Op het brede gezicht van De Cock lag een uitdrukking van opperste verbazing.
‘Een gewone hartverlamming?’
‘Ja.’
‘Een natuurlijke dood?’
Ellen van Zoelen keek bevreemd naar hem op.
‘Is daar iets vreemds aan?’
De directe vraag van de jonge vrouw bracht De Cock onmiddellijk tot bezinning. Van schaamte liet hij zijn grijze hoofd iets zakken.
‘Noem het van mij een afwijking,’ sprak hij zacht, verontschuldigend. ‘Een pure beroepsdeformatie. Maar wanneer men, als rechercheur aan de Warmoesstraat, een leven lang in de misdaad heeft vertoefd… is gewoon sterven bijna abnormaal.’ Hij hield zijn hoofd iets schuin. ‘U was erbij?’
‘Waarbij?’
‘Het moment van zijn sterven.’
Ellen van Zoelen schudde haar hoofd.
‘Ik ben niet eens op de begrafenis van oom Zadok geweest.’
De Cock reageerde verrast.
‘Waarom niet?’
Ellen van Zoelen trok haar schouders op.
‘Ik wist het niet. Men heeft eenvoudig vergeten mij in te lichten.’
‘Wie is men?’
‘Neef Wladimir… Wladimir Wiardibotjov. Hij heeft, voor zover ik weet, alles geregeld: het opbaren, de begrafenis.’
‘En die neef woont in Amsterdam?’
Ellen van Zoelen haalde weer haar schouders op.
‘Dat neem ik aan,’ antwoordde ze voorzichtig. ‘Volgens mij woont hij nog steeds bij zijn oude moeder aan de Bernard Zweerskade 1317.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Vreemde naam… Wladimir Wiardibotjov?’
Ellen van Zoelen knikte.
‘Enige zoon van mijn tante Rachel. Zij was met een Pool getrouwd.’
De Cock gebaarde in haar richting.
‘Opzet?’
‘Wat bedoelt u?’
‘Dat neef Wladimir u niet op de hoogte bracht van het overlijden en nadien van het begraven van oom Zadok?’
Ellen van Zoelen streek met gespreide vingers door haar blonde haren.
‘Wij… eh, wij onderhielden geen contacten… neef Wladimir en ik.’
De Cock keek haar onderzoekend aan.
‘Een vete?’
Ze schudde haar hoofd.
‘Er werd in de familie nooit over tante Rachel en haar zoon Wladimir gesproken. Ze werden doodgezwegen… alsof ze niet bestonden. Ik denk dat de familie nooit heeft willen accepteren dat tante Rachel met die Pool was getrouwd.’
De Cock veranderde van onderwerp.
‘Hoe kwam u op de hoogte van het feit dat oom Zadok gestorven was?’
‘Door een notaris… notaris Van Schelfhout uit Amsterdam. Hij ontbood mij een paar dagen geleden op zijn kantoor aan de Willemsparkweg en vertelde mij, dat ik blijkens een testament… dat al werd opgemaakt toen tante Sophie nog leefde… de enige erfgenaam was van oom Zadok.’
‘Neef Wladimir krijgt niets?’
‘Nee.’
‘U wist van dat testament?’
‘Tante Sophie en oom Zadok hadden geen kinderen. Ze maakten met mij wel eens grapjes over de erfenis. Maar ik heb dat nooit zo serieus genomen.’ Ze zweeg even. Om haar mond speelde een trieste glimlach. ‘Als ik van dat testament had geweten… misschien had ik dan de laatste jaren van zijn leven wat meer aandacht aan oom Zadok besteed.’
De Cock monsterde de uitdrukking op haar gezicht.
‘Berouw?’
Ellen van Zoelen liet haar hoofd iets zakken.
‘Een beetje wroeging… ja.’
‘Merkte u direct dat de zilververzameling van uw oom was verdwenen?’
Ze knikte.
‘Al vrij snel. Toen ik weer in dat huis aan de Keizersgracht kwam, stormden de herinneringen uit mijn jeugd op mij af. Ik ging vrijwel onmiddellijk op zoek naar dat zilveren brandewijnkommetje, waarvan ik u vertelde. Oom Zadok was aan dat kommetje bijzonder gehecht en bewaarde het op een bepaalde plek in de huiskamer.’
‘Het was er niet?’
Ellen van Zoelen schudde haar hoofd.
‘Nergens te bekennen. Ik ontdekte toen algauw, dat de gehele verzameling antieke zilverstukken van oom Zadok was verdwenen.’
De Cock boog zich iets naar haar toe.
‘Verkeerde oom Zadok kort voor zijn dood in financiële moeilijkheden?’
Ellen van Zoelen gebaarde afwerend.
‘Integendeel. Oom Zadok bezat een groot vermogen… een vermogen dat na aftrek van successierechten geheel aan mij toekomt. Als ik geen gekke dingen doe, ben ik voor de rest van mijn leven geborgen.’ Ze spreidde zuchtend haar beide handen. ‘Begrijpt u… dat is ook de reden, waarom ik zo lang heb geaarzeld om met u over het verdwijnen van die zilververzameling te spreken. Ik vond het wat gênant… alsof ik in mijn hebberigheid alles wilde bezitten.’
De Cock knikte traag voor zich uit.
‘U dacht aan neef Wladimir, die niets kreeg.’
‘Precies.’
Er verscheen een denkrimpel in zijn voorhoofd.
‘Wat bracht u ertoe om er toch met mij over te komen praten?’
Ellen van Zoelen antwoordde niet direct. Ze draaide haar hoofd iets weg. Met haar beide handen in haar schoot staarde ze enige tijd dromerig voor zich uit.
‘Oom Zadok,’ antwoordde ze zacht, ‘had een antiek houten cilinderbureau met tal van kastjes, vakken en geheime laatjes. Het stond op zijn kantoor op de eerste etage.’
Er gleed een glimlach over haar gezicht. ‘Als kind vond ik het al spannend om in al die kastjes, vakken en laatjes te snuffelen om te zien wat er in zat. Oom Zadok vond dat best.’
Ze zweeg even. Nadenkend.
‘Toen ik een paar dagen geleden in dat oude huis aan de Keizersgracht voor dat antieke houten cilinderbureau stond, kon ik ineens mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen. Precies zoals ik als kind deed, begon ik in vakken en laden te snuffelen.’
Ellen van Zoelen zweeg opnieuw. Ze bukte naar haar modieuze beugeltasje, dat zij op de vloer tegen een poot van haar stoel had gezet en tilde het op haar schoot. Met nerveuze bewegingen knipte ze de beugel open en nam er een briefje uit.
‘Dit,’ sprak ze hees, ‘vond ik in een piepklein geheim laatje.’
De oude rechercheur nam het briefje van haar aan en vouwde het open.
‘Lieve Ellen,’ las hij hardop, ‘zorg goed voor mijn antieke zilververzameling. Ik heb er een lang en zorgzaam leven aan gewijd. Door jouw erfdeel zul je financieel in staat zijn om de verzameling mogelijk uit te breiden en in onze familie te houden. Vooral dat laatste vind ik uit sentimentele overwegingen belangrijk.
Je oom Zadok.
P.S. En denk vooral niet te gauw dat ik dood ben.’
De Cock staarde nadenkend voor zich uit. De mooie Ellen van Zoelen was vertrokken, maar de zoete geur van haar parfum zweefde nog om hem heen, kleefde aan het vreemde briefje dat voor hem op zijn bureau lag. P.S. dreunde het door zijn hoofd, En denk vooral niet te gauw dat ik dood ben.
De grijze speurder trok zijn linkerschouder iets op en vroeg zich ernstig af welke betekenis hij aan die paar woorden moest hechten. Wanneer en vooral waarom had de oude Zadok van Zoelen dat vreemde briefje geschreven… en nooit verzonden? Gebeurde dat in een opwelling… een plotselinge opwelling in een moment van nostalgie en sentiment?
Vledder kwam vanachter zijn bureau vandaan, schoof een stoel bij en ging er naast De Cock omgekeerd op zitten. Hij wees naar het briefje.
‘Je bent toch, hoop ik, niet van plan om daar iets aan te doen?’
De Cock keek naar hem op.
‘Waarom niet?’
Vledder grijnsde.
‘Dat betekent toch niets… En-je-moet-niet-te gauw-denken-dat-ik-dood-ben? Ik bedoel… je moet daar geen mysteries achter zoeken.’
‘Niet?’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Oom Zadok heeft op een zeker moment aan zijn nicht Ellen duidelijk willen maken, dat ze hem niet langer moest verwaarlozen, dat zij hem niet te gauw als dood moest beschouwen.’
De Cock glimlachte.
‘Dat is een heel acceptabele uitleg,’ sprak hij bewonderend. ‘Blijft toch, dat die zilververzameling is verdwenen.’
Vledder zuchtte omstandig.
‘Wat wil je daar nu mee doen?’ vroeg hij niet-begrijpend. ‘Oom Zadok kan zijn zilververzameling al wel lang geleden hebben verkwanseld, verkocht, aan iemand cadeau gedaan.’
De Cock trok een bedenkelijk gezicht.
‘Je hebt het van Ellen gehoord… oom Zadok verkeerde niet in financiële moeilijkheden. Er bestond voor hem geen enkele noodzaak om zich van zijn zilververzameling te ontdoen.’
Vledder gebaarde wanhopig.
‘Wat weten wij van die oom Zadok?’ riep hij fel, geëmotioneerd. ‘Nicht Ellen van Zoelen, die nu plotseling al zijn bezittingen erft, heeft in vijf jaar niet naar hem omgekeken.’ De jonge rechercheur zwaaide met zijn armen. ‘Misschien was er in de laatste jaren van zijn leven iemand die wel naar hem omkeek… iemand die wel belangstelling voor hem toonde en die hij uit gevoelens van dankbaarheid zijn kostbare zilververzameling heeft geschonken!’
De Cock strekte zijn wijsvinger naar hem uit.
‘Je wilt zeggen dat er nog geen sprake van misdrijf hoeft te zijn?’
Vledder knikte instemmend.
‘Precies. Het is geen zaak voor ons. Laat die Ellen van Zoelen… als ze daar zin in heeft… zelf maar uitzoeken waar de zilververzameling van haar oom Zadok is gebleven.’
De Cock gebaarde voor zich uit.
‘Dat briefje heeft haar op haar verantwoordelijkheid gewezen.’
‘Je bedoelt… ten aanzien van het behoud van die zilververzameling in de familie?’
‘Ja.’
Vledder snoof.
‘Laat ze die verantwoordelijkheid dan ook zelf dragen en er ons niet mee opzadelen.’
Het klonk agressief.
De Cock keek zijn jonge collega enige seconden nadenkend aan. Toen kwam hij uit zijn stoel overeind en slenterde naar de kapstok.
Vledder kwam hem na.
‘Waar ga je heen?’
De oude rechercheur antwoordde niet. Hij schoof zijn vilten hoedje over zijn grijze haardos en wurmde zich in zijn regenjas.
Vledder pakte hem bij zijn arm vast.
‘Waar ga je heen?’ herhaalde hij.
De Cock grijnsde.
‘Neef Wladimir vragen waarom hij vergat dat hij een nicht had.’
Ze verlieten in hun nieuwe Golf de steiger achter het politiebureau. Vanaf de Oudebrugsteeg reden ze naar het Damrak. Het regende nog steeds, kalm, gestaag en zo nadrukkelijk, dat het leek alsof het verder in Amsterdam eeuwig zou blijven regenen.
De Cock keek naar het brede trottoir, de mensen in plastic en de felgekleurde lichtreclames, spiegelend in het natte asfalt.
Vledder zat mokkend naast hem achter het stuur. De jonge rechercheur begreep niet, waarom De Cock het vele werk in de laden van zijn bureau liet liggen om achter een zaak van niets aan te gaan. Want, dat was het in zijn ogen… een zaak van niets… een erfeniskwestie, waarmee de recherche, zo meende hij, zich niet diende te bemoeien.
Bernard Zweerskade 1317 bleek een statig oud pand, herinnerend aan een tijd van vergane glorie, toen Amsterdam-Zuid nog de plek was, waar de beter gesitueerde Amsterdammers woonden.
De Cock bezag het zwaar gehavende ovale naambordje met W. Wiardibotjov in zwarte emaille letters op een wit vlak en drukte op de bel.
Na luttele minuten werd de deur geopend door een jongeman in een zwarte slobbertrui met een col en een vale spijkerbroek met bleekvlekken. Zijn donkere ogen onder een verwilderde haardos keken argwanend van De Cock naar Vledder en weer terug.
De grijze speurder maakte een lichte buiging en nam beleefd zijn hoedje af.
‘Mijn naam is De Cock,’ sprak hij vriendelijk. ‘De Cock met ceeooceekaa.’ Hij duimde opzij. ‘Dat is mijn collega Vledder. Wij zijn rechercheurs van het politiebureau aan de Warmoesstraat.’
De argwanende blik in de ogen van de jongeman bleef.
‘Rechercheurs?’
De Cock knikte.
‘U bent Wladimir Wiardibotjov?’
‘Inderdaad.’
‘Wij wilden even met u praten… iets vragen over… eh, over de dood van uw oom Zadok.’
Wladimir Wiardibotjov fronste zijn wenkbrauwen. Even leek hij besluiteloos. Toen deed hij de deur verder open en zwaaide uitnodigend.
‘Komt u verder.’
De jongeman ging de beide rechercheurs voor door een lange gang naar een ruime zitkamer, waarin centraal een kale rechthoekige tafel stond, met daaromheen stoelen, bekleed met half versleten en rafelig groen gobelin.
Iets van de tafel af, in een stoel met een hoge rugleuning, zat een oude vrouw. Haar beide voeten steunden op een krukje.
Wladimir Wiardibotjov gebaarde in haar richting.
‘Mijn oude moeder.’ In zijn stem trilde tederheid. ‘Ze is doof. Het heeft geen zin om haar aan u voor te stellen. Later… als u straks weg bent, leg ik haar alles wel uit.’
De Cock schonk de oude vrouw een milde glimlach. Daarna nam hij aan tafel plaats en legde zijn oude hoedje naast zich op het parket.
Wladimir Wiardibotjov ging tegenover hem zitten.
‘Ik begrijp niet wat u mij nog hebt te vragen,’ sprak hij met enige verwondering. ‘Ik heb de politie al uitvoerig ingelicht.’
‘Wanneer?’
‘Toen ik hem vond.’
De Cock kneep zijn ogen half dicht.
‘U vond oom Zadok?’
Wladimir Wiardibotjov knikte.
‘Ik had eerst gebeld. Een paar maal… steeds langduriger, maar niemand in huis reageerde. Toen ik aan de buitendeur voelde, bleek mij dat die niet was vergrendeld… niet op slot. Ik ben naar binnen gegaan en vond oom Zadok beneden in zijn woonkamer.’
‘Dood?’
Wladimir Wiardibotjov knikte vaag.
‘Ik heb toen onmiddellijk de politie gebeld. Die was er in enkele minuten… twee agenten in een wagentje. Ze waren heel vriendelijk. We hebben samen gewacht op een dokter van de Gemeentelijke Geneeskundige Dienst voor de lijkschouw. Toen die zei dat oom Zadok aan een hartverlamming was overleden, hebben de agenten een verklaring van mij opgenomen en mocht ik gaan.’
De Cock keek hem strak aan.
‘Waarom belde u onmiddellijk de politie… dacht u aan een misdrijf?’
Wladimir Wiardibotjov gebaarde wat voor zich uit.
‘Ik vond dat hij er zo vreemd bij lag.’
‘Hoezo… vreemd?’
Wladimir Wiardibotjov grijnsde.
‘In een mallotige maillot.’
‘Een mallotige maillot?’
Wladimir Wiardibotjov glimlachte.
‘Het was een gewone maillot, maar hij stond die oude man zo mallotig. Met zijn korte dunne spillebeentjes en zijn gezwollen buik in een strakke maillot… het was een belachelijk gezicht.’
‘En zo vond u hem?’
Wladimir Wiardibotjov knikte.
‘In zijn woonkamer… liggend op zijn rug en zijn armen gespreid… alsof hij daar zo was neergevallen.’
‘Vredig?’
‘Zeker.’
‘Was oom Zadok erg oud toen hij stierf?’
Wladimir Wiardibotjov schudde zijn hoofd.
‘Hij is drieënzestig jaar geworden.’
De Cock schoof zijn onderlip vooruit.
‘Jong… de mensen worden tegenwoordig aanmerkelijk ouder.’
Wladimir Wiardibotjov knikte instemmend.
‘Oom Zadok van Zoelen leed al jaren aan een zwak hart. Hij had al een paar maal een ernstige waarschuwing gehad. Drie maanden geleden is hij nog een paar dagen in het AMC-ziekenhuis opgenomen geweest. Doktoren hadden hem ook aangeraden om wat kalm aan te doen, maar ik geloof niet dat oom Zadok zich daar veel van aan trok. Hij sjouwde nog bijna dagelijks allerlei antiekveilingen af om te zien of hij ergens een fraai stukje zilver kon bemachtigen.’
De Cock keek de jongeman onderzoekend aan.
‘Was… eh, was dat zijn… eh, zijn hobby… het verzamelen van antiek zilver?’ vroeg hij overbodig.
Wladimir Wiardibotjov grinnikte.
‘Hobby? Hij was er van bezeten. Antiek zilver was het enige onderwerp dat hem interesseerde… waarover je met hem kon praten.’
De Cock gebaarde voor zich uit.
‘U had regelmatig contact met hem?’
Wladimir Wiardibotjov schudde zijn hoofd.
‘Niet regelmatig. Ongeveer een jaar geleden heb ik voor het eerst de stoute schoenen aangetrokken om hem te bezoeken. Ik had oom Zadok voordien nooit ontmoet.’
Op het gezicht van de jongeman kwam een verbeten trek. ‘Mijn moeder is een echte Van Zoelen… oudste zuster van oom Zadok. Maar niemand van de familie heeft ooit naar haar omgekeken… ook niet nadat mijn vader was gestorven en moeder met mij onbemiddeld achterbleef.’ Wladimir Wiardibotjov zweeg even. Grinnikte daarna vreugdeloos. ‘Men vond dat ze beneden haar stand was getrouwd… of zoiets. Ik weet bij benadering niet wat er in het verleden is voorgevallen. Niemand heeft mij dat ooit willen vertellen… zelfs mijn moeder niet.’
De Cock plukte aan zijn onderlip.
‘Wat gebeurde er een jaar geleden… ik bedoel: die stoute schoenen, die u aantrok?’
Wladimir Wiardibotjov boog zijn hoofd.
‘Ik had een goede baan, maar de gezondheid van moeder ging zienderogen achteruit. Ik durfde haar op het laatst niet meer alleen thuis te laten. Ik heb toen uit ellende mijn baan opgezegd.’
De Cock spreidde zijn handen.
‘Kon u haar niet in een ziekenhuis laten opnemen… of in een inrichting voor bejaarden?’
Wladimir Wiardibotjov schudde bedroefd zijn hoofd.
‘Ik heb alle instanties afgelopen, die ik maar kon bedenken. En telkens had men bezwaren. Ze was of niet oud… of niet ziek genoeg. Maar nergens had men een plaats voor haar. We hebben hier in Nederland prachtige sociale voorzieningen, maar een mens moet niet oud worden… en ziek. Toen ik weer eens nul op mijn rekest had gekregen en op weg was naar huis, sloeg ik mijzelf tegen mijn hoofd en zei: Wladimir… zoon van een trotse vader… wat ben je nu aan het doen… loop je met de ziel van je oude moeder te leuren?’
‘En toen?’
De jongeman slikte een brok uit zijn keel weg.
‘Toen besloot ik om mijn pogingen te staken en haar bij mij te houden… zolang tot het Onze Lieve Heer behaagt om haar bij mij weg te halen.’
De Cock trok zijn wenkbrauwen samen.
‘Kon u dat financieel aan?’
Wladimir Wiardibotjov zuchtte.
‘Ik heb het lang volgehouden, maar uiteindelijk raakte ik in de knoop… de schulden liepen op en ik zag geen uitkomst meer.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Toen besloot u oom Zadok van Zoelen eens met een bezoek te vereren.’
Wladimir Wiardibotjov gebaarde triest voor zich uit.
‘Ik ben naar hem toe gegaan en heb hem onze situatie uiteengezet. Hij was welwillend, luisterde geduldig. Ik heb toen wat geld van hem gekregen… minder, veel minder dan hij jaarlijks aan zijn verzameling oud zilver uitgaf.’
Het klonk bitter.
‘En die bezoeken hebt u nadien herhaald?’
Wladimir Wiardibotjov knikte.
‘Ik zeg het u eerlijk… gewoon om te bietsen en te schooieren.’
De Cock kauwde nadenkend op zijn onderlip.
‘Kent u Ellen van Zoelen?’
Wladimir Wiardibotjov schudde zijn hoofd.
‘Wie is dat?’
‘Uw nicht… ze erft het gehele vermogen van oom Zadok… plus zijn waardevolle antieke zilververzameling.’
Om de mond van Wladimir Wiardibotjov zweefde een grijns.
‘Het is oneerlijk, maar ik had iets dergelijks van oom Zadok wel verwacht.’
De Cock keek de jongeman strak aan.
‘Die zilververzameling is verdwenen.’
Wladimir Wiardibotjov reageerde verrast.
‘Verdwenen?’
De Cock knikte.
‘Compleet.’
De mond van Wladimir Wiardibotjov viel half open.
‘Dat kan niet. Ik bedoel… oom Zadok van Zoelen heeft mij zijn gehele verzameling oud zilver nog een maand voor zijn dood laten zien.’