Vledder parkeerde op de Herengracht aan de wallenkant. Een fraai gelijnde rondvaartboot vol toeristen gleed als een statige witte zwaan door het troebele water. De Cock stapte niet direct uit. Hij keek naar een streepje zonlicht, dat ondanks de storm- en regenvlagen heel even speels door het groen van de overhangende bomen prikte en de golfjes bij de boeg deed glinsteren. Zijn blik bleef de rondvaartboot volgen. Soms bekroop hem de enorme behoefte om Amsterdam ook eens als een toerist te zien en niet eeuwig als een wetshandhaver, voortdurend wroetend in het kwaad.
Vledder bleef naast de Golf staan wachten. Toen het hem te lang duurde, liep hij met grote stappen om de auto heen en deed het portier naast De Cock wijd open. Op het gezicht van de jonge rechercheur lag een trek van verwarring en verbazing.
‘Hoe is het?’ vroeg hij bepaald onvriendelijk. ‘Ben je van plan om hier te blijven overnachten?’
De Cock negeerde de opmerking van zijn jonge collega. Hij stapte uit en Vledder klapte het portier achter hem dicht. Vlak voor een dreunende vrachtwagen staken de beide rechercheurs de rijbaan over.
Bij de blauwstenen trap naar het bordes van een fraai grachtenpand stond een jonge diender. Zijn gezicht kwam De Cock vaag bekend voor, maar hij kon er geen naam bij bedenken.
‘Ben jij Jansen?’ gokte hij.
De jonge diender lachte.
‘Van Houweningen… Hendrik van Houweningen.’
De Cock grijnsde.
‘Ik ben slecht in namen,’ verontschuldigde hij zich. ‘Heb jij om de recherche gevraagd?’
Hendrik van Houweningen knikte nadrukkelijk. Hij duimde over zijn brede linkerschouder.
‘Daarboven, in de achterkamer, ligt op de vloer een dode man in een maillot. Ik had van collega’s in de wachtkamer gehoord, dat zij in korte tijd al tweemaal een dode man in een maillot hadden aangetroffen en dat zij bij de tweede maal de recherche hadden laten komen omdat ze het niet helemaal meer vertrouwden.’ De jonge diender wuifde achter zich. ‘Mijn collega en ik vonden het raadzaam om ook nu de recherche te waarschuwen. Driemaal… driemaal is scheepsrecht.’
De Cock glimlachte om de uitdrukking.
‘Zijn er sporen van braak?’
Hendrik van Houweningen schudde zijn hoofd.
‘Volgens mij is alles puntgaaf. Niet alleen hier aan de voorkant. De achterkant van het pand grenst aan een mooie diepe tuin. Maar ook daar heb ik geen sporen van braak of verbreking kunnen ontdekken.’
‘Zijn jullie met een surveillancewagen?’
‘Ja.’
‘Wie heeft jullie hierheen gedirigeerd?’
‘De wachtcommandant van de Warmoesstraat. Hij had een telefoontje gekregen van een vrouw.’
‘Een vrouw?’
Hendrik van Houweningen knikte.
‘Een nicht.’ De jonge diender grinnikte. ‘Een echte nicht. Ze wilde haar oom bezoeken. Tot haar verbazing was de voordeur niet afgesloten… stond op een kier… en vond ze oom dood in de achterkamer.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Waar is die echte nicht nu?’
Hendrik van Houweningen draaide zich half om.
‘Boven, bij mijn collega.’ De jonge diender liep een paar treden de blauwstenen trap op. ‘Zal ik even voorgaan?’
De Cock knikte.
De beide rechercheurs liepen achter de jonge diender aan naar het bordes en vandaar via een ruime hal en een brede marmeren gang naar een hoog, overwegend in Queen Anne-stijl gemeubileerd vertrek. Twee smalle beregende ramen gaven uitzicht op een groepje oude iepen, waarvan de kruinen zwiepten in de wind.
Naast een ronde biedermeiertafel lag op een lichtblauw tapijt het lichaam van een man met grijzend haar, die gekleed was in een nauwsluitende zwarte maillot. Hij lag op zijn rug… zijn benen iets uiteen en zijn armen wijd gespreid. De vingers staken geklauwd omhoog.
Eén enkele blik in het gezicht met de half geloken ogen vertelde De Cock, dat de man reeds geruime tijd geleden was overleden. De oude rechercheur knielde bij de dode neer. Zijn belangstelling gold de rechteronderarm. Zoals hij verwachtte, ontdekte hij op die onderarm een kleine rode zwelling met in het midden een donker gekleurd punctieplekje.
De oude knieën van de grijze speurder kraakten toen hij overeind kwam. De Cock wendde zich met een ernstig gezicht tot Hendrik van Houweningen.
‘Wie… eh, wie zijn er gewaarschuwd?’
De jonge diender keek hem wat verward aan.
‘Alleen de Geneeskundige Dienst om een dokter voor de doodschouw.’ Hij blikte om zich heen. ‘Meer is toch niet nodig?’
De Cock gebaarde in zijn richting.
‘Vraag via de mobilofoon aan de wachtcommandant of hij ook een fotograaf en een man van de Dactyloscopische Dienst wil waarschuwen.’
Hendrik van Houweningen verliet het vertrek en De Cock keek naar een vrouw, die met een bleek gezicht naast een kabinet tegen de muur geleund stond. De oude rechercheur schatte haar tegen de dertig. Ze droeg een roodlederen mantelpakje, waaronder een witte blouse met volants. Haar donkerbruine haren waren steil, kort geknipt met een pony.
De grijze speurder liep op haar toe, nam beleefd zijn hoedje af en maakte een lichte buiging.
‘Mijn naam is De Cock,’ sprak hij vriendelijk. ‘De Cock met ceeooceekaa.’ Hij wees opzij. ‘Verderop staat mijn collega Vledder. Wij zijn rechercheurs van politie, verbonden aan het bureau Warmoesstraat.’ De grijze speurder glimlachte. ‘En u bent?’
De vrouw kwam iets van de muur vandaan. Met haar lichtgroene, zacht fluorescerende ogen keek ze even naar hem op. Om haar mond gleed een vermoeide glimlach.
‘Nanette,’ sprak ze bijna fluisterend. ‘Nanette van Noordeinde.’
De Cock slikte.
‘Van Noordeinde?’ vroeg hij geschokt.
De vrouw knikte.
‘Van Noordeinde,’ herhaalde ze zacht.
De Cock wees achter zich naar de dode op de vloer.
‘Die… eh, die… eh,’ stotterde hij, ‘die man daar is uw oom?’
De vrouw knikte opnieuw.
‘Nicolaas van Noordeinde.’
De Cock draaide zich om en keek verwilderd om zich heen.
‘Zijn verzameling… zijn verzameling klokken, horloges, pendules?’
Nanette van Noordeinde liet haar hoofd iets zakken.
‘Weg,’ sprak ze hees. ‘Ik heb gekeken… er is geen stuk meer in huis.’ Ze zuchtte diep. ‘Soms kun je aan het stof zien waar ze hebben gestaan.’
Bram van Wielingen zette zijn aluminium koffer op het tapijt en keek naar de dode op de vloer. Daarna blikte hij omhoog naar De Cock.
‘Moord?’ vroeg hij weifelend.
De grijze speurder trok zijn schouders op.
‘Misschien,’ antwoordde hij achteloos.
De fotograaf keek hem niet-begrijpend aan.
‘Hoe bedoel je… misschien?’
‘Ik weet het nog niet.’
Bram van Wielingen grijnsde.
‘Als jij het niet weet… wat moet ik hier dan doen?’
De fotograaf schudde zichtbaar geërgerd zijn hoofd. ‘Of denk je dat het mijn taak is om elke dooie vent te fotograferen?’
De Cock wuifde zijn opmerking weg.
‘Maak de foto’s die ik nodig heb,’ sprak hij streng, ‘en laat de rest aan mij over.’
Bram van Wielingen nam zijn Hasselblad uit de koffer en monteerde een flitslamp.
‘Zoals je wilt,’ sprak hij gemelijk. Hij wees naar het lijk op de vloer. ‘Ik zie niets aan die vent.’
De Cock trok een grimas.
‘Je hebt gelijk… er stroomt geen bloed uit.’ De oude rechercheur knielde opnieuw bij de dode neer en wees naar de kleine rode zwelling op de rechteronderarm. ‘Ik wil ook dat je dit voor mij vastlegt.’
Bram van Wielingen boog zich over hem heen.
‘Die muggenbult?’ vroeg hij verwonderd.
De Cock kwam weer overeind. Zijn gezicht stond strak.
‘Die muggenbult,’ herhaalde hij knikkend.
Bram van Wielingen trok een bedenkelijk gezicht.
‘Ik weet niet of dat lukt,’ sprak hij tegenstribbelend.
De Cock grijnsde breed.
‘Wat je kunt zien… kun je ook fotograferen. Dat weet jij dekselsgoed. Ik wil die… eh, die muggenbult… in kleur.’
Bram van Wielingen keek hem een paar seconden aan. Weifelend. Toen bracht hij zijn camera in stelling en flitste in het gelaat van de dode.
De Cock zuchtte. Hij had een dergelijke houding van de fotograaf wel verwacht. Bram van Wielingen was een uitstekend vakman, maar wanneer een misdaad zich niet in volle duidelijkheid manifesteerde, werd hij opstandig. Veel van zijn collega’s, zo wist de oude rechercheur uit ervaring, reageerden onder zulke omstandigheden op dezelfde manier. Vaag- en onzekerheden hadden een slechte invloed op hun humeur.
De Cock draaide zich om. In de deuropening van het vertrek stond dokter Den Koninghe. Zijn groen uitgeslagen garibaldihoed stond iets scheef op zijn hoofd. Achter hem torenden twee geüniformeerde broeders van de Gemeentelijke Geneeskundige Dienst met hun brancard.
De Cock liep aarzelend op de kleine lijkschouwer toe. De oude rechercheur was wat verlegen met de situatie. Bij de sterfgevallen van Zadok van Zoelen en Christiaan Cornelissen was het tussen hem en de dokter tot heftige discussies gekomen. De Cock had die discussies als pijnlijk ervaren en wenste ze niet meer. Hij was te zeer op de oude lijkschouwer gesteld en wilde geen verwijdering… geen verkoeling van hun wederzijdse genegenheid.
De Cock drukte dokter Den Koninghe hartelijk de hand en bracht een vermoeide glimlach op zijn gezicht. Daarna wees hij achter zich naar de dode op de vloer. ‘Ik vrees,’ sprak hij voorzichtig, ‘dat ik uw diagnose straks opnieuw in twijfel zal trekken.’
De kleine lijkschouwer keek naar hem op.
‘Dat mag,’ reageerde hij gelaten, ‘dat mag… in alle redelijkheid. Jij hebt je eigen verantwoordelijkheden. En dat geldt ook voor mij.’
Hij liep voor De Cock langs, trok de pijpen van zijn streepjespantalon iets op en knielde bij de dode neer. Nadat hij de half geloken ogen had toegedrukt en het lichaam nauwkeurig had onderzocht, nam hij de rechterarm nog eens op en bekeek wederom de kleine zwelling. Na een poosje kwam hij met krakende knieën overeind.
De Cock keek dokter Den Koninghe verwachtingsvol aan, maar vroeg niets.
De kleine lijkschouwer nam zijn metalen brilletje af, trok de witzijden pochet uit het borstzakje van zijn jaquet en poetste zijn glazen.
‘Hij is dood,’ sprak hij achteloos, ‘al vele uren. En het zal je spijten… hij stierf aan een gewone hartverlamming.’ Den Koninghe zette zijn bril weer op en borg zijn pochet weg. Hij gebaarde naar de dode op de vloer. ‘En die lichte zwelling op zijn rechteronderarm…’
De Cock onderbrak hem vinnig.
‘Ik weet het… een insectenbeet.’
Bram van Wielingen liep op De Cock toe.
‘Ik heb die dode man van alle kanten gefotografeerd. Ook die muggenbult op zijn arm heb ik in kleur. Zijn er verder nog wensen?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Bedankt.’
De fotograaf borg zijn Hasselblad en flitslicht weg, klapte zijn aluminium koffer dicht en dreunde de kamer uit. Ben Kreuger, die net binnenstapte, keek hem verwonderd na.
‘Wat is er met hem?’
De Cock glimlachte.
‘Hij heeft de pest in… denkt dat hij hier voor tjoema heeft gefotografeerd.’
‘Waarom?’
De Cock gebaarde naar de dode op de vloer.
‘Aan het lijk is niets te zien. Maar dit is al de derde keer, dat ik een dode man in zo’n mallotige maillot aantref. En steeds blijkt achteraf, dat de kunstverzameling van de overledene op een raadselachtige wijze is verdwenen.’ De oude rechercheur grinnikte vreugdeloos. ‘Ik kan best met toevalligheden leven… maar bij een teveel aan toevalligheden word ik toch echt achterdochtig.’
De dactyloscoop trok een ernstig gezicht.
‘Denk je dat die man is vermoord?’
De Cock schoof zijn onderlip vooruit.
‘Daar zijn geen aanwijzingen voor,’ antwoordde hij licht geprikkeld. ‘De doodsoorzaak is steeds hartverlamming… een hele gewone, uiterst degelijke natuurlijke dood. De vorige keer heb ik tot ongenoegen van alles en iedereen zelfs een gerechtelijke sectie laten verrichten.’
‘En?’
De Cock trok een grimas.
‘Niets, totaal niets. Geen enkele aanwijzing voor een gewelddadige dood.’
Ben Kreuger knikte begrijpend.
‘Wat verwacht je van mij?’
De Cock wuifde om zich heen.
‘Vreemde greepjes. Vingerafdrukken van mensen die hier niet regelmatig over de vloer komen.’
Ben Kreuger glimlachte beminnelijk.
‘Ik zal mijn best voor je doen.’
De Cock keek hem dankbaar aan.
‘Neem eerst even de vingerafdrukken van het lijk, dan kan ik dat laten afvoeren.’
Ben Kreuger knikte begrijpend. Hij schoof een kaartje in een halfronde metalen houder, smeerde een vingertop van de dode in en bracht — de houder draaiend — de afdruk op het kaartje over.
Nadat de dactyloscoop alle afdrukken van de dode had overgenomen en de vingers had gereinigd, wenkte De Cock de broeders van de Geneeskundige Dienst naderbij. In een snelle reeks routinehandelingen bonden zij de dode man op hun brancard en droegen hem weg.
De Cock keek hen na en vroeg zich af hoeveel lijken hij in zijn lange rechercheleven al op die manier had zien wegdragen. Daarna draaide hij zich om en liep naar Nanette van Noordeinde. Ze stond nog steeds met een bleek gezicht naast het kabinet tegen de muur geleund.
‘Droeg uw oom in huis vaak een maillot?’
Nanette van Noordeinde kwam iets van de muur vandaan en schudde haar hoofd. ‘Ik heb mijn oom nog nooit in een maillot gezien.’ Ze keek met haar lichtgroene ogen even spottend naar hem op. ‘Oom Nicolaas had er ook het figuur niet naar.’
De Cock negeerde de opmerking.
‘Kwam u dikwijls bij uw oom op bezoek?’
Nanette van Noordeinde maakte een vaag gebaar.
‘Niet dikwijls… maar toch wel een of twee maal in de maand.’
‘Kwamen er, buiten u, ook andere familieleden op bezoek?’
Nanette van Noordeinde knikte.
‘Mijn broer Nabor… Nabor van Noordeinde… een financieel expert. Hij is erg op oom Nicolaas gesteld. Hij behandelt ook zijn geldzaken.’
‘Hebt u hem al gewaarschuwd?’
‘Nee.’
‘U gaat dat wel doen?’
‘Zeker.’
‘Wilt u dan aan uw broer vragen of hij in de loop van de avond even bij mij aan de Warmoesstraat komt?’
Nanette van Noordeinde knikte weer.
‘Moet ik verder nog iets doen?’
De Cock ademde diep.
‘U kunt de toebereidselen tot de begrafenis beter aan uw broer overlaten,’ sprak hij vriendelijk. ‘Daar zijn financiën mee gemoeid.’
Nanette van Noordeinde spreidde haar beide handen.
‘Ik bedoel… iets doen inzake die verdwenen klokkenverzameling.’
De Cock gebaarde in haar richting.
‘Bestaat er een inventarisatie… een nauwkeurige beschrijving van de verdwenen voorwerpen?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Was de klokkenverzameling verzekerd?’
Nanette schonk hem een vermoeide glimlach.
‘Daar was oom Nicolaas mee bezig. Een familielid van een vroegere vriend van hem zou dat verzorgen.’
De Cock kneep zijn wenkbrauwen samen.
‘Hebt u in dit verband wel eens een naam horen noemen?’ vroeg hij voorzichtig.
Nanette van Noordeinde knikte.
‘Carry… Carry Cornelissen.’