Vledder glimlachte.
‘Het elftal van de oude mannen… Ben je boven je dertigste jaar een oude man?’
De Cock wees voor zich uit.
‘Hoe oud ben jij?’
Vledder streek over zijn blonde haren.
‘Volgens de filosofie van de aantrekkelijke Cecile Burroughs… een oude man.’
De Cock lachte.
‘Het zal in de kringen van de Amstelveense Cricket Club wel spottend zijn bedoeld.’
Vledder staarde nadenkend voor zich uit.
‘Zou het vierde van ACC,’ sprak hij peinzend, ‘dat elftal van de oude mannen, iets met de moorden uitstaande hebben?’
De Cock trok achteloos zijn schouders op.
‘Donker-Korzelius en Philip de Lent speelden beiden in dat elftal. En dat Ralf van Zutphen als boezemvriend van Philip de Lent daar ook deel van uitmaakte, is niet zo verwonderlijk. Verwonderlijk is de houding van Ronald Andrews.’
Vledder knikte traag.
‘Misschien is Ronald Andrews wel zo afwijzend, omdat hij de overige leden van zijn elftal in bescherming wil nemen.’
‘Tegen wie, tegen wat?’
Vledder gebaarde heftig.
‘Tegen ons. Misschien is hij bang dat wij achter zaken zullen komen die hij, wellicht uit clubbelang, liever verborgen houdt.’
De Cock grijnsde.
‘Er bestaat ook nog de mogelijkheid, dat hij zelf op een of andere wijze bij de moorden is betrokken.’ De grijze speurder wreef over zijn kin. ‘Toen jij hem vroeg om een ledenlijst… hoe reageerde hij?’
‘Uiterst vriendelijk. Hij zegde onmiddellijk toe mij zo’n ledenlijst te bezorgen.’
De Cock plukte aan zijn onderlip.
‘Ronald Andrews wist op dat moment toch al dat de namen van de beide vermoorde mannen op die ledenlijst voorkwamen.’
Vledder knikte nadrukkelijk.
‘Hij heeft mij ook geholpen bij het vinden van getuigen voor de identificatie van de beide lijken. Dat heeft hij keurig voor mij opgelost.’ De jonge rechercheur grinnikte. ‘Ik denk dat jij die Ronald Andrews niet vriendelijk genoeg hebt benaderd.’
De Cock reageerde niet. Hij keek zijn jonge collega secondenlang peinzend aan. Toen kwam hij met een zucht overeind en slenterde naar de kapstok.
Vledder liep hem na.
‘Waar ga je heen?’
‘Naar Amstelveen.’
‘Wat is daar?’
De oude rechercheur wurmde zich in zijn vale regenjas.
‘Wat dacht je?’ sprak hij laconiek. ‘Daar staat het clubhuis van de Amstelveense Cricket Club.’
Vledder grijnsde.
‘Het cricketseizoen is gesloten.’
De Cock knikte instemmend.
‘Maar het clubhuis niet.’
De Cock liet bewonderend zijn blik door het fraaie clubhuis dwalen. De ruimte was gezellig ingericht met centraal, dominerend, een prachtige bar van glanzend teakhout, omgeven door groepjes comfortabele fauteuils in zitkuilen op diverse niveaus. Aan de wanden hingen schitterende foto’s van keurig in het wit gestoken cricketspelers in volle actie.
Grote ramen gaven een panoramisch uitzicht over een lang, breed grasveld, bezaaid met geelbruine bladeren en omzoomd door kaalgestormde berken, zacht wiegend in een matige herfstwind.
De Cock knoopte zijn regenjas los en liet zich in een fauteuil zakken.
Vledder volgde zijn voorbeeld.
De jonge rechercheur wuifde om zich heen.
‘Waarom is dit clubhuis buiten het feitelijke cricketseizoen nog open?’
‘Omdat de leden, zo vertelde Cecile Burroughs mij, ook buiten het cricketseizoen nog behoefte hebben aan een trefpunt voor hun sociale contacten.’
Vledder schoof bewonderend zijn onderlip naar voren.
‘Een bijzonder fraai trefpunt. Als ik zo de inrichting bekijk, moet ACC een kapitaalkrachtige club zijn.’
‘Met kapitaalkrachtige leden?’
Vledder knikte.
‘Philip de Lent was rijk en ook Ralf van Zutphen schijnt in goeden doen te zijn.’ De jonge rechercheur verschoof iets in zijn fauteuil en keek onrustig om zich heen. ‘Blijven we hier zitten tot we een ons wegen? Moeten we ons niet ergens melden?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Dat is niet gebruikelijk. Volgens Cecile Burroughs dienen we rustig te blijven zitten. Er komt vanzelf iemand naar ons toe.’
Vledder snoof.
‘Als het nog lang duurt, ga ik op zoek.’
‘Naar wat… naar wie?’
Vledder reageerde geprikkeld.
‘Iemand die ons te woord staat.’
Nog voor De Cock kon reageren, gleed een brede deur aan de rechterkant van de bar open en in de deuropening verscheen de gestalte van een flinke, vrij krachtig gebouwde vrouw.
De grijze speurder schatte haar op voor in de zestig. Ze droeg een lange zwarte pantalon, waarop een paarse blouse van glanzende zijde, hooggesloten, met een zilveren broche onder haar wilskrachtige kin. Haar parelgrijze haren waren gevangen in een modieus hoogoplopend kapsel, dat niet paste bij haar bonkig figuur.
Met stevige tred liep ze op De Cock en Vledder toe. Pal voor de beide mannen bleef ze staan. Haar groene ogen blikten argwanend op hen neer.
‘Geen… eh, geen leden van de club?’ vroeg ze hoofdschuddend.
De Cock kwam uit zijn fauteuil overeind en schudde zijn hoofd. ‘Tot onze spijt niet.’ De oude rechercheur maakte een lichte buiging.
‘Mijn naam is De Cock,’ sprak hij vriendelijk, ‘met… eh, met ceeooceekaa.’ Hij wuifde opzij naar Vledder, die opstond. ‘En dat is mijn assistent. Wij zijn rechercheurs van politie, verbonden aan het bureau Warmoesstraat in Amsterdam.’
De vrouw toonde geen enkele verbazing.
‘Ik had u verwacht… een dezer dagen. Ik neem aan dat uw komst verband houdt met de moord op twee prominente leden van onze club?’
De Cock knikte.
‘Dat is volkomen juist.’ De oude rechercheur keek haar onderzoekend aan. Hij glimlachte. ‘En met wie heb ik het genoegen?’
De vrouw antwoordde niet direct. Ze liet zich in een fauteuil tegenover De Cock zakken en sloeg haar benen over elkaar. ‘Ik ben mevrouw Van Amerongen… Alida van Amerongen.’
‘U beheert dit clubhuis?’
Alida van Amerongen schudde haar hoofd.
‘Dat doen de dames van de vereniging bij toerbeurt. Maar ik woon hier niet ver vandaan, zodat ik wat frequenter dan de anderen de honneurs waarneem.’
Haar stem klonk zachter en vriendelijker dan men van een vrouw van haar postuur en uitstraling zou verwachten.
‘De honneurs… zoals nu?’
Alida van Amerongen knikte.
‘We houden het clubhuis het gehele jaar door open. Er dient altijd iemand aanwezig te zijn.’ Ze wuifde voor zich uit. ‘Er bestaat een soort dienstrooster, maar daar houdt niemand zich aan.’
De Cock lachte.
‘Ik ken dat… van de politie.’ De oude rechercheur leunde behaaglijk in zijn fauteuil achterover. ‘Hoe heeft men in de boezem van de vereniging op de gewelddadige dood van Karel Donker-Korzelius en Philip de Lent gereageerd?’
‘Geschokt.’
‘U hebt beiden goed gekend?’
Alida van Amerongen knikte traag.
‘Ik ben een van de oudste leden van onze vereniging. Ik heb Karel en Philip beiden zien komen… jong, brutaal, bruisend… studenten nog.’
‘Hoe lang is dat geleden?’
Alida van Amerongen staarde even peinzend voor zich uit.
‘Harold… mijn man, leefde nog. Ik schat zo’n twaalf, dertien jaar geleden.’
‘U hebt hen al die jaren kunnen volgen.’
Alida van Amerongen glimlachte.
‘Min of meer. U moet bedenken dat de beide heren hier kwamen voor hun genoegen. Hun gedrag hier, op de club, heb ik enigszins kunnen volgen. Wat ze buiten de vereniging om… ik bedoel maatschappelijk bezien… uitspookten, kende ik alleen van de roddels die over hen de ronde deden.’
De Cock zweeg even en wreef met zijn rechterhand over zijn breed gezicht.
‘Roddels?’ herhaalde hij vragend.
Alida van Amerongen knikte.
‘Karel was een rokkenjager en Philip verdiende op een louche manier veel geld.’
De Cock lachte. ‘Een korte, maar duidelijke typering.’ De grijze speurder strekte zijn beide handen naar haar uit. ‘En hun gedrag binnen de verenigingssfeer?’
Alida van Amerongen maakte een verontschuldigend gebaartje.
‘De heren dronken wel eens iets te veel. Vooral wanneer zij met z’n vieren waren.’
De Cock kneep zijn ogen halfdicht.
‘Met z’n vieren?’
Alida van Amerongen knikte.
‘Karel Donker-Korzelius, Philip de Lent, Ralf van Zutphen en Felix Rietfeld.’
‘Behoorden die vier heren bij elkaar?’
Alida van Amerongen keek hem niet-begrijpend aan.
‘Hoe bedoelt u: bij-elkaar-horen?’
‘Vormden zij een gemeenschap… een belangengroep? Ik noem maar iets.’
Alida van Amerongen schudde haar hoofd.
‘Nee, niet echt,’ antwoordde ze aarzelend. ‘Daar heb ik nooit iets van gemerkt. Ze waren alle vier gewone, trouwe, gerespecteerde leden van onze cricketclub.’
De Cock hield zijn hoofd iets schuin.
‘Zonderden zij zich af van de anderen?’
Alida van Amerongen schudde opnieuw haar hoofd.
‘Absoluut niet. Er bestond tussen hen en de andere leden van de club een hechte band… zoals onder cricketers gebruikelijk. Alleen, wanneer zij alle vier aanwezig waren, dan hadden zij toch de neiging om bij elkaar te gaan zitten.’
‘Vrienden?’
Alida van Amerongen trok haar schouders op.
‘Ik weet niet hoe men dat moet noemen…’ antwoordde ze wat weifelend. ‘Het leek erop dat er een soort affectie was… een onderlinge binding.’
‘Hebt u daar een verklaring voor… die onderlinge binding?’
Alida van Amerongen zuchtte.
‘Sympathie en antipathie zijn emoties, die buiten ons verstand… buiten de rede vallen.’ Er gleed een glimlach om haar lippen. ‘Gelukkig.’
De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.
‘Waren ze u sympathiek?’
‘Wie bedoelt u?’
‘De vier die u noemde.’
Het gezicht van Alida van Amerongen verstarde.
‘Nee.’
Het klonk hard.
‘Zonder uitzondering?’
Alida van Amerongen tastte naar haar voorhoofd.
‘Let wel,’ sprak ze bedachtzaam. ‘Ik wens niemand een gewelddadige dood toe, maar Philip de Lent was een onuitstaanbare vent. Samen met Ralf van Zutphen vormde hij een weerzinwekkend duo.’
‘Een vernietigend oordeel.’
Alida van Amerongen knikte.
‘Ik denk,’ sprak ze voorzichtig, ‘dat meerdere leden van onze club u eenzelfde visie zullen geven.’
‘En Ronald Andrews?’
Over het gezicht van Alida van Amerongen gleed een glimlach van vertedering. ‘Ronald is een lieve man… ingetogen. Hij houdt zich meestal wat afzijdig. Ik heb altijd het idee gehad dat hij niet zo erg met het viertal overweg kon.’
De Cock zweeg enige tijd. Daarna keek hij de vrouw voor zich strak aan.
‘Breit u?’
‘U bedoelt… een recht, een averecht?’
De Cock knikte. ‘Met twee, drie of vier pennen.’
Er kwam een glinstering in de groene ogen van Alida van Amerongen. ‘Breien… het is mijn lust en mijn leven. Ik heb er hier in het clubhuis ook alle tijd voor.’ Ze glimlachte innemend. ‘Alle leden van onze club dragen pullovers die door mij zijn gebreid.’
Ze reden van het clubhuis weg. Op het ruime parkeerterrein van ACC stond eenzaam een crèmekleurige Volkswagen Polo. Via de brede Van der Hooplaan en de Keizer Karelweg reden ze vanuit Amstelveen terug naar Amsterdam.
Vledder blikte opzij.
‘Hoe zou jouw vrouw reageren op de vraag van een rechercheur: breit u?’
De Cock lachte.
‘Ik denk dat zij zal zeggen: waarom vraagt u dat?’
Vledder knikte instemmend.
‘Juist, dat is het meest voor de hand liggende antwoord.
Maar wat doet Alida van Amerongen? Zij vertelt vol trots dat zij voor alle leden van de club een pullover heeft gebreid.’
De Cock keek hem vragend aan.
‘Welke gedachte wil je daaraan verbinden?’
Vledder maakte een weifelend gebaartje.
‘Niets,’ antwoordde hij onzeker. ‘Maar haar enthousiasme viel mij op. Breien is mijn lust en mijn leven. Het was bijna uitdagend.’
De Cock gniffelde.
‘Misschien wilde ze voor jou ook wel eens een pullovertje breien?’
Vledder keek hem van opzij vernietigend aan.
‘Barst!’ riep hij kwaad.
De Cock lachte om zijn reactie.
‘Ik begrijp wat je bedoelt,’ suste hij.
De narrige uitdrukking op het gezicht van Vledder veranderde niet. ‘Ik vind,’ merkte hij nukkig op, ‘dat het gesprek met haar voor ons onderzoek weinig heeft opgeleverd.’
De Cock plooide zijn lippen in een tuitje.
‘Ik ben het niet met je eens. Alida van Amerongen sprak van een affectie… een onderlinge binding tussen de vier mannen, van wie er nu twee op een uitzonderlijke wijze zijn vermoord. Dat woord affectie frappeerde mij. Haar vrouwelijke intuïtie moet de onderlinge band tussen de vier mannen hebben aangevoeld. De vraag die mij kwelt is: waaruit bestaat die binding?’
‘Denk je, dat Ronald Andrews iets van die binding weet… en zich daarvan distantieert?’
De Cock grijnsde.
‘Die vraag moet jij hem maar stellen. Hij was tegen jou openhartiger dan tegen mij.’ De oude rechercheur schoof de mouw van zijn regenjas iets terug en keek op zijn horloge. ‘Het is halftwee. Zet mij er hier op het Damrak maar af.’ De grijze speurder wees voor zich uit. ‘Dan kun je doorrijden naar Westgaarde. Je mag niet te laat komen voor de confrontatie.’
‘Wat ga jij doen?’
‘Achter mijn bureau… de hele zaak nog eens op een rijtje zetten… kijken wat ik over die Felix Rietfeld te weten kan komen.’
Vledder stopte bij de Oudebrugsteeg en De Cock stapte uit. De oude rechercheur hield het portier nog even open.
‘Let bij de confrontatie met de lijken heel goed op je getuigen.’
Vledder keek hem verwonderd aan.
‘Waarom?’
De Cock stak waarschuwend zijn wijsvinger omhoog.
‘Ze zijn door Ronald Andrews uitgezocht.’
Vals fluitend slenterde de grijze speurder verder de Oudebrugsteeg in. Hij nam beleefd zijn hoedje af voor een bedaagde prostituee die hij al een eeuwigheid kende, en wuifde joviaal naar een souteneur, van wie hij wist dat hij pas weer op vrije voeten was.
Aan het einde van de Oudebrugsteeg bleef hij even staan, overwon een neiging om naar Smalle Lowietje te stappen en sjokte linksaf de Warmoesstraat in.
Toen hij de hal van het politiebureau binnenstapte, wenkte de wachtcommandant hem vanachter de balie.
De Cock liep op hem toe.
‘Jan,’ vroeg hij gevoelig, ‘je bent toch niet van plan om het leven voor mij nog ondraaglijker te maken?’
Jan Kusters grinnikte.
‘Boven zit een yuppie op je te wachten.’
De Cock trok zijn neus iets op.
‘Een yuppie?’
De wachtcommandant knikte.
‘Een yuppie… een young urban professional… oftewel een driftige jongeman, behorende tot een categorie zeer ambitieuze, vaak hebberige functionarissen, die menen in onze maatschappij te moeten excelleren.’
De Cock keek de wachtcommandant bewonderend aan.
‘Prachtig, Jan,’ riep hij spottend, ‘jij wordt nog wel eens wat bij de politie.’ Hij boog zich iets naar voren. ‘En hoe heet ons yuppie?’
Jan Kusters raadpleegde een notitie.
‘Ralf van Zutphen.’