13

De Cock keek zijn jonge collega vragend aan.

‘Weet je al wat?’

Vledder knikte.

‘Ik heb eerst contact opgenomen met onze eigen meldkamer aan het hoofdbureau. Daar was van een moordaanslag op een vrouw niets bekend. Toen bedacht ik, dat Alida van Amerongen ons had verteld dat ze dicht bij het clubhuis van ACC woonde.’

‘In Amstelveen.’

Vledder knikte opnieuw.

‘Het verhaal van Cecile Burroughs klopt. Gisteravond, zo rond de klok van zeven uur, is er vanuit een auto… een grote donkere sedan… op Alida van Amerongen geschoten. Het gebeurde op het moment dat zij in de Graaf Florislaan uit haar woning stapte.’

‘En?’

Vledder zwaaide afwerend.

‘Ze is wonder boven wonder niet gewond. Ze heeft zelfs geen schrammetje opgelopen… nou ja, een paar kapotte kousen en enige onbeduidende schaafwondjes aan handen en knieën.’

‘Meer niet?’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Er is drie keer op haar geschoten. Al bij het eerste schot heeft ze zich laten vallen. De kogels troffen haar woningdeur.’

‘Is er wat bekend van die donkere sedan?’

Vledder trok zijn schouders op.

‘Reed met gedoofde lichten weg,’ sprak hij somber. ‘Alida van Amerongen was te geschrokken om een kenteken op te nemen. Ze heeft ook niemand gezien… alleen een hand met een wapen.’

De Cock plukte aan zijn onderlip.

‘Ze weet dus niet hoeveel mensen er in die auto zaten?’

‘Nee.’

‘Van welke plek werd er geschoten? Ik bedoel: waar zat de schutter?’

‘Op de bestuurdersplaats.’

‘Dat is zeker?’

‘Ja.’

‘Getuigen?’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Geen getuigen.’ De jonge rechercheur grijnsde breed. ‘Er wordt tegenwoordig ’s avonds op de kwelbuis in al die snelle politieseries zoveel geknald, dat een paar schoten op straat niet meer opvallen.’

De Cock knikte instemmend.

‘Het wapen?’

‘De recherche van Amstelveen heeft de kogels uit de hardhouten deur gepeuterd. Ze waren van het kaliber negen millimeter.’

‘Uit een machinepistool?’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Vrijwel zeker een revolver. Er zijn ter plekke geen hulzen gevonden.’

‘Een negen millimeter revolver.’

Vledder knikte.

‘Gehanteerd door een miserabele schutter.’

‘Hoezo?’

Vledder grinnikte.

‘De wagen stond aan de rand van het trottoir. Vanaf die afstand had zelfs jij haar moeten raken.’

De Cock negeerde de opmerking.

‘Heeft mevrouw Van Amerongen officieel aangifte gedaan van een poging tot doodslag?’

‘Volgens rechercheur Van den Bosch van de Amstelveense politie eiste ze op hoge toon dat de dader onmiddellijk werd gearresteerd.’

De Cock glimlachte.

‘Ik vermoed dat rechercheur Van den Bosch die eis niet onmiddellijk heeft kunnen inwilligen.’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Zijn onderzoek heeft tot nu toe niets opgeleverd. Van den Bosch had weinig hoop ooit achter de identiteit van de schutter te komen. Mevrouw Van Amerongen kon zelf geen enkele aanwijzing in de richting van een dader geven. Volgens haar eigen verklaring had ze geen vijanden. Integendeel, eenieder was altijd heel lief en vriendelijk voor haar. Ze begreep dan ook niets van die aanslag op haar leven.’

‘Jij?’

‘Wat bedoel je?’

‘Begrijp jij iets van die moordaanslag?’

Vledder maakte een mistroostig gebaar.

‘Rechercheur Van den Bosch dacht aanvankelijk aan een vergissing… dat Alida van Amerongen niet als slachtoffer was bedoeld.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Identiteitsverwisseling… dat de aanslag was gericht op een ander.’

‘Precies. Maar volgens rechercheur Van den Bosch wonen in die Graaf Florislaan alleen maar nette mensen. Hij kent daar niemand met een crimineel verleden.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen

‘Moet dat… moet het slachtoffer een crimineel verleden hebben?’

Vledder zuchtte.

‘Als de moordaanslag als een liquidatie was bedoeld, dan denk je toch aan een crimineel circuit.’

De Cock grijnsde.

‘Met een kille, ervaren schutter, die zo min mogelijk kogels vermorst?’

Vledder liet zijn hoofd zakken.

‘Je hebt gelijk. Volgens rechercheur Van den Bosch, die ter plekke was gaan kijken, werd de aanslag nogal amateuristisch uitgevoerd.’

‘Het was dus geen poging tot liquidatie?’

‘Nee, daar lijkt het niet op.’

‘Waar lijkt het dan wel op?’

Vledder wreef met de muis van zijn handen langs zijn ogen. Het was een gebaar van vermoeidheid.

‘Misschien moeten wij Alida van Amerongen zelf nog eens over die aanslag op haar verhoren. Ik weet niet meer, dan hetgeen rechercheur Van den Bosch uit Amstelveen mij heeft verteld.’

De Cock knikte.

‘Dat lijkt mij een goed idee. We moeten dat wel doen in overleg met Van den Bosch, anders maakt dat zo’n rare indruk, alsof wij…’ De oude speurder stokte.

Er werd geklopt.

De beide rechercheurs draaiden zich om en keken naar de deur van de recherchekamer. Het licht in de lange gang brandde. Op het geribde glas van de deur bewoog het silhouet van een figuur in een cape met capuchon. Het was een beminnelijk beeld.

Omdat Vledder op het kloppen niet reageerde, riep De Cock: ‘Binnen!’

De deur ging langzaam open en in de deuropening verscheen een jonge vrouw. Ze schoof haar capuchon naar achteren en schudde haar haren los.

Opnieuw onderging De Cock de magie van haar buitengewone schoonheid. Ze was mooi, stelde hij vast, uitzonderlijk mooi. Mysterieus, fascinerend, betoverend.

Ze haakte de cape los en trok hem met een bijna dierlijke gratie van haar ranke schouders. Een regen van fijne druppeltjes viel op de vloer. Vledder schoot haastig toe en nam de cape van haar over. Ze schonk hem een flauwe, wat matte glimlach.

Langzaam liep ze de kale recherchekamer binnen.

De Cock boog hoffelijk en gebaarde uitnodigend naar de stoel naast zijn bureau. ‘Ga zitten, Cecile,’ sprak hij vriendelijk. De oude rechercheur wees naar de regendruppels op de vloer. ‘Het regent?’ vroeg hij overbodig.

Cecile Burroughs nam voorzichtig plaats, legde haar roodlederen buidel op de rand van het bureau en sloeg haar benen over elkaar.

‘In één opzicht lijken Engeland en Nederland op elkaar… veel neerslag.’

De Cock liet zich in zijn stoel achter zijn bureau zakken.

‘Bent u alleen, zonder begeleiding naar de Warmoesstraat gekomen?’ vroeg hij bezorgd.

Cecile Burroughs schudde haar hoofd.

‘Een taxi heeft mij gebracht.’ Ze keek met een strak gezicht naar hem op. ‘De Amsterdamse politie kent haar taak niet. Veiligheid op straat is toch wel het minste wat de burger van de politie mag verwachten.’

De Cock trok een verongelijkt gezicht.

‘Bent u alleen gekomen om mij dit verwijt te doen?’ vroeg hij beteuterd.

Cecile Burroughs glimlachte.

‘U lokte het verwijt uit.’

De Cock maakte een verontschuldigend gebaar.

‘Ik maakte mij zorgen om uw welzijn,’ reageerde hij vriendelijk. ‘Verwijt over het gebrekkig functioneren van de politie trek ik mij aan, maar is uiteindelijk het gevolg van een politieke keus. De overheid heeft voor uw en mijn veiligheid maar weinig over.’

Cecile Burroughs trok haar schouders op.

‘Politiek interesseert mij niet. Ik waag mij in deze buurt ’s avonds na acht uur niet meer op straat. Dat is mijn realiteit. En in mijn optiek is dat de schuld van de politie. Zij verricht haar taak niet goed.’

Haar toon was vinnig.

De Cock glimlachte.

‘Waar woont u?’

‘Aan de Stadionkade.’

De Cock strekte zijn hand naar haar uit.

‘Als ik de reden van uw komst ken, zorgen mijn collega en ik na afloop van ons onderhoud voor een veilige escorte naar huis.’

Cecile Burroughs verschoof iets op haar stoel.

‘Ik wil dat u de recente moordaanslag op mevrouw Van Amerongen behandelt.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Hebt u geen vertrouwen in de recherche van de politie in Amstelveen?’

Cecile Burroughs zuchtte.

‘Ik kan over hun bekwaamheid geen oordeel vellen. Dat wil ik ook niet.’

De Cock keek haar strak aan.

‘Wat wilt u dan?’

Cecile Burroughs schoof een lok van haar blonde haren uit haar gezicht.

‘Ik wil,’ sprak ze zacht, ‘dat u de moordaanslag op mevrouw Van Amerongen in uw onderzoek naar de dood van Philip de Lent betrekt.’

De Cock keek haar niet-begrijpend aan.

‘Waarom?’

Cecile Burroughs wuifde voor zich uit.

‘Omdat ik vermoed dat er tussen beide zaken een verband bestaat.’

‘Hoe?’

Cecile Burroughs stak haar kin iets omhoog.

‘Grace de Lent… zij heeft haar man vermoord… precies op tijd… nog een paar dagen en ze had naar het vermogen van haar man kunnen fluiten. Dat is niet alleen mijn persoonlijke mening, maar ook de mening van mevrouw Van Amerongen.’

Cecile Burroughs zweeg, ze beet op haar onderlip.

‘Gisteravond,’ ging ze verder, ‘kwam Alida als een verschrikt vogeltje bij mij aan de deur. Ze vertelde me wat er was gebeurd. Ze durfde haar eigen huis niet meer in… bang dat opnieuw een of andere idioot op haar ging schieten.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Heeft mevrouw Van Amerongen vermoedens geuit… vermoedens ten aanzien van de dader?’

Cecile Burroughs schudde haar hoofd.

‘Ze was totaal in de war… niet in staat om een samenhangend verhaal te doen.’

‘Waar is mevrouw Van Amerongen nu?’

Cecile Burroughs gebaarde over haar schouder.

‘Bij mij thuis. Maar dat kan natuurlijk niet eeuwig zo blijven.’

De Cock boog zich iets naar haar toe.

‘Heeft mevrouw Van Amerongen na de moord op Philip de Lent op de club verteld van haar ernstige verdenkingen ten aanzien van zijn vrouw?’

Cecile Burroughs knikte nadrukkelijk.

‘Uiteraard. Daar is heftig over gediscussieerd. Veel leden van de club delen haar mening. Die moordaanslag op mevrouw Van Amerongen is duidelijk een wraakneming van Grace de Lent.’

‘Een wraakneming voor het feit dat mevrouw Van Amerongen haar verdacht heeft gemaakt?’

Cecile Burroughs zwaaide met beide handen.

‘Grace de Lent is een keiharde, zelfzuchtige vrouw, die niets en niemand ontziet. Weet u dat ze niet eens de begrafenis van haar man heeft bijgewoond?’

‘Nee.’

Cecile Burroughs kneep haar lippen op elkaar.

‘Ik stond daar moederziel alleen,’ sprak ze bitter. ‘In de regen. Ik had al zo’n idee dat Grace niet naar de Oosterbegraafplaats zou komen. Daarom ging ik. Verder was er niemand… niemand die enige belangstelling toonde.’

Ze zuchtte diep.

‘Arme Philip. Ik heb zelfs niemand van de club gezien.’

De Cock keek peinzend naar haar op.

‘Als Grace de Lent er wel was geweest,’ vroeg hij cynisch. ‘Wat had u gedaan… naast haar treurend achter de baar gelopen?’

Cecile Burroughs schudde haar hoofd.

‘Ik blijf liever uit haar buurt. Grace is tot alles in staat. Ze heeft zelfs gedreigd mij neer te schieten als ik haar nog langer lastigval.’

‘Deed u dat?’

‘Wat?’

‘Haar lastigvallen?’

Cecile Burroughs liet haar hoofd iets zakken.

‘Ik wil dat Grace schuld bekent.’ Ze keek op met een felle blik uit haar helgroene ogen. ‘Men kan toch niet ongestraft een moord plegen?’


Ze reden met hun Golf van de Stadionkade weg. Een striemende regen, gestuwd door een straffe najaarswind, geselde de voorruit. Vledder bromde: ‘Het is hier eeuwig rotweer.’ Hij veegde met zijn mouw de condens weg en zette de ruitenwissers op hoogste frequentie. Daarna blikte de jonge rechercheur opzij.

‘Tevreden?’

‘Nee.’

Vledder trok zijn gezicht in een ernstige plooi.

‘Alida van Amerongen is van die aanslag behoorlijk geschrokken. Als je mij vraagt is ze rijp voor een psychiater.’

De Cock ontweek zijn uitzicht op de zwiepende ruitenwissers en liet zich onderuitzakken.

‘Slachtoffers van een misdrijf,’ reageerde hij grommend, ‘krijgen vaak ook geestelijk een optater.’

Vledder grijnsde.

‘Leuk voor de toekomst,’ sprak hij met een zweem van sarcasme.

De Cock knikte.

‘Als de criminaliteit in ons lieve landje in hetzelfde tempo blijft stijgen, kan over een paar jaar de helft van de Nederlandse bevolking psychisch beschadigd de WAO in.’

Vledder lachte.

‘Als daar nog geld voor is.’ De jonge rechercheur reed een tijdje zwijgend door. Hij keek weer opzij. ‘Hoe vat je die beschuldigingen op?’

‘Je bedoelt ten aanzien van Grace de Lent?’

‘Cecile Burroughs en Alida van Amerongen lijken van haar schuld overtuigd.’

De Cock drukte zich weer wat omhoog.

‘Cecile Burroughs heeft Grace de Lent al beschuldigd tijdens ons eerste onderhoud met haar. Het feit dat de schatrijke Philip de Lent een paar dagen voor de echtscheiding werd uitgesproken stierf, kan men ten nadele van haar uitleggen.’

‘Een motief?’

De Cock knikte.

‘Ten aanzien van de dood van haar echtgenoot. Maar wat is haar motief ten aanzien van de moord op meester Donker-Korzelius?’

Vledder wuifde voor zich uit.

‘Dat wij dat motief nog niet kennen,’ reageerde hij fel, ‘betekent niet dat er geen motief is. Daarvoor weten we nog te weinig. Ik ben het volkomen met Cecile Burroughs eens. Ook de moordaanslag op Alida van Amerongen kan men ten nadele van Grace de Lent uitleggen.’

‘Hoe?’

‘Ze is het gebabbel van die oude tante beu.’

De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.

‘Alida van Amerongen kon niet eens zeggen of de revolver, waarmee ze werd beschoten, door een man of een vrouw werd gehanteerd.’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Dat zegt niets. Als iemand een revolver op je leegschiet, dan…’

De Cock wuifde het onderwerp weg en reageerde verder niet.

Vledder zweeg.

Hij reed vanaf het Rokin rechts achter het monument om naar de Warmoesstraat en parkeerde de Golf voor de ingang van het politiebureau. Ze stapten uit en sloften naar de hal.

Jan Kusters telefoneerde. De wachtcommandant merkte de binnenkomst van de beide rechercheurs niet op. Bijna sluipend gingen ze aan de balie voorbij en bestegen de trappen naar de tweede etage.

Op de bank voor de ingang van de grote recherchekamer zat een jonge vrouw. Ze was gekleed in een donkergroene wijde regenmantel en een bijpassend hoedje in de vorm van een zuidwester. Haar voeten staken in zwarte glimmende laarsjes. Toen ze De Cock in het oog kreeg, kwam ze van de bank overeind en stapte op de grijze speurder toe.

De Cock keek haar verrast aan.

‘Annette van het Sticht.’ In zijn stem trilde verbazing.

‘Wat komt u doen… een bekentenis afleggen?’

Загрузка...