordt de komende dagen een unieke verzameling antiek zilver geveild.’

De Cock keek haar verward aan.

‘Antiek zilver?’ De grijze speurder kon de verbazing in zijn stem niet geheel wegdrukken. ‘Verzamelt dokter Sietse Schuringa antiek zilver?’

Monique van Montfoort knikte heftig.

‘Fanatiek… hij doet er een moord voor.’

Загрузка...