Er werd gebeld. Mevrouw De Cock deed open. Op de stoep voor haar woning stonden Appie Keizer en Dick Vledder. Mevrouw De Cock begroette beiden bijzonder hartelijk.
‘Zijn jullie maar met z’n tweeën?’
Appie Keizer knikte.
‘Fred Prins komt iets later. De commissaris heeft hem een zaak van vrijheidsberoving toebedeeld. Hij was bezig de aangifte op te nemen.’
Met kreetjes van verrukking nam mevrouw De Cock de bos rode rozen aan, die Vledder haar aanreikte. ‘Je moet als je op bezoek komt niet steeds van die dure rozen meenemen,’ sprak ze bestraffend. ‘Dat is helemaal niet nodig.’
Vledder glimlachte.
‘Hoe langer ik met uw man optrek,’ sprak hij op ernstige toon, ‘hoe meer ik u ga waarderen.’
Met de rode rozen tegen haar neus gedrukt, ging mevrouw De Cock de beide rechercheurs voor naar haar gezellig ingerichte woonkamer. De grijze speurder zat lui in een brede fauteuil, pantoffels aan zijn voeten en naast zich een tafeltje met diepbolle glazen en een fles verrukkelijke cognac.
Hij liet de twee jonge rechercheurs tegenover zich op de bank plaatsnemen en schonk in, aandachtig en met overgave. De Cock hield van een goed glas cognac en had het genieten daarvan verheven tot een cultus. Hij reikte de glazen aan en mevrouw De Cock bracht uit de keuken schalen vol lekkernijen binnen.
De grijze speurder wendde zich tot Vledder.
‘Is Fred Prins er niet?’
De jonge rechercheur schudde zijn hoofd.
‘Buitendam kwam met een zaak van vrijheidsberoving aandragen. Een jonge vrouw had haar trouweloze vriend met handboeien en een ketting aan de buizen van de centrale verwarming geketend.’
De Cock lachte.
‘Dat komt mij bekend voor.’[5]
Vledder nam een slok van zijn cognac.
‘Is Carry Cornelissen al gearresteerd?’
De Cock knikte.
‘Vanmorgen vroeg op Schiphol. Ons verzoek tot opsporing kwam net op tijd. Ook zijn bijna alle kunstvoorwerpen terecht. Een klein gedeelte… een paar antieke horloges en wat antiek zilverwerk… had Carry Cornelissen op het vliegveld bij zich. Daar was ik toch wel blij mee. Het betekent een extra accent aan onze bewijsvoering. De rest van de buit, compleet met de kolossale schilderijen van Marc Chagall, lag allemaal opgeslagen in het huis van Jurgen Jaarsveld.’
Vledder glunderde.
‘Een mooi succes. Heb je die Carry Cornelissen al verhoord?’
De Cock antwoordde niet direct. Hij pakte zijn glas en nam een slok van zijn cognac. ‘Ik heb de betrokkenen verhoord en ze hebben alle drie een volledige bekentenis afgelegd.’ De grijze speurder glimlachte. ‘Als deze affaire in de openbaarheid komt, dan wordt het de zaak van het jaar.’
Vledder boog zich met een ruk naar voren.
‘Vertel,’ riep hij ongeduldig.
De Cock zette zijn glas neer.
‘Het begint bij Carry Cornelissen,’ opende hij. ‘Carry Cornelissen, die op aandrang van zijn vader Crispijn Cornelissen in Amerika kunstgeschiedenis studeert en tijdens zijn studie ontdekt dat rijke Amerikanen vaak bereid zijn om kostbare kunstwerken te kopen, zonder naar de herkomst te vragen. Dat is de reden, dat hij naast zijn studie kunstgeschiedenis ook begint met de handel in kunstvoorwerpen. Op een dag krijgt hij een schilderij van Marc Chagall in handen en bemerkt tot zijn grote verrassing, dat er fantastische bedragen voor echte schilderijen van Marc Chagall worden betaald. Het maakt hem nieuwsgierig en hebzuchtig en hij herinnert zich de verzameling van zijn oom Christiaan in Amsterdam.
Zijn eerste plan is om de schilderijen gewoon van zijn oom Christiaan te kopen. Het liefst zo goedkoop mogelijk, om er dan later in Amerika een fortuin voor te maken. Maar als hij naar Amsterdam reist en wat informatie inwint, hoort hij van relaties in de kunsthandel, dat zijn oom Christiaan nooit tot verkoop van zijn schilderijen zou overgaan. Dan bedenkt hij een list.’
Vledder zwaaide.
‘Vervalsingen,’ riep hij enthousiast.
De Cock knikte.
‘Vervalsingen ja. Iemand brengt hem in contact met Peter Karstens op de Noordermarkt, die op dat gebied een internationale reputatie geniet. Carry Cornelissen presenteert zich als Sir Stephen Warwick-Benson… een naam, die hij in de kunsthandel in Amerika wel meer gebruikte… en bestelt bij hem imitaties van de schilderijen, die zijn oom Christiaan van Marc Chagall in zijn bezit heeft. Het opmerkelijke is dat Zadok van Zoelen hem daarbij helpt door in een boek over het werk van Marc Chagall die schilderijen aan te wijzen, waarvan Zadok weet dat ze in het huis van zijn vriend hangen. Veiligheidshalve laat Carry Cornelissen zich niet bij zijn oom, noch bij zijn neef zien en aan Zadok vraagt hij geheimhouding onder het mom dat hij zich eerst in Nederland als makelaar in verzekeringen een positie wil verwerven voor hij zich bij zijn oom meldt.
De vervalsingen van Peter Karstens brengt hij zolang onder bij zijn oude boezemvriend, de journalist Jurgen Jaarsveld, bij wie hij gedurende zijn verblijf in Nederland ook logeert.
De moeilijkheid voor Carry Cornelissen is, dat hij nu wel in het bezit is van prachtige imitaties, maar dat hij geen mogelijkheid weet te verzinnen om de grote, vaak metershoge vervalsingen ongezien het huis van zijn oom binnen te smokkelen en ze tegen de echte om te wisselen.
Hij bespreekt zijn moeilijkheden met zijn boezemvriend. Bij dat gesprek is ook aanwezig Monique van Montfoort, vriendin van Jurgen Jaarsveld… en assistente van de hartspecialist Sietse Schuringa.’
Vledder grinnikte.
‘Dan is het drietal compleet.’
De Cock zweeg even en ademde diep.
‘Monique van Montfoort zegt,’ zo ging de grijze speurder verder, ‘dat Christiaan Cornelissen een ernstige hartpatiënt is en dat er maar weinig voor nodig is om hem te laten sterven. Een kleine extra inspanning van het hart zou reeds voldoende zijn om het tot stilstand te brengen.
Als het drietal het uitgebreide patiëntenbestand van Sietse Schuringa eens onder de loep neemt, ontdekken ze ook andere kunstverzamelaars met ernstige hartklachten: Zadok van Zoelen, Nicolaas van Noordeinde en Franciscus Froombosch… het bekende Klavertje van Vier.
De vraag, die het drietal zich stelde, was: hoe breng je ernstige hartpatiënten ertoe om hun oude zieke hart extra inspanningen te laten verrichten? Het antwoord dat zij vonden was… laat ze dansen.’
Appie Keizer lachte.
‘Dansen?’ riep hij ongelovig.
De Cock knikte met een ernstig gezicht. ‘Dansen,’ herhaalde hij.
De oude rechercheur tastte in de binnenzak van zijn colbert en diepte daaruit een ruw afgescheurd stuk uit een geïllustreerd blad. De oude rechercheur vouwde het open.
‘Dit artikel,’ sprak hij verklarend, ‘heeft enige weken geleden onder de kop Nieuwe hoop voor hartpatiënten in een bekend Nederlands boulevardblad gestaan. Het is, zoals dat heet, afkomstig van een van onze verslaggevers, maar inmiddels weet ik, dat het stuk is opgesteld door de journalist Jurgen Jaarsveld, die het vrij gemakkelijk in het betreffende boulevardblad gepubliceerd kreeg.’ De oude rechercheur schraapte zijn keel. ‘Ik lees het voor:
Op Schiphol arriveerde gisteravond uit Londen de vermaarde Engelse hartspecialist Sir Stephen Warwick-Benson. Hij is voor een kort bezoek in ons land om op een medisch congres in Utrecht aan collega’s een toelichting te geven op zijn boek Treatise on Cardiosaltology. Deze opzienbare publicatie is een verhandeling over de zogenaamde Tarantula-methode welke door de Engelse geleerde wordt toegepast voor het genezen van ernstige hartpatiënten.
Professor Warwick-Benson verraste reeds enkele jaren geleden de medische wereld door zijn behandeling van hartziekten door middel van het gif van de tarantula, een wolfsspin van het geslacht lycosa die in Zuid-Europa voorkomt. De beroemde medicus, die als amateur-historicus een studie van de middeleeuwse medicijnkunde maakt, ontdekte in oude kronieken van het British Museum dat in de veertiende en vijftiende eeuw het gif van de tarantula werd gebruikt voor het genezen van hartkwalen. De behandeling werd gecombineerd met bepaalde bewegingen die het hart het juiste ritme moesten hergeven.
In de zeventiende eeuw leidde de behandeling, die kennelijk veel succes had, door onbegrip tot uitwassen in de Zuid-Italiaanse stad Tarente, of Táranto. De inwoners dachten dat de beet van de tarantula voor de mens gevaarlijk was en dat het gif moest worden uitgezweet door woest te dansen. Dit leidde, volgens de legende, tot ware orgieën waarbij de oorspronkelijke bedoeling van het dansen onbelangrijk was.
In werkelijkheid is het gif van de tarantula voor mensen volkomen ongevaarlijk, maar heeft het, aldus professor Warwick-Benson, een zeer heilzame werking op het hartweefsel.
Enkele maanden geleden was de befaamde medicus voorpaginanieuws doordat hij in het Saint Patrick’s Hospital een hartpatiënt reanimeerde die door een collega reeds twee uur tevoren klinisch dood was verklaard. Hij bewees daarmee in de praktijk zijn eerder omstreden theorie dat stilstand van het hart minder vaak tot de dood hoeft te leiden dan algemeen wordt aangenomen. Zijn bewering: te veel mensen worden te snel dood verklaard, leidde indertijd tot een storm van protesten, die echter na zijn prestatie in het Saint Patrick’s Hospital snel ging liggen.’
De Cock vouwde het blad weer dicht. Er werd gebeld. Mevrouw De Cock deed open en even later stapte Fred Prins de huiskamer binnen.
Vledder wuifde in zijn richting.
‘Je hebt net wat gemist.’
De Cock schonk een glas cognac voor zijn nieuwe gast in en gaf hem het artikel. ‘Lees eerst maar, dan gaan we straks verder.’
Fred Prins keek verrast op.
‘Dat stuk ken ik. Dat heb ik een paar weken geleden gelezen.’
De Cock grinnikte.
‘Lees jij boulevardbladen?’
Fred Prins knikte nadrukkelijk.
‘Net als alle Nederlanders… in de wachtkamer bij de tandarts.’
De Cock lachte.
‘Dit artikel speelde Monique van Montfoort heel omzichtig in handen van de kunstverzamelaars met een zwak hart en ze liet daarbij doorschemeren, dat ze die beroemde Sir Stephen Warwick-Benson persoonlijk heel goed kende en dat ze wel mogelijkheden zag voor een exclusief privé-consult.
Tevens drukte ze de kunstverzamelaars ieder afzonderlijk op het hart om er met niemand over te spreken… zeker niet met Sietse Schuringa, die ze omschreef als een specialist met verouderde methodieken.’
Fred Prins pakte zijn glas.
‘Geraffineerd.’
De Cock knikte.
‘Aanvankelijk zou Carry Cornelissen met een aangeplakte baard en snor de rol van de beroemde Sir Stephen Warwick-Benson vervullen, maar hij was bang dat Zadok van Zoelen en zijn oom Christiaan door zijn vermomming heen zouden kijken.’
Vledder knikte begrijpend.
‘Jurgen Jaarsveld nam zijn rol over.’
De Cock stak zijn wijsvinger op.
‘Het draaiboek voor zo’n privé-consult zat heel goed in elkaar. De pseudo-professor vertelde dat hij had ontdekt, dat het hartritme in overeenstemming moest worden gebracht met het intrinsieke… het wezenlijke levensritme van het individu. Als daarin discrepanties… tegenstellingen voorkwamen, dan ontstonden er hartstoringen. De beste manier om die tegenstelling in ritmen op te heffen was, volgens de professor, ze te laten samensmelten in de harmonische bewegingen van de dans.’
Fred Prins keek hem verrast aan.
‘Als ik jou zo hoor, dan ben ik geneigd om het te gaan geloven.’
De Cock zuchtte.
‘Zo was het ook. Ik neem aan dat zowel Zadok van Zoelen als Christiaan Cornelissen en Nicolaas van Noordeinde blijmoedig hun maillot hebben aangetrokken en zich vrijwillig een beet van de Tarantula apuliae hebben laten toedienen.’
Fred Prins trok een vies gezicht.
‘Hoe heet dat beest?’
De Cock lachte.
‘De Tarantula apuliae… een schorpioenspin. Een beet van de spin is ongevaarlijk, maar veroorzaakt wel kleine, maar pijnlijke ontstekingen.’
Vledder snoof.
‘De insectenbeten van dokter Den Koninghe.’
De Cock spreidde zijn handen.
‘Ik neem het hem niet kwalijk en in feite had hij gelijk… een insectenbeet.’
Fred Prins boog zich naar voren.
‘En na de beet van die… eh, die Tarantula apuliae werd er gedanst?’
De Cock knikte traag.
‘De tarantella… een opwindende, meeslepende dans, waarbij de verleidelijk schone Monique van Montfoort de hartzieke mannen opzweepte, tot hun heildans eindigde in de dood… danse macabre.’
Mevrouw De Cock keek haar man met grote ogen aan.
‘Ongelooflijk,’ lispelde ze.
De grijze speurder reageerde niet. Hij schonk zich nog eens in en zuchtte. De lange uiteenzetting had hem wat vermoeid.
Vledder wenkte om aandacht.
‘Ik begrijp nu ook waarom Zadok van Zoelen aan zijn nicht Ellen schreef: denk vooral niet te gauw dat ik dood ben.’
De Cock nam een slok van zijn cognac.
‘Dat zei de oude Cornelissen ook tegen zijn neef Christiaan. Het had alles te maken met dat artikel, waarin werd gesuggereerd dat Sir Stephen Warwick-Benson in het Saint Patrick’s Hospital een hartpatiënt had gereanimeerd, die twee uur tevoren reeds klinisch dood was verklaard.’ De grijze speurder trok een brede grijns. ‘Ik geloof dat het tijd wordt dat ik boulevardbladen ga lezen.’
Het gesprek werd algemener en de drie dode mannen in hun mallotige maillots raakten wat op de achtergrond.
Nadat de gasten op een nog redelijk uur waren vertrokken, trok mevrouw De Cock een poef bij en ging recht voor haar man zitten.
‘Ik begrijp het niet goed,’ sprak ze zorgelijk, ‘die drie slachtoffers… die kunstverzamelaars… dat waren toch geen domme mannen?’
De grijze speurder schudde zijn hoofd.
‘Dat waren ze ook niet,’ antwoordde hij ernstig. ‘Integendeel. Maar het feit, dat de medische wereld nog steeds geen afdoende antwoorden heeft op de vraagstukken van kanker, aids, hartziekten, reuma, multiple sclerose en tal van andere aandoeningen, maakt de mensen wantrouwend tegenover de traditionele geneeskunde. Men zoekt naar alternatieven… en dat geeft charlatans een kans.’