16

De beide rechercheurs slenterden van de Brouwersgracht terug naar de Kit.[4] De Cock keek met open mond omhoog naar de lucht. Amsterdam was nog steeds verpakt in een gore moltondeken, waaruit een druilerige regen sijpelde. De oude rechercheur bromde: ‘Ik had Franciscus Froombosch moeten adviseren om vandaag nog niet te sterven. De hemel zit potdicht.’

Het klonk profaan.

Vledder keek hem van terzijde aan.

‘Ga jij ervan uit dat Froombosch het volgende slachtoffer wordt?’

De Cock knikte traag.

‘Als wie dan ook het op het Klavertje van Vier heeft gemunt, dan is hij het laatste blaadje.’

Vledder stak zijn handen omhoog.

‘Moeten we hem dan niet beschermen?’

De Cock maakte een schouderbeweging.

‘Als Franciscus Froombosch zich aan onze instructies houdt, loopt hij weinig gevaar.’

‘Je bedoelt, dat hij ons moet waarschuwen als iemand hem met een maillot benadert?’

‘Precies. Als Franciscus Froombosch botweg weigert om een maillot aan te trekken, zal hij voorlopig wel in leven blijven.’

Vledder reageerde verrast.

‘Het zit volgens jou in die maillot?’

De Cock zuchtte.

‘Ik weet niet waar het in zit… hoe het gebeurt? Ik weet niet meer dan jij. Maar als drie mannen van het Klavertje van Vier in een maillot sterven, dan blijft mij niets anders over dan de vierde man aan te raden om hoe dan ook geen maillot aan te trekken.’

Vledder lachte.

‘Zo simpel is het?’

De Cock knikte met een strak gezicht.

‘Exact… zo simpel is het.’

Vanaf de Korte Prinsengracht liepen ze de Haarlemmerstraat in. Sinds er geen verkeer meer door die straat mocht, leek het wel een wandelpromenade.

Vledder stootte De Cock met zijn elleboog aan.

‘Heb je er wel eens over nagedacht, dat die oude, maar nog zo krasse Franciscus Froombosch met zijn vlijmscherpe degenstok voor ons best een redelijke verdachte kan zijn? Hij was bevriend met Zadok van Zoelen, Christiaan Cornelissen en Nicolaas van Noordeinde. Hij kende hun gewoonten, de waarde van hun kunstverzameling en had praktisch vrije toegang tot hen.’

De Cock wuifde wat geïrriteerd.

‘Hoe moet hij dat dan hebben gedaan… met zijn degenstok in hun hart geprikt? Jij hebt toch de sectie op Christiaan Cornelissen bijgewoond? Dacht jij dat dokter Rusteloos een dergelijke verwonding niet had gevonden?’

Vledder antwoordde niet. Hij zweeg. Toen de regen toenam, versnelden ze hun pas. Bijna doorweekt stapten ze de hal van het bureau Warmoesstraat binnen.

Jan Kusters leunde geamuseerd over de balie.

‘Jullie zijn aardig nat geworden,’ constateerde hij met een brede grijns op zijn gezicht.

De Cock gebaarde om zich heen.

‘Als je hier blijft zitten word je niet nat. Maar de vis wordt op zee gevangen.’

Jan Kusters lachte om de oude recherchekreet.

‘Er zit boven een jongeman op jullie te wachten. Ik weet niet meer hoe hij heet, maar ik heb hem hier wel meer gezien.’

De Cock nam zijn natte hoedje af en slingerde plagend regendruppels naar de wachtcommandant. Daarna stormde hij lachend de trappen op. Vledder volgde.

Op de bank bij de toegangsdeur van de recherchekamer zat Christiaan Cornelissen in een beige regenjas. Zijn natte blonde haren plakten op zijn hoofd. Toen hij de rechercheurs in het oog kreeg, kwam hij nerveus overeind.

‘Ook… ook… ook Nicolaas van Noordeinde is dood en zijn hele klokkenverzameling is weg,’ sprak hij struikelend over zijn woorden. ‘Net als bij oom Christiaan.’

De grijze speurder reageerde niet direct. Hij vatte de jongeman bij diens arm en loodste hem de recherchekamer in. Daar liet hij hem op de stoel naast zijn bureau plaatsnemen. Hij hing zijn natte hoedje en regenjas aan de kapstok en ging achter zijn bureau zitten.

‘Hoe kom je aan die wetenschap?’ vroeg hij vriendelijk.

Christiaan Cornelissen nam een zakdoek uit zijn broekzak en veegde daarmee zijn gezicht droog.

‘Nabor en zijn zuster Nanette zijn gisteravond bij mij op bezoek geweest… de neef en de nicht van de heer Van Noordeinde. We hebben samen de zaak besproken en zijn tot de conclusie gekomen dat er parallellen zijn… overeenkomsten tussen de dood van onze ooms.’ Hij keek De Cock vragend aan. ‘Daar moet u toch uit kunnen komen? Er wordt van u gezegd, dat u een bekwaam rechercheur bent.’

De grijze speurder glimlachte.

‘Er zijn momenten dat ik daar zelf aan twijfel.’ Hij boog zich naar de jongeman toe. ‘Hebt u al eens iets van uw neef Carry gehoord?’

Christiaan Cornelissen schudde zijn hoofd.

‘Ik heb ook geen moeite gedaan om hem te bereiken. Toen een paar jaar geleden oom Crispijn stierf, heb ik werkelijk van alles geprobeerd om hem op te sporen. Ik vond toen, dat hij van de dood van zijn vader op de hoogte moest worden gebracht… mogelijk de begrafenis moest bijwonen. Maar nu…’ De jongeman maakte zijn zin niet af. ‘Carry was niet zo familieziek.’

De Cock keek hem scherp aan.

‘Ze hebben hem gezien.’

Christiaan Cornelissen keek hem verward aan.

‘Wie?’ riep hij ongelovig. ‘Neef Carry?’

‘Ja.’

‘Waar?’

‘Hier in Nederland.’

Christiaan Cornelissen schudde zijn hoofd.

‘Dat kan niet,’ reageerde hij beslist. ‘Dan was hij toch naar mij toe gekomen? Hij weet waar hij mij vinden kan. Ik woon nog steeds in hetzelfde huis… het huis van mijn ouders.’

De Cock schoof zijn onderlip vooruit.

‘Misschien bestaat er voor hem een dringende reden om zich niet te laten zien,’ suggereerde hij. ‘Misschien vindt hij het toch raadzaam om zich voor u schuil te houden.’

Christiaan Cornelissen schudde opnieuw zijn hoofd.

‘Onzin. Carry en ik gingen ondanks het verschil in leeftijd vrij goed met elkaar om. Er is pas een breuk gekomen toen hij naar Amerika ging.’

‘Om kunstgeschiedenis te studeren.’

‘Precies.’

De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.

‘Hebt u ergens in een oud album nog een foto van neef Carry uit die tijd… ik bedoel: kort voor hij naar Amerika vertrok?’

Christiaan Cornelissen trok een bedenkelijk gezicht.

‘Dan zal ik eens op zolder moeten kijken… tussen de oude spullen. Als ik mij goed herinner, dan hielden mijn ouders wel zo’n album bij.’

De Cock glimlachte.

‘Wilt u dat eens voor mij nakijken… het liefst op korte termijn? Als het kan… vanmiddag nog? Als u vanmiddag mij zo’n foto aanreikt, heb ik voor u mogelijk een verrassing.’

Christiaan Cornelissen keek hem verward aan.

‘Een verrassing?’

De Cock knikte.

‘Aan de hand van de gegevens van de mensen, die menen uw neef Carry hier in Nederland vrij recent nog te hebben gezien, wordt er op dit moment een compositiefoto gemaakt. Ik wil u die foto graag tonen voor ik er verder mee op pad ga.’

Er kwam een diepe denkrimpel in het voorhoofd van Christiaan Cornelissen.

‘U denkt dat neef Carry iets met de verdwijning van de echte schilderijen van Marc Chagall te maken heeft en zich daarom voor mij verborgen houdt?’

De Cock knikte traag.

‘Ik houd met die mogelijkheid terdege rekening.’ De oude rechercheur zweeg even. ‘U bent het enige familielid van Carry dat nog in leven is?’

‘Inderdaad.’

‘U… eh, u ging als familieleden… als neven… met elkaar om?’

Christiaan Cornelissen glimlachte.

‘Ik trok wel eens met hem op… beschouwde hem min of meer als mijn grote broer… mocht wel eens met hem mee… naar voetballen of hockey. Carry deed veel aan sport.’

De Cock trok zijn wenkbrauwen naar elkaar toe.

‘Had Carry ook vrienden… ik bedoel: vrienden van zijn eigen leeftijd?’

Christiaan Cornelissen zette grote ogen op.

‘Zeker… Jurgen… Jurgen Jaarsveld.’

De mond van De Cock viel open.

‘Jurgen Jaarsveld, de journalist?’ herhaalde hij geschrokken.

Christiaan Cornelissen knikte nadrukkelijk.

‘Dat was zijn boezemvriend.’


De Cock voelde zich gespannen. Hij vroeg zich af of hij alles goed had georganiseerd… of in de fuik, die hij had opgezet, niet ergens een zwakke plek zat of een scheur. Wilde hij tot een sluitende bewijsvoering komen, dan mocht er niets misgaan. Bovendien begreep hij nog niet wat er zou gaan gebeuren… hoe het precies in zijn werk ging.

Hij keek opzij naar Vledder. In het donker kon hij de contouren van zijn jonge collega slechts vaag onderscheiden. Met hulp van Franciscus Froombosch hadden zij samen de ruime achterkamer totaal verduisterd. Ook de ramen van de schuifdeuren waren afgedekt. Alleen door twee kleine plekken in het Mondriaanse glas-in-lood was het mogelijk om een blik in de goed verlichte voorkamer te werpen.

De Cock had zich opnieuw verzekerd van de hulp van zijn vrienden en collega’s Appie Keizer en Fred Prins. De twee doorgewinterde rechercheurs zaten in de laadruimte van een oude bestelwagen, die als observatiepost was ingericht. Vanaf een uitgelezen plek aan de wallenkant van de Brouwersgracht hadden ze een goed zicht op het statige grachtenhuis met de fraaie trapgevel. Via de mobilofoon stonden ze in verbinding met Vledder en verder met de centrale post op het hoofdbureau van politie aan de Elandsgracht.

Eventueel kon via de centrale post nog de hulp van de Surveillancedienst worden ingeschakeld, maar de oude rechercheur hoopte vurig dat hij daarvan geen gebruik hoefde te maken. Het liefst knapte hij dergelijke zaken in eigen vertrouwde kring op.

De Cock boog zich iets voorover en keek door een plekje in het glas-in-lood. In de verlichte voorkamer zat aan de ovale tafel in een ruime armstoel de krasse Franciscus Froombosch. Hij was keurig gekleed in een grijs flanellen kostuum. De oude heer had zijn degenstok graag binnen handbereik willen hebben, maar dat had De Cock hem verboden. De grijze speurder wilde niet het risico lopen, dat Franciscus Froombosch daarvan in een noodsituatie gebruik zou maken.

Voor hem op tafel lag een open boek. De oude heer wilde het doen voorkomen alsof hij rustig zat te lezen, maar De Cock had hem al een kwartier lang geen blad zien omslaan.

Naast Franciscus Froombosch, over de rug van een armstoel, hing een zwarte maillot.

De Cock was de oude heer dankbaar dat hij hem onmiddellijk ervan op de hoogte had gesteld, dat een koerier hem een pakje had bezorgd, waar de maillot in zat. Vanaf dat moment had de grijze speurder zijn maatregelen kunnen nemen.

Vledder kwam naast hem staan.

‘Hoe lang nog?’

De Cock schoof de mouw van zijn colbert omhoog en keek op de verlichte wijzerplaat van zijn horloge.

‘Nog een minuut of vijf… als men tenminste op tijd is.’

Vledder hijgde.

‘Ben je vanavond ook nog bij Peter Karstens geweest?’

‘Ja.’

‘En?’

‘Het klopt. Hij herkende in de compositiefoto de man die zich bij hem als Sir Stephen Warwick-Benson had gepresenteerd en voor wie hij de schilderijen van Marc Chagall had gemaakt.’

Vledder snoof.

‘Dus toch die Carry Cornelissen?’

‘Ja.’

De mobilofoon in de hand van Vledder kraakte en De Cock herkende de stem van Fred Prins. ‘Opgepast… daar komt wat. Een grote zwarte Mercedes met het kenteken… Appie, noteer even… XZ 30 DY.’ Opnieuw gekraak. ‘De Mercedes parkeert aan de waterkant, ongeveer een meter of tien bij ons vandaan. Er stappen een man en een vrouw uit. Ze dragen beiden iets… ik kan het niet goed onderscheiden. Wat de man in zijn hand heeft lijkt op een groot model draagbare radio met dubbele luidsprekers. Ze stappen naar de deur… sluiten.’

Het gekraak van de mobilofoon hield op en in het inwendige van het huis klonk luid een bel.

Door de opening in het glas-in-lood zag De Cock hoe Franciscus Froombosch even schokte, daarna moeizaam overeind kwam en de kamer verliet.

De seconden vergleden langzaam. Franciscus Froombosch verscheen weer binnen hun gezichtsveld. Achter hem aan kwam een blonde vrouw. Ze zette een zwart gelakt kistje op de tafel en wees naar de man in haar gezelschap. De beide mannen schudden elkaar de hand.

De Cock probeerde iets van het gesprek dat tussen de mannen volgde op te vangen, maar dat lukte niet. Het was net alsof hij door een gekleurd vensterglaasje naar een stomme film keek.

De blonde vrouw nam het initiatief. Zij ging achter Franciscus Froombosch staan en ontdeed hem van zijn colbert. Daarna schoof ze een paar armstoelen opzij en de man in haar gezelschap tilde een groot draagbaar radiotoestel op tafel. Even later klonken de luide en opwindende tonen van een tarantella.

De vrouw nam de zwarte maillot in handen en beduidde Franciscus Froombosch dat kledingstuk aan te trekken.

De Cock zag de wanhopige, smekende blik van de oude heer in de richting van de schuifdeuren gaan. De grijze speurder aarzelde een moment… vroeg zich af hoe lang hij de maskerade nog moest laten voortduren. Toen sprong hij overeind, schoof de deuren open en stormde met Vledder in zijn kielzog naar binnen.

De meeslepende tonen van een wilde tarantella vulden de kamer. Franciscus Froombosch stond trillend en bleek met de zwarte maillot in zijn hand. Verstomd en verstijfd staarden de blonde vrouw en de man naar De Cock, in een dreunende draf. De grijze speurder strekte zijn armen naar hen uit en overstemde het geluid van de tarantella.

‘Jurgen Jaarsveld en Monique van Montfoort,’ brulde hij, ‘ik arresteer u beiden als verdacht van diefstal van kunstschatten… en het opzettelijk veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel… de dood ten gevolge hebbende.’

Загрузка...