Een schrale, kille herfstwind blies snerpend vanuit nevelige verten, toverde op het brede water van de Amstel wilde golven met schuimende koppen en joeg onbelemmerd door kaalgestormde bomen en struiken. Lage heesters in tinten van roestig bruin tot felle okers kleurden het najaar.
Rillend, iets gebogen, slofte rechercheur De Cock naast Vledder over het brede toegangspad van de oude Amsterdamse begraafplaats Zorgvlied. Het grove grind knerpte onder zijn voeten. Hij trok de kraag van zijn regenjas omhoog en omdat het dreigde af te waaien, rukte hij zo wild aan zijn vilten hoedje, dat het trouwe hoofddeksel totaal van vorm veranderde.
Vledder keek hem afkeurend aan.
‘Mode is aan jou niet besteed,’ sprak hij hoofdschuddend. ‘Die oude regenjas en hoed van jou mogen wel eens in de voddenzak van het Leger des Heils. Vindt jouw vrouw het goed dat je er zo bij loopt?’
De kritiek op zijn kleding ging aan De Cock voorbij. Het interesseerde hem niet. De oude rechercheur wuifde naar de fraaie milde herfsttinten om hen heen.
‘Ik vind,’ sprak hij teder, ‘dit een heel mooi jaargetijde om te sterven.’
Vledder blikte opzij. ‘Plotseling, gewelddadig, zoals de nog jonge Donker-Korzelius?’
De Cock schudde zijn hoofd. ‘Niet plotseling en niet gewelddadig,’ antwoordde hij ernstig. ‘Een gewelddadige dood mag men, naar mijn gevoel, ook geen sterven noemen.’
Vledder keek hem verrast aan.
‘Hoe dan wel?’
‘Vernietigen. Het vernietigen van een leven, dat zonder die gewelddadige ingreep niet was gestorven. Het is als een boom die men in volle wasdom kapt.’
De jonge rechercheur bromde.
‘Ik zie geen verschil,’ sprak hij nukkig. ‘Sterven is sterven.’
De Cock zuchtte.
‘Er is een wezenlijk verschil. Doodgaan betekent voor mij… na een bruisend bestaan, gevolgd door een rustige, bedachtzame levensavond… met een hart vol gloedvolle warmte voor wat het leven heeft geboden… sterven in de herfst… gelijk met de natuur. Dat geeft aan het verscheiden… aan het afscheid van ons aardse bestaan een passende symboliek.’
De oude rechercheur sprak gedragen en in volle ernst.
Vledder keek De Cock van terzijde aan. Een blik vol ongeloof.
‘Nonsens,’ riep hij hartgrondig. ‘Niemand sterft met een hart vol gloedvolle warmte voor wat het leven hem of haar heeft geboden. Voor de meeste mensen komt de dood als een verlossing, een bevrijding van ziekte, leed, verdriet en ongemak.’
De Cock maakte een verontschuldigend gebaar.
‘Mag ik een romantische visie op de dood hebben?’ vroeg hij verongelijkt.
Vledder trok zijn schouders op.
‘Ga je gang,’ antwoordde hij onverschillig.
Het onderwerp liet De Cock niet los.
‘Eenieder denkt verschillend over Magere Hein,’ ging hij docerend verder. ‘De wrede man met de zeis spookt in ieders gedachten. Dat blijkt. Onze taal kent voor het begrip doodgaan een veelheid aan uitdrukkingsvormen.’
‘Zoals?’
De Cock grijnsde.
‘Het loodje leggen… het hoekje omgaan. Men kan eenvoudig overlijden, wat deftiger verscheiden of ludieker de pijp aan Maarten geven. Er zijn ook mensen, die menen tot hun voorvaderen te worden vergaderd. Dan zijn er optimisten, die wanneer zij hun hachje erbij inschieten, direct naar de eeuwige jachtvelden verhuizen. Je kunt uiteraard ook de kraaienmars blazen of voorgoed de ogen sluiten.’
Vledder grinnikte.
‘Ken je er nog meer?’
Het klonk spottend.
De Cock knikte.
‘Gelovigen zullen veelal de geest geven en dan voor Gods rechterstoel verschijnen.’
Vledder keek hem lachend aan.
‘En hoe sterf jij?’
De Cock tastte met zijn beide handen naar zijn vervormde hoedje. ‘Ik hoop,’ formuleerde hij voorzichtig, ‘dat het mij is gegeven om eens de geest te geven om voor Gods rechterstoel te verschijnen.’
‘Daar geloof jij in?’
‘Ja.’
‘Wie is God?’
De vraag overviel De Cock. Hij vertraagde zijn pas en bleef toen midden op het grindpad staan. Met een brede armzwaai wees de oude rechercheur naar de vele graven om hen heen.
‘De dood,’ sprak hij gedragen, ‘is een mysterie… Een mysterie dat de mens met al zijn wetenschap nog niet heeft kunnen doorgronden. Daarom bestaan er zoveel uitdrukkingen voor doodgaan. Ook God is een mysterie. Volgens oosterse opvattingen droomt God in de mineralen, slaapt in de planten, ontwaakt in de dieren en wordt bewust in de mensen.
Ik hoop dat eens God in mij bewust wordt… misschien begrijp ik dan ook iets van de dood.’
Vledder trok een bedenkelijk gezicht.
‘Ik vind dit geen prettig onderwerp.
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik in feite ook niet.’
De jonge rechercheur keek hem beschuldigend aan.
‘Jij begon.’
De Cock knikte gelaten.
‘Ik ben ook ouder.’
De beide rechercheurs liepen verder het grindpad af.
De Cock blikte voor zich uit naar enige mannen en vrouwen, die steunend tegen de muur van de aula beschutting zochten tegen de felle noordenwind. Tot zijn grote verrassing ontdekte hij onder hen de tengere gestalte van Smalle Lowietje. Hij stond er wat verloren bij in een donkere, enigszins verschoten regenjas.
De oude rechercheur liep snel op hem toe en trok de caféhouder iets van de anderen weg.
‘Wat doe jij hier?’ vroeg hij niet-begrijpend.
Smalle Lowietje grijnsde.
‘Kijken.’
‘Naar wat… naar wie?’
‘De moordenaar… de man die voor een paar centen die jonge officier van justitie heeft omgebracht.’
De Cock keek hem schattend aan.
‘Jij kent hem?’
Smalle Lowietje knikte traag.
‘Als hij hier komt, zal ik hem herkennen.’
De Cock hield zijn hoofd iets schuin.
‘Dat begrijp ik niet.’
Smalle Lowietje trok achteloos zijn schouders op.
‘Ik weet welke jongens over de moord op die officier van justitie hebben gesproken… over hun plannen… het bedrag dat hen werd geboden. Ik denk dat de werkelijke moordenaar mallotig genoeg is om de begrafenis van zijn slachtoffer bij te wonen.’
‘En dan?’
‘Wat bedoel je?’
‘Als hij komt?’
Smalle Lowietje keek naar hem op.
‘Dan wijs ik hem jou aan.’
De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.
‘Lowietje als versliecheraar… ben jij van je geloof afgestapt?’
De tengere caféhouder schudde zijn hoofd.
‘Wanneer een jongen van de penoze met een hoer samenleeft en zo nu en dan een kraak zet, dan heb ik daar vrede mee. Hij mag van mijn part ook allerlei andere akkefietjes opknappen, die het daglicht niet kunnen velen.’
Smalle Lowietje zweeg even. In zijn stem sloop venijn toen hij verder ging.
‘Maar wanneer deftige heren met witte boorden vanachter hun bureau dicteren wie er dient te worden vermoord omdat ze een gevaar vormen voor de instandhouding van hun misdaadimperium, dan stort mijn wereld in.’
De Cock legde vertrouwelijk zijn hand op de tengere schouder van de caféhouder en schonk hem een milde grijns.
‘Dat is geen drama, Lowie,’ sprak hij met een zweem van tederheid. ‘Mijn wereld is al lang geleden ingestort. Van hetgeen ik als jong rechercheur als recht en billijk zag, is in onze samenleving nog maar weinig over.’ Hij grinnikte vreugdeloos. ‘En dan te bedenken dat ik mij mijn hele leven heb ingespannen om die oude begrippen van recht en billijkheid in stand te houden.’
De oude rechercheur zweeg. Hij keek de kleine man voor zich langdurig aan.
‘Ga naar huis, Lowie,’ sprak hij dwingend. ‘Je loopt hier een longontsteking op. Bovendien… jouw moordenaar komt niet.’
Smalle Lowietje keek opnieuw naar hem op. Over zijn lelijke muizensmoeltje gleed een traan.
‘Dat weet je zeker?’
‘Absoluut.’
‘Ik had je willen helpen, De Cock.’
De grijze speurder knikte. Er schoot een brok in zijn keel. ‘Lowie,’ sprak hij schor, ‘geloof me… dat weet ik… daarvoor is in mijn hart geen twijfel.’
Een brede, glanzende lijkwagen kroop langzaam over het grind van het toegangspad naderbij. Op enige afstand stopten de volgwagens. De deuren van de aula gleden onhoorbaar open en de met bloemen bedekte baar werd uit de wagen getild.
Met ontbloot hoofd, zijn vormloos hoedje in zijn hand, keek De Cock toe. Toen eenieder door de aula was opgeslokt, stapte hij met Vledder als laatste naar binnen. De beide rechercheurs schoven naar de achterwand. Met hun rug leunend tegen de eikenhouten lambrisering, keken ze naar een deftig in het zwart geklede heer, die achter een katheder plaatsnam.
De heer rangschikte enige papieren voor zich en kuchte indrukwekkend. Daarna bracht hij zijn beide armen in een theatraal gebaar schuin naar voren.
‘God,’ sprak hij met grote stemverheffing, ‘schenke u Zijn zegen en geve u vrede. Amen.’ Hij liet zijn beide armen zakken en ging rustiger verder. ‘Ziende op de Heer die gesproken heeft: Ik ben de opstanding en het leven, die in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven en eenieder die leeft…’
Vledder bracht zijn mond naar het oor van De Cock.
‘Ik heb dit meer gehoord,’ fluisterde hij. ‘Hebben die jongens in het zwart geen andere tekst?’
De Cock keek hem bestraffend aan, maar reageerde verder niet.
‘Wij zijn hier,’ galmde de stem gedragen verder, ‘om te gedenken een moedig man… een man die in dienst stond van het recht… met hart en ziel de gerechtigheid nastreefde… en nooit verzakend in zijn pogen om de misdaad in al haar verschij…’
De oude rechercheur liet zijn scherpe blik over de ruggen van de aanwezigen dwalen.
Vooraan, in het midden, gesluierd in zwarte tule, zat mevrouw Donker-Korzelius. Haar lange zwarte haren waren gevangen in een wrong. In haar rechterhand klemde ze een tot een bol samengeknepen zakdoekje.
Naast haar zat een statige heer met charmant grijs aan de slapen. De Cock schatte hem op haar vader. Voor zover hij zijn gelaatstrekken kon waarnemen, waren er duidelijk overeenkomsten.
Op de tweede rij, met strakke gezichten en in stemmig zwart, zaten enige officieren van justitie, ex-collega’s van de dode meester Donker-Korzelius. Ook herkende de grijze speurder leden van de parketwacht.
Ineens bleef zijn blik rusten op een jonge vrouw in een donkergroene wijde regenmantel en een bijpassend hoedje in de vorm van een zuidwester. Ze zat op de achterste rij. Naast haar waren stoelen vrij.
De Cock sloop voorzichtig op zijn tenen langs de eikenhouten lambrisering naar haar toe en liet zich op de stoel links van haar zakken.
De vrouw schrok zichtbaar.
Terwijl de zalvende woorden van de prediker vanachter zijn katheder tot in de hoeken van de aula dreunden, boog de oude rechercheur zich iets naar haar toe.
‘Annette van het Sticht,’ sprak hij zacht, ‘wanneer verandert u van toilet?’
Na een kille begrafenisplechtigheid, zonder emoties van verdriet, reden ze met hun Golf van het oude Zorgvlied weg. Het stormde nog steeds.
Vledder gniffelde.
‘Schrok Annette van het Sticht toen jij haar zei dat jij dezelfde mantel en hoedje in Baarn in de villa van Peter Gramsma had gezien?’
De Cock knikte.
‘Haar stuntelig verweer, dat haar wijde groene mantel van een gangbaar confectiemodel was en dat het bijpassende hoedje in vrijwel elke modezaak werd verkocht, klonk weinig overtuigend.’
Vledder grijnsde.
‘Maar je kon het niet weerleggen.’
De Cock maakte een hulpeloos gebaar.
‘Dat is het. Annette van het Sticht had gelijk. We hebben haar niet in persoon gezien. Alleen haar kleding… althans soortgelijke kleding in de garderobenis. Het ware misschien beter geweest als wij die avond in Baarn waren blijven posten om te zien of ze uit de villa kwam. Maar ik had geen zin om daar een nacht of wellicht nog langer aan op te offeren.’
Vledder liet zijn stuur even met beide handen los.
‘En wat dan nog? Zelfs al hadden wij haar uit de villa zien komen…’ Hij maakte zijn zin niet af.
De Cock grinnikte.
‘Annette van het Sticht werd bepaald onrustig toen ik haar vertelde dat ik ook de geur van haar parfum had herkend.’
Vledder keek hem verwonderd aan.
‘Was dat zo?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Het was een leugentje… een leugentje om bestwil. Het hielp ook niet. Annette van het Sticht bleef ontkennen dat zij vertrouwelijke gegevens van justitie aan Peter Gramsma doorgaf. Ze beweerde, dat zij de topcrimineel alleen van naam kende en nooit enig contact met hem had gehad.’
‘Ze liegt?’
De Cock ademde diep.
‘Ik ben er vrijwel van overtuigd dat zij een informante is van Peter Gramsma. Het ellendige is dat het moeilijk te bewijzen valt.’
‘Ze kan dus rustig doorgaan?’
De Cock spreidde zijn handen.
‘Hoofdinspecteur Karperhof zal het probleem van de lekken met de nieuwe officier van justitie opnemen. Maar als dezelfde mensen op dezelfde plaatsen blijven zitten, verwacht ik daar niet veel van.’
Vledder fronste zijn wenkbrauwen.
‘Kunnen ze die Annette van het Sticht bij de justitie niet ontslaan?’
De Cock trok een bedenkelijk gezicht.
‘Voor een ontslag moet men gronden aanvoeren… de reden voor het ontslag. En als Annette van het Sticht dat ontslag en de aangevoerde gronden niet accepteert en bij het Ambtenarengerecht in beroep gaat, vrees ik dat men haar ontslag weer ongedaan moet maken.’
‘Je bedoelt dat keiharde bewijzen ontbreken.’
De Cock knikte.
‘Het enige wat men kan doen, is haar op een werkplek plaatsen waar ze geen kwaad kan.’
Ze reden zwijgend via de Stadhouderskade en de Nassaukade naar de Rozengracht. Het was Vledder, die na enige tijd het zwijgen verbrak.
‘Wat deed Smalle Lowietje op Zorgvlied?’
De Cock glimlachte.
‘De dader aanwijzen.’
‘Van de moord op Donker-Korzelius?’
‘Precies.’
Vledder blikte verbaasd opzij.
‘Jij stuurde hem weg.’
De Cock knikte.
‘Het had geen zin om Smalle Lowietje op die winderige begraafplaats te laten staan. De moordenaar die hij dacht aan te wijzen, kwam niet.’
Vledder slikte.
‘Dat wist jij?’
De Cock knikte.
‘Absoluut.’
‘Hoe?’
‘Meester Donker-Korzelius werd niet door een huurmoordenaar omgebracht.’
‘Niet door een huurmoordenaar?’
‘Nee.’
‘Door wie dan wel?’
De Cock wreef zich achter in zijn nek.
‘Daar ben ik nog niet achter.’
Vledder parkeerde de Golf in de Warmoesstraat voor de ingang van het politiebureau. De beide rechercheurs stapten uit. Toen ze de hal binnenkwamen, riep Jan Kusters hen naderbij. De wachtcommandant pakte van zijn bureau een notitie.
De Cock liep op hem toe.
‘Slecht nieuws?’
Jan Kusters gebaarde achteloos.
‘Ene Cecile Burroughs heeft gebeld. Ze vroeg naar jou. Toen ik haar zei dat je er niet was, vroeg ze of jij al wist van die moordaanslag.’
De Cock trok een vies gezicht.
‘Een moordaanslag?’
Jan Kusters knikte.
‘Op ene Alida van Amerongen. Gisteren, in de namiddag is vanuit een auto op haar geschoten.’