13

De Cock keek de jonge vrouw geschrokken aan.

‘Carry Cornelissen zei u?’

‘Ja.’

De oude rechercheur kneep zijn stoppelige wenkbrauwen samen. ‘Hebt u,’ vroeg hij weifelend, ‘die… eh, die Carry Cornelissen wel eens ontmoet?’

Nanette van Noordeinde schudde haar hoofd.

‘Ongeveer een maand geleden vertelde oom Nicolaas mij, dat een expert hem had gezegd dat zijn kostbare klokkenverzameling veel te laag was verzekerd. Die expert… ene Carry Cornelissen… had de oude polis van mijn oom meegenomen om de totale som van de verzekering aanmerkelijk te verhogen.’ De jonge vrouw maakte een verontschuldigend gebaar. ‘Dat is feitelijk alles wat ik weet. Oom Nicolaas zei dat hij wel vertrouwen in die Carry Cornelissen had. Hij kende hem nog van vroeger. Die Carry was een neef van een zeer goede, inmiddels overleden, vriend.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Heeft uw oom wel eens iets naders over die overleden vriend gezegd, bijvoorbeeld over de wijze waarop die was overleden?’

‘Nee.’

De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.

‘Erft u de bezittingen van oom Nicolaas?’

Nanette van Noordeinde knikte nadrukkelijk.

‘Samen met mijn broer Nabor.’ Ze zweeg even en vervolgde aarzelend: ‘Althans, daar ga ik van uit. Oom Nicolaas heeft altijd beweerd dat wij beiden in zijn testament staan.’

De Cock keek haar schuins aan.

‘Weet uw broer Nabor van die kwestie van de verzekering voor de klokkenverzameling?’

‘Ik vermoed van wel.’

‘U hebt er niet met uw broer over gesproken?’

‘Ik heb er niet zoveel aandacht aan geschonken.’ Om haar mond gleed een glimlach. ‘Verzekeringen en dat soort zaken interesseren mij maar matig. Oom Nicolaas was een aardige man… jongste broer van mijn vader… buiten Nabor het enige familielid van mij dat nog in leven was. Daarom vond ik het een soort plicht om hem regelmatig te bezoeken. Gezellig, een babbeltje, een drankje… met zijn zaken bemoeide ik mij nooit. Dat van die verzekeringen kwam toevallig ter sprake, toen hij mij een pendule liet zien die hij een dag tevoren op een kunstveiling had gekocht.’

De Cock staarde nadenkend voor zich uit.

‘De klokkenverzameling van uw oom bestond toch niet uit louter pendules?’

‘Zeker niet,’ reageerde Nanette beslist. ‘Oom Nicolaas bezat van elk klokkentype wel een paar uitzonderlijke exemplaren: staande horloges, Engelse tafelklokken, Drentse stoelklokken, Friese staartklokken, consoleklokken, altaarklokken, en dan zijn prachtige verzameling pendules. Dat was werkelijk zijn trots.’

De Cock wreef over zijn kin.

‘In totaal dus een omvangrijke collectie.’

Nanette van Noordeinde knikte instemmend.

‘Absoluut… zeer omvangrijk. Oom Nicolaas heeft wel eens met het idee gespeeld om de gehele verzameling tentoon te stellen, maar heeft daar nooit een geschikte ruimte voor kunnen vinden.’

De Cock maakte een hulpeloos gebaar.

‘Om de verdwenen klokken te signaleren… op te nemen in het Opsporingsblad… zal ik toch over een beschrijving moeten beschikken.’

Nanette van Noordeinde blikte om zich heen.

‘Ik vermoed dat oom Nicolaas hier wel ergens een verzamellijst van zijn klokken heeft. En misschien heeft Nabor wel zo’n lijst. Ik zal hem vragen of hij u die vanavond brengt.’

De Cock strekte zijn wijsvinger naar haar uit.

‘Met het adres van die Carry Cornelissen.’

Nanette van Noordeinde glimlachte.

‘Geïnteresseerd?’

De Cock knikte nadrukkelijk.

‘Hooglijk.’ De oude rechercheur zweeg even. ‘Hebt u hier, tijdens uw bezoeken, wel eens kennissen van uw oom Nicolaas ontmoet?’

Nanette van Noordeinde knikte.

‘Een oudere man… Froombosch heette hij.’ Er gleed een schaduw over haar gezicht. ‘Ik mocht hem niet. Ik vond hem een onsympathieke man. De interesse die hij in de klokkenverzameling van oom Nicolaas had, irriteerde mij bovenmate. Het was net of hij mijn oom die verzameling niet gunde… of hij die klokken graag aan zijn eigen bezit had toegevoegd.’

‘Jaloers?’

‘Beslist.’

De Cock keek haar onderzoekend aan.

‘Is dat gevoelsmatig… of heeft die Froombosch zich wel eens in die zin uitgelaten?’

Nanette van Noordeinde staarde langs hem heen.

‘Hij zei eens in mijn bijzijn tegen oom Nicolaas, en dat frappeerde mij: “Het is eeuwig zonde, man, dat jij die fraaie en zo kostbare klokkenverzameling bezit. Dat zou niet moeten… je hebt er te weinig respect voor.”’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Respect?’

Nanette van Noordeinde knikte traag.

‘Ja, dat zei hij.’


De Cock daalde de blauwstenen trap van het bordes af en stak de rijbaan over. Aan de wallenkant bleef hij naast de Golf staan en nam het fraaie grachtenpand van de overleden Van Noordeinde in ogenschouw. Vooral de sierlijke verhoogde halsgevel had zijn aandacht.

Vledder opende het portier.

‘Gaan we terug naar de Kit?’

De Cock reageerde niet. Hij maakte met zijn rechterarm een weids zwaaiende beweging.

‘Allemaal kantoren,’ sprak hij met enige afschuw. ‘Het wordt tijd dat die mooie oude grachtenpanden weer de functie krijgen, waarvoor zij in vroeger eeuwen zijn gebouwd… om er stijlvol in te wonen.’

Vledder kwam naast hem staan.

‘Er zijn de laatste jaren toch al tal van bedrijven uit de grachtengordel verdwenen en naar de rand van de stad verhuisd. Ga eens kijken in het nieuwe Amsterdam-Zuidoost… machtige kantoorgebouwen… spiegelende paleizen.’

De Cock snoof.

‘Modern narcisme.’

Het klonk cynisch.

Vledder antwoordde traag.

‘Maar beter bereikbaar en zeker doelmatiger dan zo’n oud grachtenpand.’

De Cock schoof zijn oude hoedje iets naar achteren.

‘Weet je wat mij bezighoudt: om die omvangrijke klokkenverzameling van Nicolaas van Noordeinde te vervoeren heeft men toch zeker een flinke vrachtwagen nodig gehad… een vrachtwagen, die geruime tijd hier op die smalle gracht moet hebben gestaan om de gehele verzameling in te laden.’

Vledder keek hem peinzend aan.

‘Je bedoelt dat zoiets in verband met het intensieve verkeer overdag vrijwel niet te doen is.’

De Cock gebaarde voor zich uit.

‘Als zo’n opstopping overdag te lang duurt, wordt steevast de politie gewaarschuwd en ik neem aan, dat de man of vrouw die de klokkenverzameling wegnam, niet het risico heeft willen nemen om bij zijn of haar actie de politie te ontmoeten.’

Vledder knikte.

‘Er is maar één mogelijkheid: het moet ’s nachts zijn gebeurd.’

De Cock krabde zich achter in de nek.

‘Met een dode Nicolaas van Noordeinde in zijn maillot als stille getuige.’

Vledder gniffelde. ‘Een wel heel stille getuige.’

Ineens kwam er beweging in De Cock. De oude rechercheur stak weer de rijbaan over, liep naar het voor hem rechts aangrenzende grachtenpand en belde aan.

Vledder kwam hem na.

Na enkele minuten werd de zware deur opengedaan door een lange, kalende man in een kakikleurige stofjas.

De grijze speurder nam beleefd zijn hoedje af en bracht zijn beminnelijkste glimlach.

‘Mijn naam is De Cock… met ceeooceekaa.’ Hij wees opzij. ‘En dat is mijn collega Vledder. Wij zijn rechercheurs van politie, verbonden aan het bureau Warmoesstraat. Wij vroegen ons af of aan dit kantoorpand een conciërge is verbonden.’

De man tikte met zijn wijsvinger op zijn borst.

‘Dat ben ik. Ik ben hier conciërge.’

‘U woont hier ook?’

‘Zeker.’

‘Alleen?’

De man knikte met een droevig gezicht.

‘Mijn vrouw is twee jaar geleden plotseling overleden… hartaanval.’

De Cock liet zijn hoofd even zakken.

‘U bent?’

‘Goovaarts… Guus Goovaarts.’

De Cock strekte zijn linkerarm uit.

‘Kent u uw buren?’

Guus Goovaarts maakte een schuine hoofdbeweging.

‘Hiernaast?’

‘Precies.’

‘Daar woont de heer Van Noordeinde.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Niet meer,’ sprak hij triest. ‘De heer Van Noordeinde is overleden.’

‘Wanneer?’

‘Vermoedelijk afgelopen nacht.’

Het gezicht van Guus Goovaarts versomberde.

‘Och gunst… die Van Noordeinde was zo’n aardige man. Ik maakte wel eens een babbeltje met hem achter in de tuin. Bij het hek. Hij had het altijd over zijn oude klokken.’

De Cock knikte.

‘De heer Van Noordeinde bezat een zeer uitgebreide klokkenverzameling… prachtige antieke exemplaren. Deze uiterst kostbare klokkenverzameling is, zo nemen wij aan, vannacht uit zijn woning verdwenen. Voor het vervoer is vermoedelijk gebruik gemaakt van een vrachtwagen… een flinke vrachtwagen. Onze vraag is of u gisteravond of vannacht voor langere tijd een vrachtwagen voor de deur van de woning van de heer Van Noordeinde heeft zien staan?’

Guus Goovaarts schudde zijn hoofd. Hij duimde over zijn schouder naar binnen. ‘Conciërge zijn in zo’n groot grachtenpand is een slavenbaan. Met mijn vrouw samen ging het nog. Maar alleen… alleen moet je hier de hele dag hard poken om alles goed bij te houden. ’s Avonds ben ik in de regel bekaf… kan dan echt geen pap meer zeggen. Ik lag gisteravond ook al om tien uur in mijn bed.’

De Cock glimlachte.

‘U hebt niets gezien of gehoord?’

Guus Goovaarts schudde opnieuw zijn hoofd. Ineens kwam op zijn lange magere gezicht een peinzende uitdrukking.

‘Er was gisteravond wel iets vreemds.’

De Cock keek hem scherp aan.

‘Iets vreemds?’

Guus Goovaarts knikte.

‘De heer Van Noordeinde had muziek aan… luid, opwindende muziek.’


De Cock stak de rijbaan over. Hij liep naar Vledder, die al naast de Golf op hem stond te wachten. Het begon weer te regenen. De oude rechercheur trok de kraag van zijn regenjas omhoog en drukte zijn hoedje naar voren. Daarna wees hij achter zich. ‘Het belendende perceel aan de andere kant heeft geen conciërge,’ riep hij.

Vledder trok een vies gezicht.

‘Hoe noem je dat huis ernaast?’ vroeg hij niet-begrijpend.

De Cock trok het portier van de Golf open en keek zijn jonge collega over het dak heen aan. ‘Een be-len-dend perceel,’ sprak hij articulerend. ‘Ken je dat woord be-len-dend niet? Heb je nooit verslagen van de plaatselijke brandweer gelezen? Die zorgen er altijd voor dat bij brand de be-len-den-de percelen gespaard blijven.’

Vledder trok zijn schouders op.

‘Stamt zeker uit de Middeleeuwen,’ bromde hij. De jonge rechercheur trok aan zijn kant het portier open. ‘Terug naar de Kit?’

De Cock knikte en stapte in.

‘Het moet nogal harde muziek zijn geweest,’ opperde hij.

‘Hoezo?’

‘Die grachtenpanden zijn niet zo gehorig.’

Vledder draaide zich half om en probeerde de Golf in de verkeersstroom te loodsen.

‘Waarom zou die man niet eens harde muziek draaien?’ vroeg hij achteloos. ‘Wat is daar op tegen?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Niets… zolang de buren er geen last van hebben.’

Vledder reed vanaf de Herengracht na het stoplicht de Raadhuisstraat in. Het was er druk. Een sirene loeide en voor hen uit danste het blauwe zwaailicht van een ambulancewagen. Even later zat het verkeer vast.

Vledder stak in wanhoop zijn armen omhoog.

‘Daar staan we weer.’

De Cock wees naar de voorruit.

‘En verderop ligt waarschijnlijk iemand,’ reageerde hij gelaten. ‘Er sterven jaarlijks veel meer mensen in het verkeer dan door de misdaad.’

Vledder negeerde de opmerking.

‘Toch vreemd,’ sprak hij peinzend, ‘dat ook nu weer die Carry Cornelissen opduikt!’

De Cock knikte traag.

‘Toen Nanette van Noordeinde die naam vanmiddag noemde, moest ik toch even denken aan wat oom Zadok tegen zijn nicht Ellen zei: blijf uit zijn buurt… die jongen deugt niet.’

Vledder grinnikte.

‘Maar volgens neef Wladimir Wiardibotjov ging diezelfde oom Zadok toch heel familiaar met de niet-deugende Carry Cornelissen om.’

Voordat de oude rechercheur kon reageren kwam het verkeer weer langzaam in beweging en via de Paleisstraat de Dam, achter het monument om, bereikten ze de smalle Warmoesstraat.

Vledder parkeerde de Golf nabij de ingang van het politiebureau, waar nog net een plekje vrij was. De beide rechercheurs stapten uit en glipten, zonder dat Jan Kusters hen opmerkte, de hal door en liepen de trap op naar de tweede etage.

Op de bank bij de deur naar de grote recherchekamer zat een jongeman. Zodra hij de beide rechercheurs in het oog kreeg, stond hij op en wachtte tot ze waren genaderd.

Toen wendde hij zich tot De Cock.

‘Ik ben Nabor,’ sprak hij licht buigend, ‘Nabor van Noordeinde. Mijn zuster Nanette heeft mij gebeld en gezegd dat ik mij, in verband met de dood van mijn oom Nicolaas, bij u moest vervoegen.’

De grijze speurder knikte en ging hem voor naar de recherchekamer, waar hij hem op de stoel naast zijn bureau liet plaatsnemen. Hij zwiepte zijn hoedje naar de kapstok, miste, maar nam niet de moeite om het hoofddeksel op te rapen. Met zijn regenjas nog aan ging hij achter zijn bureau zitten en nam de jongeman naast zich nauwkeurig op. De Cock schatte hem op begin dertig. Hij was keurig gekleed in een groene trenchcoat, waaronder een donkergrijs kostuum. In zijn donkere haren zat gel, waardoor de scheiding werd geaccentueerd.

De oude rechercheur trok een ernstig gezicht.

‘Ik condoleer u,’ sprak hij plechtig, ‘met het verlies van uw oom.’

Nabor van Noordeinde knikte traag.

‘Dank u.’

‘Ik heb van uw zuster Nanette begrepen,’ ging De Cock op zakelijke toon verder, ‘dat u de financiën van uw oom beheerde.’

‘Dat klopt.’

‘Had u dikwijls contact met uw oom?’

‘Vrij geregeld.’

‘Wist u, dat uw oom voor zijn klokkenverzameling een nieuwe verzekering wilde afsluiten?’

Nabor van Noordeinde schudde zijn hoofd.

‘Dat moet een persoonlijk initiatief van mijn oom zijn geweest. Hij heeft met mij nooit over een nieuwe verzekering gesproken. Hij heeft mij daarover ook geen enkel advies gevraagd.’ De jongeman verschoof zich iets op zijn stoel. ‘Begrijpt u mij goed: oom Nicolaas stond niet bij mij onder curatele. Ik beheerde zijn financiën omdat oom Nicolaas een hekel aan bankzaken had en ik daarin beter thuis was dan hij. Verder kon oom met zijn geld doen en laten wat hij wilde. Hij behoefde daarvoor aan mij geen verantwoording af te leggen.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Hebt u uw oom de naam Carry Cornelissen wel eens horen noemen?’

Nabor van Noordeinde schudde zijn hoofd.

‘Ik heb de naam Carry Cornelissen vanmiddag voor het eerst gehoord uit de mond van mijn zuster. Blijkbaar heeft mijn oom wel met haar over een nieuwe verzekering voor zijn klokkenverzameling gesproken. Ik weet wel dat oom Nicolaas een vriend had die Cornelissen heette… een verzamelaar van schilderijen, die een paar dagen geleden is overleden.’

De Cock reageerde niet op de opmerking.

Nabor van Noordeinde frommelde in een binnenzak van zijn colbert. ‘Ik heb voor u wel een lijst met een omschrijving van de antieke klokken, die oom Nicolaas in zijn bezit had. Die lijst hebben we vorige week samen opgemaakt.’

De Cock nam de lijst van hem aan en borg die in een lade van zijn bureau. Daarna keek hij naar de jongeman op. ‘Heeft uw oom wel eens het plan geopperd om zijn klokkenverzameling te verkopen?’

Nabor van Noordeinde schudde resoluut zijn hoofd.

‘Nooit. Hij zou er nooit afstand van hebben kunnen doen. Die klokken waren zijn lust en zijn leven. Ik heb ooit lachend tegen hem gezegd: “Oom, je hebt geen hersenen in je hoofd, maar een uurwerk.”’

De Cock glimlachte.

‘Genoot uw oom een goede gezondheid?’

Nabor van Noordeinde trok een bedenkelijk gezicht.

‘Hij had een zwak hart… was al jaren onder behandeling van een specialist… Sietse Schuringa.’

Загрузка...