De ding-dong in de gang dreunde nog een beetje na. De Cock deed de deur van zijn woning open. Voor hem op de stoep stond Dick Vledder. De jonge rechercheur lachte wat verlegen. In zijn linkerhand bungelde een bos fraaie rozen.
‘Voor jouw vrouw. Hoe langer ik jou ken… hoe meer ik haar ga bewonderen.’
De Cock trok zijn wenkbrauwen op. ‘Ik meen mij te herinneren dat je deze stelling wel eens meer hebt geponeerd.’
Vledder knikte. ‘Dat kan best. Mijn mening is intussen onveranderd gebleven.’
De Cock kon het grapje wel waarderen. Lachend deed hij een stap opzij.
‘Kom erin.’
‘Zijn de anderen er al?’
De Cock knikte. ‘Appie Keizer, Fred Prins en Hans Rijpkema zitten bij mijn vrouw en hebben elk het hoogste woord.’
‘Hoe is het met hen gegaan gisteravond.’
De Cock liep voor hem uit. ‘Ze hebben de drie arrestanten netjes aan de Warmoesstraat afgeleverd. Daar heb ik hen vanmorgen en vanmiddag uitgebreid verhoord.’
Vledder grijnsde. ‘Annette van het Sticht is voorlopig haar geliefde kwijt. Ik begrijp nu waarom jij het toestond dat ze met ons meeging… je wilde haar nog even de gelegenheid geven om afscheid van hem te nemen.’
De Cock lachte. ‘Soms denk ik aan alles.’
Ze stapten gezamenlijk de woonkamer in. Mevrouw De Cock kwam onmiddellijk overeind en schudde Vledder ter begroeting de hand. Met een gebaar van verrukking nam ze de rozen in ontvangst. Ze wuifde uitnodigend naar een diepe leren fauteuil.
‘Ga zitten,’ riep ze hartelijk. ‘Mijn man vroeg zich al af waar je bleef.’
De jonge rechercheur glimlachte.
‘Ik kom uit de bioscoop. Ik had vandaag een vrije dag. De filmvoorstelling duurde bijna een halfuur langer dan ik verwachtte.’
Mevrouw De Cock keek hem verrast aan.
‘De bioscoop?’
Vledder knikte.
‘Er draaide een politiefilm en ik wilde wel eens met eigen ogen zien hoe Hollywood-rechercheurs een moordzaak opknappen.’
‘Deden ze het goed?’
Vledder trok een grimas.
‘De kogels vlogen mij aan het eind van de film om mijn oren. Als wij in Amsterdam zo te werk gingen, werden we onmiddellijk als staatsgevaarlijk opgepakt.’
‘Het had met de werkelijkheid niets te maken?’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Niet de werkelijkheid die wij kennen.’
De Cock pakte de fles cognac Napoleon, die hij speciaal voor dergelijke gelegenheden in voorraad hield en vulde ruim de bodem van diepbolle, voorverwarmde glazen. Hij reikte die zijn vrienden aan. Daarna hield hij zijn glas omhoog.
‘Op het trieste en moeizame einde van de zaak van de dode meesters,’ toostte hij.
Fred Prins lachte.
‘Hoe kom je aan die naam… dode meesters?’
De Cock gebaarde met het glas in zijn hand.
‘De drie mannen die de dood vonden, waren allen meester in de rechten.’
‘Werden ze daarom vermoord?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Meester Karel Marinus Donker-Korzelius bereidde als officier van justitie de berechting voor van Peter Gramsma.’
Hans Rijpkema knikte.
‘Topcrimineel, al jarenlang leider van een strak georganiseerde drugsmaffia.’
De Cock nam een slok van zijn cognac en zette het glas naast zich op een bijzettafeltje.
‘Er gingen geruchten dat Peter Gramsma aan zijn juridisch adviseur Philip de Lent de opdracht had gegeven om in penozekringen voor meester Donker-Korzelius een huurmoordenaar te vinden. Toen wij kort daarna uit het water van de Brouwersgracht het lijk visten van een man, die later als diezelfde Philip de Lent werd geïdentificeerd, begreep ik daar niets van. Wat was het motief? Welk voordeel had Peter Gramsma bij de dood van zijn juridisch adviseur… een man, in wie hij blijkbaar veel vertrouwen stelde?’
Hans Rijpkema grinnikte.
‘Maar toen later meester Donker-Korzelius vermoord werd gevonden, gingen jouw gedachten wel degelijk uit naar Peter Gramsma als de man die opdracht had gegeven voor de moord op de officier van justitie.’
Vledder spreidde zijn beide handen.
‘Dat lag toch voor de hand?’ interrumpeerde hij.
De Cock trok een bedenkelijk gezicht.
‘Er was iets wat mij hinderde. Hoe gaan huurmoordenaars gewoonlijk te werk? Kleden die eerst hun slachtoffer uit en steken hem dan een breinaald in zijn rug? Dat leek mij niet plausibel. Ik ging er op den duur meer en meer aan twijfelen, dat Peter Gramsma en zijn drugsmaffia iets met de moorden uitstaande hadden. Zelfs toen Ralf van Zutphen, ook in dienst van topcrimineel Peter Gramsma, vermoord werd gevonden, weigerden mijn hersenen om in hem de aanstichter te zien. Het was zo onprofessioneel. Het leek in geen enkel opzicht op een liquidatie, zoals in die kringen gebruikelijk.’
Vledder keek hem verbaasd aan. ‘De drie vermoorde mannen hadden allen op een of andere manier iets met Peter Gramsma van doen. Dat kon toch geen toeval zijn?’
De Cock zuchtte. ‘Dat was het wel. Het verwarrende voor ons politiemensen is, dat wij advocaten, juristen en meesters in de rechten nog altijd zien als een soort verlengstuk van ons werk… als rechthandhavers.’ De oude rechercheur schudde zijn hoofd. ‘Dat is een misvatting. Maffia-achtige organisaties nemen juristen in dienst om hun criminele praktijken op legale wijze af te schermen. Veel juristen zijn geen handhavers meer van de wet, maar ondergravers… zij hollen de wetgeving uit… ten behoeve van hun opdrachtgevers.’
Mevrouw De Cock keek haar man gespannen aan. ‘Zij passen de wet verkeerd toe?’
De Cock trok zijn schouders op. ‘Men kan de wet op diverse wijzen interpreteren. Daar is niets verkeerds aan. Het is alleen jammer, dat in het huidige tijdperk van de calculerende burger ook de beroepsethiek dreigt te verdwijnen.’
Fred Prins wuifde het onderwerp weg.
‘Jij zocht de moordenaar van Philip de Lent, meester Donker-Korzelius en Ralf van Zutphen in een andere richting dan die van de maffia. Waarom… wat was de reden?’
De Cock zwaaide breed. ‘De werkwijze… de modus operandi. Ik heb het al even aangeduid… huurmoordenaars nemen niet de moeite om hun slachtoffers eerst keurig te ontkleden. Bovendien is een breinaald een vrij ongebruikelijk moordwapen. Ik ben dat nog niet eerder tegengekomen.’
Vledder kwam tussenbeide. ‘En dan was er nog iets… Alle slachtoffers hadden op hun rechteronderarm een tatoeage in de vorm van een klavertjevier.’
Hans Rijpkema knikte begrijpend. ‘Dat betekende… althans zo kan men dat uitleggen… dat ze alle drie iets met elkaar van doen hadden.’
De Cock knikte. ‘Dat geheim van het klavertjevier heeft mij sterk beziggehouden. Het was een teken van verbond tussen de gedode mannen, maar de reden van dat verbond kon ik aanvankelijk niet doorgronden.’
Vledder keek naar hem op. ‘Wanneer begon jij te vermoeden dat mevrouw Van Amerongen bij de moorden was betrokken?’
De Cock glimlachte. ‘Toen er een aanslag op haar werd gepleegd.’
Vleddder schudde verwonderd zijn hoofd. ‘Dat snap ik niet.’
De Cock pakte zijn glas en nam nog een slok van zijn cognac. ‘Waarom die aanslag, vroeg ik mij af. Wat was het motief? Een vriendelijke nette vrouw, wonende in Amstelveen in een keurige laan, op wie men onverhoeds drie kogels vuurt. Het leek onzinnig.’
De oude rechercheur tikte met zijn gestrekte rechterwijsvinger tegen het puntje van zijn neus.
‘Tot het besef in mij ontwaakte, dat degene die een moordaanslag op haar had gepleegd, er vrijwel van overtuigd moet zijn geweest dat mevrouw Van Amerongen bij de moorden op Philip de Lent en meester Donker-Korzelius was betrokken.’
Het gezicht van Vledder verhelderde. ‘En dat betekende tevens, dat degene die de aanslag pleegde, ook haar motief kende… wist waarom zij Philip de Lent en Donker-Korzelius had vermoord.’
De Cock keek zijn jonge collega bewonderend aan. ‘Precies. We kunnen het hem niet meer vragen, maar ik ben er vrijwel van overtuigd dat de stuntelige moordaanslag op mevrouw Van Amerongen het werk was van Ralf van Zutphen.’
Hans Rijpkema boog zich naar voren. ‘Maar als Ralf van Zutphen wist dat mevrouw Van Amerongen al twee moorden op haar geweten had, hoe kon hij dan zelf slachtoffer worden… hij wist toch uit welke hoek het gevaar kwam?’
De Cock grijnsde. ‘Ralf van Zutphen kende haar handlangster niet… althans, hij kende haar wel… heel goed zelfs, maar wist niet dat zij met mevrouw Van Amerongen een sinister complot had gesmeed.’
De mond van Vledder viel half open. ‘Cecile Burroughs.’
De Cock ademde diep. ‘Een jonge, bijzonder knappe vrouw met een uitstraling en een charme, voor wie elke man wel moest bezwijken.’
Fred Prins hield zijn hoofd iets schuin. ‘Hoe gingen zij te werk?’
De Cock glimlachte. ‘De werkwijze was even simpel als doeltreffend. Cecile Burroughs verleidde de mannen om met haar mee te gaan naar haar witte caravan, aan een smalle, stille en doodlopende zijlaan van Langs de Akker in Amstelveen. Ver voordien bracht zij mevrouw Van Amerongen van haar afspraken op de hoogte. Die sloot zich voor hun komst met een breinaald op in de kleine doucheruimte van de caravan. Wanneer de mannen geheel ontkleed hun vurig liefdesspel bedreven, kwam ze uit de doucheruimte tevoorschijn. Cecile Burroughs hield de mannen dan even stevig omklemd, zodat mevrouw Van Amerongen met haar scherpe breinaald trefzeker kon toeslaan.’
Mevrouw De Cock sloeg haar hand voor haar mond.
‘Verschrikkelijk.’
De Cock wreef zich vermoeid achter in zijn nek. ‘We hadden het bewijs van de toedracht vermoedelijk nooit kunnen leveren als Felix Rietfeld niet zijn medewerking had toegezegd.’
Fred Prins fronste zijn wenkbrauwen. ‘Wie is Felix Rietfeld?’
De Cock lachte. ‘De man, die jullie terzake moord c.q. doodslag hebben gearresteerd.’ De oude rechercheur bracht zijn handen naar voren. ‘Ik zal het proberen uit te leggen. Felix Rietfeld was de vierde man met dezelfde tatoeage: een klavertjevier. Ik was ervan overtuigd dat het duo Cecile Burroughs en Alida van Amerongen het plan had om ook hem te vermoorden… om hetzelfde motief. Hij moest voor mij als lokaas dienen.’
Fred Prins grinnikte. ‘En dat lukte.’
De Cock knikte. ‘Maar dat was niet eenvoudig. Zolang ik het motief van de beide dames niet kende, kon ik Felix Rietfeld niet overreden om mij te helpen. Felix Rietfeld bewaarde, net als de reeds vermoorde mannen, een duister geheim. Het is niet voor niets, dat ik hem voor moord c.q. doodslag heb laten arresteren.’
Vledder slikte. ‘Wat was dat dan voor een moord of doodslag?’
De Cock wees naar de lege glazen. ‘Laat ik eerst nog eens inschenken.’ De grijze speurder pakte opnieuw de fles cognac Napoleon. ‘Dit was een van de ingewikkeldste zaken uit mijn loopbaan,’ vervolgde hij. ‘Wat mij intrigeerde, was het feit dat de drie mannen op exact dezelfde plek werden gevonden… na elders te zijn vermoord. De moordenaar, zo redeneerde ik, moest met die plek een relatie hebben… of het was een aanduiding voor het motief van de dader. Een van beide. Toen ik tot dat inzicht was gekomen, ben ik met Afra Molenkamp in onze administratie gaan spitten en wij vonden een tien jaar oud proces-verbaal over het aantreffen van het lijk van een jongeman in het water van de Brouwersgracht bij de Melkmeisjesbrug.’
De oude rechercheur zweeg even voor het effect. ‘De naam van deze jongeman luidde: Ronald van Amerongen.’
Vledder keek hem met grote ogen aan. ‘Zoon van mevrouw Van Amerongen?’
De Cock knikte. ‘Haar enige zoon,’ antwoordde hij somber. ‘Haar enige kind. Bij een gerechtelijke sectie bleek dat de jongeman was verdronken, maar in zijn bloed zat een alcoholpercentage van 3,2 promille.’
Vledder floot tussen zijn tanden. ‘Dat is nogal wat.’
De Cock pauzeerde even en nam een slok van zijn cognac.
‘Omdat er geen duidelijke aanwijzingen voor misdaad waren,’ ging hij verder, ‘en de gulp van de jongeman openstond toen hij uit het water werd gevist, nam de rechercheur die de zaak destijds behandelde, gemakshalve aan, dat Ronald van Amerongen met een dronken kop aan de wallenkant had staan plassen en in de Brouwersgracht was gevallen en verdronken.’
‘En dat was niet zo?’
De Cock schudde zijn hoofd. ‘De schuldigen waren Karel Marinus Donker-Korzelius, Philip de Lent, Ralf van Zutphen en Felix Rietfeld. Deze vier toekomstige meesters in de rechten waren allen lid van het beruchte studentendispuut Probandum… Latijn voor wat bewezen moet worden. Dat dispuut was destijds ondergebracht in een oud pand aan de Brouwersgracht. Ronald van Amerongen wilde als eerstejaars student in de rechten… als feut… lid worden van dat dispuut. Tijdens de ontgroening dwongen genoemde heren Ronald van Amerongen om alcohol te gebruiken. Toen de jongeman dat principieel weigerde, namen ze een trechter, hielden hem vast en dwongen hem op die manier een gehele fles whisky te drinken. Ze goten de drank als het ware bij die jongen naar binnen.’
Mevrouw De Cock brieste. ‘Smeerlappen.’
De grijze speurder kneep zijn lippen opeen. ‘Het werd nog smeriger. Ronald van Amerongen, een jonge sportman die nooit alcohol gebruikte, raakte in coma.
De vier licht aangeschoten studenten wisten met de in coma geraakte Ronald van Amerongen geen raad. Ze waren bang dat de jongeman in hun midden zou sterven. Ze hebben toen ter misleiding van de recherche zijn gulp opengemaakt. Daarna droegen ze hem uit het dispuut en lieten zijn lichaam in het water van de Brouwersgracht zakken, waar de jongeman verdronk.’
Appie Keizer hijgde. ‘Dat is moord.’
De Cock knikte. ‘Toen het edele viertal na de begrafenis van Ronald van Amerongen opgelucht constateerde dat hun wandaad blijkbaar onopgemerkt was gebleven, kwamen ze onderling overeen dat ze er verder voor eeuwig over zouden zwijgen. Als bewijs van dat verbond lieten ze bij Tattoo Peter op hun onderarm een klavertjevier tatoeëren.’
Fred Prins spreidde zijn beide handen. ‘Waarom een klavertjevier?’
De Cock grijnsde. ‘Als symbool,’ sprak hij cynisch, ‘dat ze er zo gelukkig vanaf waren gekomen.’
Vledder boog zich naar hem toe. ‘Hoe kwam het uit? Hoe leerde mevrouw Van Amerongen de ware toedracht kennen?’
De Cock zuchtte. De uiteenzetting vermoeide hem.
‘Een paar weken geleden, op een zondag na een wedstrijd van de zogeheten oude mannen, zat het viertal in het clubhuis van ACC bijeen en dronk stevig. Wie van de vier de dood van Ronald van Amerongen opnieuw in herinnering bracht, is mij nog niet duidelijk geworden. In ieder geval hoorde Cecile Burroughs, die die zondag dienst deed aan de bar, wat er zo’n tien jaar geleden met de jonge Ronald van Amerongen was gebeurd.’
Vledder knikte begrijpend. ‘En Cecile Burroughs vertelde het aan mevrouw Van Amerongen.’
De Cock wuifde voor zich uit. ‘Ik vermoedde al een band tussen Cecile Burroughs en Alida van Amerongen. Toen Alida van Amerongen na die mislukte aanslag op haar niet meer in haar eigen huis durfde, vluchtte ze…’
Vledder onderbrak hem. ‘… als een verschrikt vogeltje naar het huis van Cecile Burroughs.’
De Cock knikte. ‘Cecile Burroughs heeft, zo vertelde ze mij, na de scheiding van haar ouders in Engeland, jarenlang bij de familie Van Amerongen in Amstelveen gewoond. Of er tussen haar en Ronald, zoon van de familie, een liefdesrelatie heeft bestaan, weet ik niet. Toen ik vanmorgen tijdens haar verhoor die mogelijkheid opperde, begon ze te huilen.’
Hans Rijpkema boog zich naar voren. ‘Die beide vrouwen hadden met hun wetenschap toch gewoon naar de politie kunnen stappen?’
De Cock beet op zijn onderlip. ‘Dat heb ik hen gezegd.’
‘En?’
De grijze speurder keek naar hem op.
‘Ken jij het antwoord niet?’ vroeg hij treurig.
Hans Rijpkema liet beschaamd zijn hoofd zakken.
‘Ik begrijp het. Ze hadden geen vertrouwen in onze Nederlandse rechtspleging.’
De Cock zuchtte diep. ‘Ik heb wel even moeite gehad om het te verwerken.’ De stem van de oude rechercheur trilde een beetje. ‘Mijn hele leven lang heb ik het recht gediend… bij nacht en ontij ben ik daarvoor op pad geweest en dan vertellen die twee vrouwen jou doodkalm en in volle overtuiging dat zij het geloof in onze rechtspleging hadden verloren en daarom besloten om het recht in eigen hand te nemen.’
Er viel een korte stilte.
Mevrouw De Cock vroeg de aandacht van haar man. ‘Hoe wordt ze nu gestraft?’
‘Wie?’
‘Cecile Burroughs? Zij heeft de moorden toch niet gepleegd.’
De Cock trok een pijnlijk gezicht. ‘Zonder Cecile Burroughs waren ze niet mogelijk geweest. Zij verleidde de mannen, bracht hen naar haar liefdesnestje, waar mevrouw Van Amerongen geduldig op haar prooi stond te wachten. Ik schat, dat de rechter weinig onderscheid zal maken.’
‘En beiden even zwaar zal straffen?’
‘Dat vermoed ik.’
‘En Felix Rietfeld?’ De grijze speurder maakte een hulpeloos gebaartje.
‘Hoe groot zijn aandeel is geweest in de moord op Ronald van Amerongen, is moeilijk meer vast te stellen. Zijn mededaders van destijds kunnen niets meer vertellen.’
De Cock zweeg. Hij nam omzichtig een slokje van zijn cognac en keek de kring rond.
‘Nog vragen?’
Niemand reageerde.
De oude rechercheur zakte ver terug in zijn fauteuil. Het droevige relaas van de moorden had hem afgemat.
Mevrouw De Cock stond op, liep naar de keuken en kwam terug met een schaal vol lekkernijen.
Het gesprek werd algemener en de zaak van de dode meesters raakte op de achtergrond.
Tegen middernacht namen de jonge collega’s afscheid. Toen ze waren vertrokken, schoof mevrouw De Cock een poef bij en ging tegenover haar man zitten.
‘Ik heb eens in onze medische encyclopedie gekeken. Het is bepaald niet gemakkelijk om met een breinaald in iemands rug te steken en precies het hart te raken.’
De Cock glimlachte. Hoewel hij dat niet aanmoedigde, leefde zijn vrouw altijd intens met zijn onderzoeken mee. Soms toonde ze een verrassend inzicht.
‘Je bedoelt… hoe kon Alida van Amerongen zo snel en trefzeker toeslaan?’
‘Precies.’
‘Alida van Amerongen was tot haar huwelijk jarenlang operatiezuster in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in Amsterdam.’