Door de kleine trotse caféhouder hartelijk nagewuifd, verlieten de beide rechercheurs op de Achterburgwal het etablissement van Smalle Lowietje. De warmte van de cognac gloeide in hun aderen.
Het regende weer een beetje, een fijne miezerige motregen. De oude iepen aan de wallenkant dropen en het schaarse licht van de lantaarns deed de gladde straatsteentjes glimmen. Over het troebele water van de gracht hingen nevelige sluiers.
Ondanks het wat trieste weer was het toch aardig druk op de Wallen. De seksbusiness was in vol bedrijf. In het barmhartige roodroze licht toonden de uitgestalde hoertjes hun lijflijke bekoorlijkheden. Geen raam was onbezet. Bij een etalage met twee, sinds kort uit het Verre Oosten geïmporteerde, exotische schoonheden stonden zelfs mannen in de rij.
De Cock blikte om zich heen. Hoewel de oude rechercheur al tientallen jaren in de rosse buurt opereerde, bezag hij het gehele seksbedrijf nog steeds met enige bevreemding. Zijn puriteinse ziel bleek na al die jaren nog niet flexibel genoeg om het zonder het nodige voorbehoud te aanvaarden.
De Cock liep de rij hunkerende mannen voorbij, trok de kraag van zijn regenjas omhoog en schoof zijn oude hoedje naar voren. Hij keek opzij naar Vledder, die rustig naast hem voortslenterde.
‘Ik ben toch niet zo blij met dat verhaal van Smalle Lowietje,’ sprak hij somber.
De jonge rechercheur keek hem niet-begrijpend aan. ‘Hoe bedoel je?’
De Cock gebaarde voor zich uit. ‘Als oom Zadok bij het doen van zijn aankopen van antiek zilver het inderdaad niet zo nauw nam en ook jatmous… gestolen voorwerpen… aanvaardde, dan wordt de kring van verdachten wel erg groot.’
Vledder glimlachte. ‘Je bedoelt… als oom Zadok van Zoelen van Smalle Lowietje gestolen goed kocht… er vermoedelijk ook andere louche figuren bij hem aan de Keizersgracht over de vloer kwamen… louche figuren, met wie hij zaken deed en die zijn verzameling kenden.’
De Cock knikte. ‘Het feit dat de tamtam wist, dat oom Zadok vorige week dood in zijn woning aan de Keizersgracht werd aangetroffen, geeft mij toch te denken. Het houdt in, dat er in penozekringen over de dood van oom Zadok is gesproken.’
Vledder trok een denkrimpel in zijn voorhoofd. ‘Dat behoeft toch niet te betekenen,’ formuleerde hij voorzichtig, ‘dat de diefstal van het antieke zilver ook door iemand uit de penoze werd gepleegd?’
De Cock schudde zijn hoofd. ‘De dood van Zadok van Zoelen kan op allerlei manieren zijn uitgelekt en in penozekringen bekend zijn geworden.’ Over zijn breed gezicht gleed een glimlach. ‘En dat de jongens dan ook even de zilververzameling van oom Zadok ter sprake brengen en aan een mogelijke buit van zo rond één miljoen denken, is volkomen begrijpelijk.’
‘Smalle Lowietje zegt dat aan hem nog geen zilver is aangeboden.’
De Cock schoof zijn onderlip naar voren. ‘Dat zal voorlopig ook wel niet gebeuren.’
‘Waarom niet?’
‘Tenzij men direct geld nodig heeft… maar bij diefstal van kunstschatten is het gebruikelijk, dat men de zaak eerst een poosje laat bekoelen.’
Bij de Stormsteeg sloegen ze linksaf. Via de Lange Niezel bereikten ze de Warmoesstraat. Toen ze de hal van het politiebureau binnenstapten, begon Jan Kusters achter de balie met zijn armen te zwaaien.
De Cock liep traag op hem toe. ‘Wat heb je nu weer?’ riep hij geprikkeld.
De wachtcommandant zwaaide opnieuw. ‘Ik ben al zeker tien minuten bezig om een van jullie te pakken te krijgen. Waar zat je?’
‘Dat gaat je niets aan.’
Jan Kusters duwde hem een briefje in de hand. ‘Ga daar onmiddellijk heen. Twee jonge dienders vragen om assistentie van de recherche.’ De wachtcommandant struikelde bijna over zijn eigen woorden. ‘Ze zijn bij een lijkvinding en vertrouwen het niet.’
De Cock keek hem spottend aan. ‘Wat vertrouwen ze niet… het lijk?’
‘Barst.’
Vledder reed hun Golf van de steiger de Oudebrugsteeg in. Hij keek opzij naar De Cock.
‘Wat staat er op het briefje?’
De oude rechercheur pakte het briefje van de wachtcommandant uit het borstzakje van zijn colbert, streek het verkreukelde blocnotevelletje op zijn knie glad en bescheen het met zijn zaklantaarn.
‘Prinsengracht zeventien-dertien,’ las hij hardop.
‘Dat is bij de Westermarkt.’
De Cock grinnikte. ‘Het zou mij niets verbazen,’ reageerde hij gelaten. ‘In de omgeving van die oude Westertoren is altijd wat aan de hand.’
Toen ze luttele minuten later vanaf de Westermarkt de Prinsengracht op reden, zagen ze midden op de brug van de Leliegracht een politiewagen staan. Op de achterbank, in het verlichte interieur, zat een jongeman. Naast het rechterportier stond een jonge diender.
Vledder bracht de Golf pal achter de politiewagen tot stilstand. De beide rechercheurs stapten uit.
De jonge diender liep op De Cock toe en wees naar de jongeman op de achterbank. ‘We hebben hem maar zo lang vastgehouden,’ legde hij uit, ‘dan kunt u zelf nog even met hem praten. Hij is een neef van de dode man. Hij heeft het lijk van zijn oom ontdekt en de politie gewaarschuwd.’ Hij draaide zich half om en gebaarde naar een statig pand op de gracht. ‘Mijn collega is boven. We durfden het dit keer niet aan om de recherche er buiten te houden.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen. ‘Wanneer,’ vroeg hij met enige achterdocht, ‘hielden jullie er de recherche dan wel buiten?’
De jonge diender schoof zijn pet iets naar achteren.
‘Vorige week… een geval op de Keizersgracht… een dode man in zijn woning. Een al wat oudere man… ene Zadok van Zoelen… niets bijzonders… een gewone hartverlamming. Dat zei de dokter ook. Daarom hebben wij de recherche er toen maar buiten gehouden.’
De Cock hield zijn hoofd iets schuin. ‘En?’
De jonge diender grijnsde. ‘Het is precies hetzelfde. Het lijkt exact op die lijkvinding vorige week op de Keizersgracht. Dezelfde omstandigheden.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘En volgens mij is er ook dit keer niets aan de hand… gewoon… een natuurlijke dood.’
‘Wat zegt de dokter ervan?’
De jonge diender zuchtte. ‘Die is nog niet geweest. We hebben hem via de wachtcommandant wel laten waarschuwen… gelijk met de recherche.’
De Cock legde vertrouwelijk zijn rechterhand op de brede schouder van de jonge diender. ‘Eén ding begrijp ik niet,’ sprak hij vriendelijk, ‘vorige week… op de Keizersgracht… bij die Zadok van Zoelen… achtten jullie de komst van de recherche niet nodig. Nu wel. Wat is dan het verschil?’
De jonge diender schudde zijn hoofd. ‘Er is geen verschil… totaal geen verschil… en juist omdat er geen verschil is… vertrouwen we het niet.’ Hij wees wat geagiteerd omhoog naar het statige grachtenpand. ‘Ziet u, ook die vent daar ligt in zo’n mallotige maillot.’
De Cock besteeg de hardstenen trap. Vledder kwam hem na. Boven op het bordes bleef de oude rechercheur staan, pakte zijn zaklantaarn uit een steekzak van zijn regenjas en bekeek een koperen naamplaat met zwarte verzonken letters.
‘Cornelissen,’ las hij hardop, ‘taxateur.’
Daarna bescheen hij de sponningen van de zware blankgelakte toegangsdeur. Er waren geen sporen van braak. Voorzichtig duwde hij met zijn schouder de deur open en ging naar binnen.
In de ruime verlichte hal stond met zijn rug tegen de glazen gangdeur een jonge diender. Toen hij de beide rechercheurs in het oog kreeg, kwam hij naar voren, tikte ter begroeting aan de klep van zijn pet en lachte opgelucht. ‘Ik ben blij dat jullie er eindelijk zijn.’ Hij duimde over zijn schouder. ‘Ik kon het daarbinnen niet langer uithouden. Ik ben weggelopen. Die dooie vent lag met zijn halfopen ogen mij voortdurend aan te staren.’ Hij deed de glazen deur open. ‘Zal ik voorgaan?’
Via een brede marmeren gang met guirlandes en wulpse engeltjes aan het plafond, bereikten ze een groot rechthoekig vertrek met een dominerende schouw en twee hoge ramen.
Ongeveer ter hoogte van de schouw, aan de rand van een Perzisch tapijt, lag op zijn rug een man in een zwarte maillot. Een enkele blik was voor De Cock voldoende om te weten dat de man al enige uren dood was.
Vanuit de hoogte keek hij een poosje op de dode neer. De oude rechercheur schatte hem op achter in de vijftig, begin zestig. Hij had dun grijs haar, een brede kin en wat ingevallen wangen.
De Cock keek naar de diender. ‘Weet je wie hij is?’
De jonge diender knikte. ‘Ik heb hier wat brieven gevonden, die zijn allemaal gericht aan C. Cornelissen. Die naam Cornelissen staat ook op de naamplaat bij de deur. Volgens de neef, die hier was, stond die C voor Christiaan.’
De Cock knielde bij de dode neer. De halfopen starende ogen hinderden hem niet. Voor zover hij het kon bezien waren er geen uiterlijke verwondingen. Hij staarde secondenlang in het strakke dode gezicht in een vreemd verlangen dat de verstijfde mond nog iets zou zeggen… iets over het geheim van zijn dood.
Zijn knieën kraakten toen hij overeind kwam. Enigszins besluiteloos bleef hij staan. Zijn scherpe blik gleed de kamer rond. Zijn geest zocht naar een dissonant… een afwijking van het patroon. Er was niets, maar dan ook niets, dat in verband kon worden gebracht met een misdrijf.
Dokter Den Koninghe kwam de kamer in. In zijn kielzog verschenen twee broeders van de Geneeskundige Dienst met hun onafscheidelijke brancard.
De Cock begroette de kleine lijkschouwer hartelijk. Hij wees naar de dode op de vloer. ‘Overeenkomsten?’
Dokter Den Koninghe knikte traag. ‘Hetzelfde beeld als vorige week bij die Zadok van Zoelen.’
‘Hartverlamming?’
De kleine lijkschouwer knikte opnieuw.
‘Daar heeft het alle schijn van.’ Hij trok de pijpen van zijn streepjesbroek iets op en knielde bij de dode neer.
Met zijn duim en middelvinger drukte hij de halfopen ogen dicht. Voorzichtig schoof hij de rechtermouw van de dode man terug en draaide de arm, zodat de onderkant omhoog kwam.
De Cock bukte over hem heen en zag nauwlettend toe. In de onderarm van de dode was een kleine rode zwelling met in het midden een donker getint punctieplekje.
Dokter Den Koninghe kwam overeind. ‘Hij is dood.’
Het klonk laconiek.
De Cock knikte instemmend. ‘Dat heb ik begrepen. Hartverlamming?’
‘Ja, vrijwel zeker.’
De Cock gebaarde naar de dode. ‘En die zwelling… dat vreemde punctieplekje?’
‘Een insectenbeet.’
‘Net als bij Zadok van Zoelen?’
‘Inderdaad.’
De Cock schudde zijn hoofd. ‘Volgens mij klopt het niet.’
Dokter Den Koninghe keek de grijze speurder door zijn brilletje heen peinzend aan.
‘Geen hartverlamming?’ vroeg hij simpel.
De Cock spreidde zijn handen. ‘Begrijp mij goed, dokter.’ In zijn stem klonk wanhoop. ‘Ik stel uw vakbekwaamheid niet ter discussie. Al meer dan vijfentwintig jaar ontmoeten wij elkaar ambtelijk bij slachtoffers van een gewelddadige dood. Ik heb nooit aan uw inzichten getwijfeld. Ik twijfel ook nu niet aan uw diagnose, maar mijn van nature argwanende politiehart zegt dat er iets niet klopt.’
‘Wat… wat klopt er dan niet?’
De Cock trok zijn schouders op. ‘Dat weet ik niet,’ antwoordde hij wrevelig. ‘Het is niet aanwijsbaar.’ Hij knielde opnieuw bij de dode neer en bezag de rode zwelling op de onderarm. Daarna keek hij schuin omhoog. ‘Kan… eh, kan dit niet iets anders zijn dan een insectenbeet?’
Den Koninghe grijnsde.
‘Bijvoorbeeld?’
De Cock kwam weer overeind. ‘Een injectie met een of ander snelwerkend vergif?’
Den Koninghe zuchtte. ‘Je bent een eigengereide kerel, De Cock,’ sprak hij niet onvriendelijk. ‘En dat zul je wel blijven. Maar als jij denkt dat hier sprake is van een misdrijf… dat deze man hier geen natuurlijke dood is gestorven… waarom neem je dat lijk dan niet in beslag? Laat het overbrengen naar Westgaarde en vraag of dokter Rusteloos morgen een gerechtelijke sectie verricht.’
De grijze speurder reageerde niet.
Den Koninghe keek nog even zwijgend naar hem op, daarna lichtte hij zijn groen uitgeslagen garibaldihoed, draaide zich om en liep de kamer af.
De Cock keek hem met gemengde gevoelens na. Hij had diep respect voor de kleine lijkschouwer. Onder geen voorwaarde had hij hem willen kwetsen. Hij wenkte de jonge diender naderbij.
‘Haal die neef beneden uit de wagen,’ gebood hij, ‘en breng hem hier.’
Vledder kwam naast hem staan. ‘Neem je het lijk in beslag?’ vroeg hij ongelovig.
De Cock antwoordde niet. Hij wierp een peinzende blik op de dode in zijn mallotige maillot. Daarna keek hij op naar een blonde jongeman, die voor de diender uit nonchalant de kamer binnenwandelde.
De oude rechercheur schatte hem op rond de vijfentwintig jaar. Hij droeg een grijze pantalon, waarop een lichtblauwe blazer met een ingewikkeld embleem op het borstzakje.
‘U bent?’
De jongeman glimlachte. ‘Christiaan… Christiaan Cornelissen.’
De Cock keek hem fronsend aan. ‘Ik dacht dat uw oom zo heette.’
De jongeman knikte. ‘Dat klopt. Hij heet ook Christiaan Cornelissen. Hij is… was de oudste broer van mijn vader. Ik ben naar hem vernoemd.’
‘U zorgt voor de begrafenis?’
Christiaan Cornelissen grijnsde. ‘Daar zal niet veel anders opzitten.’
‘Hoe bedoelt u?’
‘Er is niemand anders.’
De Cock keek hem wat verward aan. ‘Zijn er buiten u geen verdere familieleden?’
Christiaan Cornelissen wees naar de vloer. ‘Oom Christiaan was de laatste van zijn generatie Cornelissen.’
‘En u bent de enige neef?’
Christaan Cornelissen schudde zijn hoofd. ‘Ik heb nog een oudere neef… Carry Cornelissen… zoon van oom Crispijn. Maar waar die uithangt, weet ik niet. Vroeger trok ik nog wel eens met hem op. Maar ik heb hem nu zeker in een jaar of tien niet gezien. Hij is destijds door oom Crispijn naar Amerika gestuurd om daar kunstgeschiedenis te studeren en vermoedelijk verblijft hij daar nog.’
‘In Amerika?’
‘Ja.’
‘Geen adres?’
‘Nee.’
‘Wanneer stierf uw oom Crispijn?’
‘Vijf jaar geleden.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen. ‘Is die Carry toen niet naar Nederland gekomen?’
Christiaan Cornelissen zuchtte. ‘We hebben toen van alles geprobeerd om hem te bereiken, maar dat is niet gelukt.’
De Cock gebaarde naar de dode. ‘Hoe oud is oom Christiaan geworden?’
‘Drieënzestig. Zo’n veertien dagen geleden hebben we nog samen zijn verjaardag gevierd.’
‘Hebt u hem wel eens zo gekleed gezien?’
‘In zo’n malle maillot?’
De Cock knikte. ‘Dat bedoel ik.’
Christiaan Cornelissen schudde zijn hoofd. ‘Nooit. Ik wist niet eens dat hij zo’n ding bezat.’
De Cock plukte aan zijn onderlip. ‘Had uw oom een kwaal… een ziekte?’
Christiaan Cornelissen knikte. ‘Hij had een zwak hart… was al jaren onder behandeling van een specialist… Sietse Schuringa.’