15

Toen De Cock de volgende morgen meer dan een een uur te laat en met een nog zacht gonzend hoofd van de verrukkelijke Savigny-les-Beaune de grote recherchekamer binnenstapte, keek Vledder naar hem op en strekte zijn rechterhand naar hem uit. ‘Ik heb er lang over moeten nadenken, maar ik weet nu bij wie jij gisteravond nog zo laat op bezoek bent geweest.’

De Cock glimlachte.

‘Nou?’ reageerde hij uitdagend.

‘Bij die vriend van jou… die vreemde kunstenmaker op de Noordermarkt… Peter Karstens.’

De Cock zwaaide afwerend.

‘Peter Karstens is geen kun-sten-maker, maar een begenadigd kunstenaar.’

Vledder snoof.

‘Een gore vervalser.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Geen vervalser,’ verbeterde hij geduldig, ‘maar een imitator. Wanneer hem dat vriendelijk wordt gevraagd en de geldelijke beloning voldoende is om er een leuke partij goede bourgognes van aan te kopen, imiteert hij het werk en de stijl van andere kunstenaars… uit welk tijdperk dan ook. En dat doet Peter Karstens op voortreffelijke en zeer kunstzinnige wijze. Ik heb thuis boven het dressoir van hem een Monet hangen, die ik niet voor het origineel zou willen ruilen.’

Vledder lachte smalend.

‘Dat doek is niets waard.’

De Cock hield zijn hoofd iets scheef.

‘Voor anderen misschien niet,’ sprak hij kalm, achteloos. ‘Voor mij wel.’

De oude rechercheur zweeg even en ging achter zijn bureau zitten.

‘Daarom zal ik je ook even uitleggen,’ ging hij op rustige toon verder, ‘waarom ik gisteravond alleen op pad ging. Dat was ten opzichte van jou geen blijk van wantrouwen. Zo moet je dat beslist niet zien. Maar Peter Karstens heeft een gruwelijke hekel aan onze min of meer geordende maatschappij… staat vijandig tegen alles wat naar overheid zweemt en heeft vooral een aversie tegen het gezag.’

Vledder grinnikte.

‘Maar jij vertegenwoordigt toch dat gezag?’

De Cock knikte.

‘Dat weet Peter Karstens heel goed. Daarover bestaat tussen ons dan ook geen verschil van mening. Ik ben mij er terdege van bewust, dat hij mijn functie als gezagdrager… rechercheur van politie veracht… toch vertrouw ik op zijn persoonlijke vriendschap… op de genegenheid, de waardering, die de kunstenaar ondanks dat voor mij koestert… vandaar mijn eenzame missie. Met jou in mijn nabijheid zou hij mij vermoedelijk niets wezenlijks hebben verteld.’

‘En?’

‘Wat bedoel je?’

Vledder gebaarde.

‘Heeft jouw eenzame missie iets opgeleverd?’

Het klonk wat cynisch.

De Cock bracht zijn handen naar voren en drukte de vingertoppen tegen elkaar. ‘De valse schilderijen die in het huis van Christiaan Cornelissen hangen, zijn door Peter Karstens gemaakt.’

Vledder keek hem met grote ogen aan.

‘In opdracht van wie?’

De Cock maakte een grimas.

‘Een Engelsman… ene Sir Stephen Warwick-Benson.’

Vledder trok een vies gezicht.

‘Kennen we die?’

De Cock trok zijn schouders op.

‘Voor mij nieuw. Ik heb die naam nog nooit eerder horen noemen.’

Vledder boog zich naar voren.

‘Hoe weet je zo zeker, dat de vervalsingen die Peter Karstens van Marc Chagall maakte, dezelfde vervalsingen zijn, die in het huis van wijlen Christiaan Cornelissen hangen?’

De Cock gebaarde voor zich uit.

‘Peter Karstens had van die vreemde Sir Stephen Warwick-Benson… volgens de kunstenaar een Engelsman met een Amerikaans accent… een Frans boek over het werk van Marc Chagall gekregen en daarin waren de schilderijen aangekruist die Peter Karstens voor die Engelsman moest namaken… vervalsen… kopiëren… imiteren… hoe je het ook noemen wil. Ik heb wel niet zo erg veel ervaring met kunst, maar voor zover ik dat kan beoordelen, waren dat dezelfde schilderijen die in het huis van Christiaan Cornelissen hingen. Bovendien is dat gemakkelijk te verifiëren. Peter Karstens geeft aan zijn werkstukken altijd een merkteken mee, zodat hij later zijn eigen vervalsingen kan herkennen. Voor alle zekerheid kunnen wij hem de schilderijen in het huis van wijlen Christiaan Cornelissen laten zien.’

Vledder knikte traag.

‘Sir Stephen Warwick-Benson,’ sprak hij peinzend. De jonge rechercheur proefde de naam op zijn tong. ‘Het klinkt heel indrukwekkend… chic, deftig.’ Hij keek op. Sir voor de doopnaam is toch een Engelse titel?’

De Cock schoof zijn onderlip naar voren.

‘Ik heb mij nooit zo in de Engelse adel verdiept,’ antwoordde hij vaag, ‘maar volgens mij wordt in Engeland die titel verleend aan iemand die zich op een of andere manier voor de samenleving bijzonder verdienstelijk heeft gemaakt.’

Vledder grinnikte.

‘Waarom komt zo’n man uitgerekend naar ons Amsterdam om schilderijen te laten vervalsen… vervalsingen, die later in het huis van een dode Christiaan Cornelissen worden teruggevonden?’ De jonge rechercheur trok een denkrimpel in zijn voorhoofd. ‘Zullen we Scotland Yard vragen of ze daar ene Sir Stephen Warwick-Benson kennen?’

De Cock tuitte zijn lippen.

‘Laten we daar nog even mee wachten,’ sprak hij afwijzend. ‘Mogelijk is die naam vals… een verzinsel van een of andere oplichter… misschien heeft iemand zich wel ten onrechte de fraaie titel van Sir aangemeten. Zolang ik daarover geen volledige zekerheid heb, voel ik er weinig voor om onze vrienden van Scotland Yard met een hoop werk op te zadelen.’ De grijze speurder strekte zijn wijsvinger naar Vledder uit. ‘Probeer Ellen van Zoelen en Wladimir Wiardibotjov te bereiken en vraag of ze zich vanmorgen nog op het hoofdbureau van politie bij de tekenaar van de Herkenningsdienst willen vervoegen.’

De jonge rechercheur keek hem verrast aan.

‘Waarom?’

De Cock trok zijn gezicht strak.

‘Zij zijn de enige twee nog in leven, die wij kennen, die hem ooit hebben ontmoet… Ellen van Zoelen op het station in Utrecht en Wladimir Wiardibotjov ten huize van haar oom Zadok… Ik wil een compositiefoto van die duistere Carry Cornelissen.’


Ze liepen vanuit de Warmoesstraat via de Oudebrugsteeg naar de Nieuwendijk. De hemel was zwaar bewolkt, maar het regende niet. De Cock schoof zijn oude hoedje iets naar achteren en blikte opzij.

‘Gaan ze?’

Vledder knikte.

‘Ik kreeg ze gelukkig gauw te pakken. Ellen van Zoelen en Wladimir Wiardibotjov hebben mij beloofd, dat zij vanmorgen nog naar het hoofdbureau van politie aan de Elandsgracht zouden gaan. Ik heb ook de luitjes van de Herkenningsdienst gezegd dat zij moeten komen en wat de bedoeling was.’

‘Mooi.’

Vledder keek hem van terzijde niet-begrijpend aan.

‘Wat wil je met zo’n compositiefoto?’

De Cock streek met zijn pink over de rug van zijn neus.

‘Denk eens goed na… Wat zei Wladimir Wiardibotjov van de man, die door zijn oom Zadok heel familiaar Carry werd genoemd?’

Vledder trok zijn schouders op.

‘Ik weet niet wat je bedoelt.’

De Cock grijnsde.

‘Wladimir zei dat die Carry een zwak Amerikaans accent had.’ Hij zweeg even voor het effect. ‘En wat was volgens Peter Karstens die Sir Stephen Warwick-Benson, die schilderijen van Marc Chagall bij hem bestelde? Een Engelsman met een Amerikaans accent.’

De mond van Vledder viel open.

‘Jij vermoedt dat Sir Stephen Warwick-Benson en Carry Cornelissen een en dezelfde persoon zijn… dat Carry Cornelissen zich bij Peter Karstens als Sir Stephen Warwick-Benson heeft gepresenteerd.’

De Cock knikte.

‘En om dat vast te stellen, heb ik een compositiefoto nodig. Begrijp je, die laat ik dan aan mijn vriend Peter Karstens zien. En als mijn vermoeden juist is, dan denk ik er toch hard over om officieel de opsporing van Carry Cornelissen te verzoeken.’

‘Als verdacht van…?’

De Cock gebaarde voor zich uit.

‘Diefstal van een kostbare verzameling echte Marc Chagalls.’

‘Ten nadele van…’

‘Neef Christiaan… de erfgenaam. Ik ga er nog steeds van uit, dat de vervalsingen pas na de dood van de oude heer Cornelissen voor de echte schilderijen zijn verruild.’

Vledder keek hem vragend aan.

‘Zijn we er dan?’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Je bedoelt,’ sprak hij ongelovig, ‘dat na een eventuele arrestatie van Carry Cornelissen de gehele affaire is opgelost?’

‘Ja.’

De grijze speurder schudde resoluut zijn hoofd.

‘We missen dan nog de antieke zilververzameling van Zadok van Zoelen en de klokken, horloges en pendules van Nicolaas van Noordeinde.’ De oude rechercheur zuchtte diep. ‘Bovendien hebben we dan nog lang geen oplossing voor het mysterie van de dode mannen in hun mallotige maillots.’

Vledder grinnikte.

‘Tenzij die Carry Cornelissen ook daar de hand in heeft.’

Het gezicht van De Cock versomberde.

‘In feite hangt alles af van onze prognose, dat Carry Cornelissen en Sir Stephen Warwick-Benson identieke personen zijn. Er lopen in ons criminele wereldje genoeg mensen rond met een Amerikaans accent. Bovendien is zo’n accent gemakkelijk te imiteren.’

Vledder gebaarde achteloos.

‘Laten we eerst de resultaten van die compositiefoto afwachten,’ sprak hij gelaten. ‘Verder speculeren heeft geen zin. Als Ellen en Wladimir inderdaad vanmorgen naar de Herkenningsdienst komen, dan kunnen we die foto vanmiddag al in ons bezit hebben.’

Ze staken de rijbaan van de Martelaarsgracht over en liepen aan het einde van de Nieuwendijk naar de Haarlemmerstraat. Het begon zachtjes te regenen… een fijne motregen, die op de huid bleef kleven. De Cock schoof zijn hoedje weer naar voren en zette de kraag van zijn regenjas op. De mogelijkheid dat Carry Cornelissen de opdrachtgever van Peter Karstens was geweest, liet hem niet los.

‘Sir Stephen Warwick-Benson… waarom zo’n imponerende naam?’ dacht hij hardop. ‘Een naam, die hij blijkbaar vaker gebruikt, want hij had die op een visitekaartje laten drukken.’

‘Heb je dat visitekaartje gezien?’

De Cock knikte.

‘Peter Karstens wilde er geen afstand van doen, anders had ik het meegenomen. Maar ik heb het bekeken. Er stond verder niets op. Geen adres, geen telefoonnummer… alleen die naam.’

Op de Haarlemmerstraat, bij het voormalige gebouw van de Westindische Compagnie, liepen ze links naar de Herenmarkt en slenterden vandaar rechts de Brouwersgracht op. Bij de Korte Prinsengracht namen ze de brug naar de oneven zijde.

De Cock wees voor zich uit.

‘Het is volgens mij voorbij de Lindengracht, maar nog voor de Goudsbloemstraat.’

Bij een statig grachtenhuis met een fraaie trapgevel bleven ze staan. De Cock belde. Na enkele minuten werd de deur geopend.

Franciscus Froombosch, gekleed in een kamerjas van felgroen fluweel, zijn onafscheidelijke degenstok in zijn rechterhand geklemd, staarde verbaasd van De Cock naar Vledder en terug.

De grijze speurder glimlachte beminnelijk, nam zijn hoedje af en maakte een beleefde buiging.

‘Wij wilden eindelijk eens gevolg geven,’ verklaarde hij vriendelijk, ‘aan uw uitnodiging om uw verzameling fraaie netsukes te bewonderen.’

Franciscus Froombosch toonde een lichte verwarring.

‘Ik… eh, ik ben nog niet geheel gekleed,’ sprak hij aarzelend. ‘Ik… eh, ik had u op dit vroege uur niet verwacht.’

De Cock lachte.

‘Wij nemen met uw kamerjas genoegen.’

Franciscus Froombosch aarzelde nog even, toen deed hij een stap opzij, hield de deur verder open en wuifde uitnodigend. ‘Kijk niet naar de bende in mijn huis. Ik ben maar een man alleen en heerszuchtige huishoudsters zijn mij een gruwel.’

De beide rechercheurs stapten langs hem heen naar binnen en bleven in de kleine hal staan, tot Franciscus Froombosch de deur achter hen had gesloten en hun sloffend voorging door een ruime donkere gang. Ongeveer in het midden van die gang opende hij rechts een deur, die toegang gaf tot twee grote kamers en suite. De schuifdeuren met glas-in-lood in Mondriaanse motieven stonden half open.

Franciscus Froombosch liet de rechercheurs plaatsnemen in brede armstoelen rondom een ovale tafel met een wijnrood pluche kleed. Het zachte wijnrood vloekte met het felle groen van zijn fluwelen kamerjas.

Franciscus Froombosch nam tegenover De Cock aan tafel plaats. ‘U… eh, u komt werkelijk voor mijn netsukes?’ vroeg hij met enige argwaan.

De Cock knikte.

‘U hebt mij nieuwsgierig gemaakt,’ sprak hij enthousiast. ‘Voordat ik u ontmoette had ik nog nooit van netsukes gehoord.’

Franciscus Froombosch kwam uit zijn stoel overeind en liep naar een ouderwetse vitrinekast, schuin achter hem. Voorzichtig opende hij een glazen deur, nam uit de kast enige beeldjes en legde die voor De Cock op het pluche tafelkleed.

‘Voilá,’ riep hij vrolijk, ‘netsukes.’ Hij boog zich iets naar voren en wees naar een slechts enkele centimeters hoog ivoren beeldje. ‘Dat is nu zo’n netsuke uit de Ashikaga-periode, waarvan ik sprak… zo ongeveer tussen 1394 en 1574.’ Zijn vinger gleed naar een ander beeldje. ‘Deze ivoren netsuke stelt een Hollandse koopman voor… uit de zeventiende eeuw. Hollandse kooplieden stonden destijds hoog in aanzien in Japan. Maar deze netsuke is toch vrij recent. Gemaakt door de beroemde Japanse kunstenaar Bishu en gedateerd 1971. Er is de laatste jaren een levendige handel in netsukes, maar men moet wel oppassen. Er zijn nogal wat vervalsingen in omloop… gegoten beeldjes van hard plastic. Maar die missen vrijwel altijd de gaatjes, waar het koord doorheen moet worden getrokken. Dat schijnt machinaal niet zo best te lukken.’

De Cock beluisterde zijn toon en bewonderde de fijne details op de uiterst kleine sculptures. Zijn blik gleed van de nietige beeldjes omhoog naar het oude gezicht van de heer Franciscus Froombosch en hij zag de stille devotie, die het uitstraalde.

‘Uw verzameling is goed verzekerd?’

Franciscus Froombosch knikte traag.

‘Maar nooit goed genoeg,’ verduidelijkte hij. ‘Onder de werkelijke waarde. Het verzekeren van zo’n verzameling levert wel wat moeilijkheden op. Vaak willen verzekeringsmaatschappijen dat men beveiligende maatregelen treft. En daar voel ik weinig voor. Ik wil mijn netsukes zien… betasten.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Is er in de afgelopen weken nog iemand bij u geweest om over een mogelijke verhoging van de verzekeringssom te praten?’

Franciscus Froombosch schudde zijn hoofd.

‘Nee… hoezo?’

De Cock gebaarde achteloos.

‘Het is zomaar een vraag.’

Franciscus Froombosch glimlachte.

‘Van u… een vraag… zonder reden? Dat kan ik mij nauwelijks voorstellen.’

De Cock negeerde de opmerking. Hij bekeek de beeldjes nog eens en gaf ze daarna voorzichtig, een voor een, aan Franciscus Froombosch terug.

Nadat de oude heer de netsukes in de vitrinekast had uitgestald en weer tegenover hem was gaan zitten, keek De Cock hem schattend aan. ‘U bent uiterlijk nog bijzonder vitaal… weerbaar.’

Franciscus Froombosch knikte.

‘Gelukkig wel,’ lachte hij. ‘Er gaat niets boven een goede gezondheid.’

De Cock plukte aan zijn onderlip.

‘En die laat niets te wensen over?’

In zijn stem trilde iets van ongeloof.

Franciscus Froombosch spreidde zijn magere handen.

‘Ouderdom komt met gebreken,’ riep hij opgewekt. Hij tikte met zijn vingertoppen tegen zijn borst. ‘Mijn oude hart wil nog wel eens protesteren.’

De Cock keek hem strak aan.

‘En voor dat protesterende hart bent u onder geneeskundige behandeling?’

‘Ja.’

‘Bij Sietse Schuringa?’

Franciscus Froombosch reageerde verrast.

‘Inderdaad… bij Sietse Schuringa.’

De Cock strekte met een ernstig gezicht zijn rechterhand naar hem uit. ‘Franciscus Froombosch,’ sprak hij gedragen, ‘u hebt al een paar maal tegen mij gezegd dat u uw netsukes wilt behouden en dat u niet dood wilt… wel laat dan nooit iemand u een maillot aantrekken.’

Загрузка...