5

Toen Annette van het Sticht de grote recherchekamer had verlaten, kwam Vledder overeind, pakte de stoel naast het bureau van De Cock en ging daar achterstevoren op zitten. Hij duimde over zijn schouder.

‘Ik ben ervan overtuigd,’ formuleerde hij voorzichtig, ‘dat een toegewijde secretaresse meer van de gedragingen van haar chef weet, dan deze charmante Annette van het Sticht ons openbaart.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen. ‘Had jij ook het idee,’ reageerde hij verbaasd, ‘dat onze secretaresse niet geheel openhartig was?’

Vledder knikte. ‘Ze liet beslist niet het achterste van haar tong zien.’ De jonge rechercheur zweeg even. ‘Ik wilde mij niet in jouw verhoor mengen, maar ik had haar graag willen vragen waar zij haar intimiteiten met de officier van justitie bedreef.’

De Cock keek naar hem op.

‘Je bedoelt, in een auto, bij haar thuis of in een of ander motel?’

‘Precies. Misschien heeft Donker-Korzelius een liefde… een voorkeur voor bepaalde plekken en kunnen we daar eens gaan kijken.’

De Cock trok een bedenkelijk gezicht.

‘Ik heb daar wel een moment aan gedacht, maar ik vond die vraag, gezien de stand van ons onderzoek, te indiscreet. Het is geen moord. Onze Karel Marinus Donker-Korzelius wordt vermist… meer niet. Dat levert niet eens een strafbaar feit op.’

Vledder gebaarde voor zich uit.

‘Volgens Smalle Lowietje lopen er wel mensen met een moordplan rond.’

De Cock maakte een afwerend gebaar.

‘Annette van het Sticht zegt dat ernstige bedreigingen nooit het parket van de officier van justitie hebben bereikt. Volgens haar leefde de heer Donker-Korzelius er zorgeloos op los.’

Vledder verschoof iets op zijn stoel.

‘Die vrouw bezorgt mij kriebels. Ik vertrouw haar niet… niet helemaal.’

De Cock dacht na.

‘Het verbaast mij ook dat zij vandaag voor het eerst door roddels ervaart dat Karel Marinus Donker-Korzelius een onverbeterlijke rokkenjager is, die al met diverse vrouwelijke leden van het parket een min of meer intieme verhouding had.’

Vledder glimlachte.

‘Je hebt gelijk,’ sprak hij instemmend, ‘dergelijke zaken blijven in een werksfeer niet onopgemerkt. Dat blijkt ook uit het feit, dat men op het parket blijkbaar wel wist dat Annette van het Sticht als secretaresse iets had met haar eigen chef. Als toch iemand moet weten waar hij uithangt dan ben jij het. Dat is, dunkt mij, duidelijk genoeg.’

De Cock strekte zijn handen voor zich uit en drukte zijn vingertoppen tegen elkaar. ‘Bij sommige vrouwen die door hun minnaar zijn verlaten, blijft een sluimerend gevoel van wrok… van verbittering hangen. Die gekwetste vrouwen kunnen uiterst gevaarlijk zijn.’

Vledder keek hem verrast aan

‘Vroeg je daarom of ze breide?’

De Cock tastte met de toppen van zijn vingers naar zijn voorhoofd. ‘Het was een domme, volkomen onzinnige vraag,’ antwoordde hij weifelend. ‘Ik besefte dat op het moment dat ik die vraag stelde. De man in het water van de Brouwersgracht met een breinaald in zijn rug was niet Donker-Korzelius. Maar ik kon er echt niets aan doen. De vraag welde intuïtief bij mij op.’

Vledder keek hem fronsend aan.

‘Ik ben bang voor jouw intuïties.’

De Cock knikte traag.

‘Ik ook,’ sprak hij ernstig. ‘Ik heb vaak gemerkt dat onverklaarbare gevoelens…’ De oude speurder stokte.

Er werd geklopt.

De beide rechercheurs draaiden zich om en keken naar de deur van de recherchekamer. Het licht in de lange gang brandde. Op het geribde glas van de deur bewoog het silhouet van een figuur in een cape met capuchon. Het was een sprookjesachtig beeld.

Vledder stond op van zijn stoel, zette die weer recht naast het bureau van De Cock en riep: ‘Binnen!’

De deur ging langzaam open en in de deuropening verscheen een jong vrouw. Ze schoof haar capuchon naar achteren en schudde haar haren los.

De Cock schatte haar op achter in de twintig. Ze was mooi, stelde hij vast, uitzonderlijk mooi. Het lange blonde haar hing golvend op haar zwarte cape. Ze haakte de cape los en trok hem met een gracieus gebaar van haar ranke schouders. Een regen van fijne druppeltjes viel op de vloer. Vledder schoot haastig toe en nam de cape van haar over. Ze schonk hem een flauwe, wat matte glimlach. Langzaam liep ze de kale recherchekamer binnen.

De Cock boog hoffelijk en gebaarde uitnodigend naar de stoel naast zijn bureau. ‘Gaat u zitten,’ sprak hij vriendelijk.

Ze schonk hem een genadig knikje.

‘Dank u zeer.’ Haar stem klonk hees.

Ze nam voorzichtig plaats, legde een roodlederen buidel op de rand van het bureau en sloeg bevallig haar benen over elkaar. Haar bewegingen en gebaren waren traag en geraffineerd, bedoeld om een overrompelende impressie achter te laten.

De Cock zag het gelaten aan. Haar gedrag toverde een glimlach om de lippen van de oude rechercheur, maar imponeerde hem verder niet. De geur van haar parfum ondervond hij als aangenaam. Hij liet zich in zijn stoel achter zijn bureau zakken.

‘Mijn naam is De Cock,’ opende hij beminnelijk. ‘De Cock met ceeooceekaa.’ Hij wuifde in de richting van zijn jonge collega. ‘En dat is Vledder, mijn onvolprezen hulp.’ De oude rechercheur zweeg even; keek haar schattend aan. ‘Waarmee zouden wij u van dienst kunnen zijn?’

Ze antwoordde niet direct. ‘Mijn naam is Cecile… Cecile Burroughs.’ Ze sprak met een licht Engels accent.

De Cock kneep zijn ogen halfdicht.

‘Burroughs… een on-Hollandse naam.’

Ze knikte instemmend. ‘Mijn vader was een Engelsman… een sportman. Van hem heb ik mijn liefde voor cricket geërfd. Ik ben al vele jaren lid van ACC, de Amstelveense Cricket Club. Ik speel in het damesteam.’

De Cock trok een grijns.

‘Het spijt mij,’ sprak hij verontschuldigend, ‘ik weet niet veel van cricket af. Voetbal is het enige spel waar ik iets van begrijp.’

Cecile Burroughs tuitte haar bekoorlijke lippen.

‘Dat geeft niet,’ sprak ze minzaam. ‘Cricket is in Holland nog geen geliefde sport… telt nog niet veel beoefenaars. Maar daar komt verandering in. We zijn bezig om sponsors…’

De Cock glimlachte.

‘Ik neem niet aan,’ onderbrak hij vriendelijk, ‘dat u naar de Warmoesstraat bent gekomen om mij warm te maken voor de cricketsport.’

Cecile Burroughs trok haar roodlederen buidel op haar schoot, maakte die open en nam daaruit een opgevouwen krant. Ze vouwde die gedeeltelijk terug en wees op de foto van de vermoorde man uit het water van de Brouwersgracht.

‘Weet u al wie dat is?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Hij is voor ons nog steeds een onbekende dode.’

Cecile Burroughs zuchtte diep.

‘Daar was ik al bang voor.’ Ze tikte met haar wijsvinger op de foto in de krant. ‘Divorce… ik bedoel: hij ligt… lag met zijn vrouw in scheiding. Ik verwachtte dat ze niet op dit krantenbericht zou reageren… ook al kreeg ze het onder ogen… daarom ben ik gekomen.’

De Cock strekte zijn hand naar haar uit.

‘U weet wie die man is?’

Cecile Burroughs knikte.

‘Philip… Philip de Lent.’

‘U kent hem?’

‘Ja.’

‘Goed?’

Cecile Burroughs trok haar schouders op.

‘Niet zo erg goed. Oppervlakkig. Hij is ook lid van onze cricketclub. Hij speelt in het vierde… het elftal van de oude mannen.’

‘Oude mannen?’

Cecile Burroughs glimlachte.

‘Ze zijn vrijwel allen over de dertig… niet zo snel meer.’

‘U kent hem toch wel zo goed, dat u weet dat hij in een echtscheidingsprocedure is gewikkeld,’ reageerde De Cock.

Cecile Burroughs grinnikte.

‘Dat weet iedereen bij ons op de club. Bovendien ken ik Grace, zijn vrouw. Ze heeft bij ons in het dameselftal gespeeld.’

‘En met haar hebt u ook nog contact?’

Cecile Burroughs maakte een vaag gebaar.

‘Sinds het begin van de scheiding komt ze nog sporadisch op de club. De verhouding tot haar man Philip was zeer gespannen. Grace wilde het liefst elke confrontatie met hem vermijden.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Had het echtpaar kinderen?’

Cecile Burroughs schudde haar hoofd.

‘Philip de Lent was zeer vermogend en volgens Grace erg aan dat vermogen gehecht.’

De Cock grijnsde.

‘Hij wilde er bij een echtscheiding zo weinig mogelijk van afgeven.’

‘Precies.’

De Cock streek met zijn pink over de rug van zijn neus.

‘Bent u bereid om hem… ik bedoel Philip de Lent… te identificeren?’

Cecile Burroughs keek hem argwanend aan.

‘Wat betekent… eh, i-den-ti-fi-ce-ren?’

De Cock gebaarde achteloos.

‘Dat wij in het mortuarium in Westgaarde zijn lijk aan u laten zien.’

Cecile Burroughs toonde verwondering.

‘Waarom?’

De Cock trok een pijnlijk gezicht.

‘Dat zijn wij wettelijk verplicht,’ sprak hij verontschuldigend. ‘Bij een identificatie mogen wij niets aan het toeval overlaten. Een persoonsverwisseling kan zeer kwalijke gevolgen hebben.’

Cecile Burroughs schudde resoluut haar hoofd.

‘Ik wil zijn lijk niet zien,’ sprak ze met een rilling van afgrijzen. ‘Voor geen prijs. Ik vind die foto in de krant al verschrikkelijk.’

De Cock zuchtte.

‘Kent u anderen die hem kunnen identificeren… misschien leden van de club?’

Cecile Burroughs reageerde geërgerd.

‘Identificeren… dat moet Grace maar doen… of die potige familie van haar. Volgens mij zijn zij ook verantwoordelijk voor zijn dood.’

De Cock boog zich iets naar haar toe.

‘Dat is een ernstige beschuldiging,’ sprak hij streng.

Cecile Burroughs knikte nadrukkelijk.

‘Dat besef ik.’

De Cock spreidde zijn beide handen.

‘Verantwoordelijk voor zijn dood… in welk opzicht?’

Cecile Burroughs griste de krant van zijn bureau. Wild, met nerveuze bewegingen propte ze hem terug in haar leren buidel. ‘Grace heeft al een paar maal gedreigd om hem te vermoorden… of te laten vermoorden.’ Ze keek naar De Cock op en trok haar mond tot een smalle lijn. ‘En Philip wist dat.’

Nadat Cecile Burroughs onder veel dankzeggingen de grote recherchekamer uit was geloodst, liet De Cock zich in zijn stoel achter zijn bureau zakken.

‘We worden vandaag wel geconfronteerd met mysterieuze vrouwen. Mooi van lijn, gevaarlijk en ongehuwd.’

Vledder knikte.

‘Toch heeft die Cecile Burroughs ons goed geholpen. Het moet niet moeilijk zijn om mensen te vinden, die de vermoorde man uit de Brouwersgracht als Philip de Lent kunnen identificeren.’

De Cock grinnikte.

‘Cecile Burroughs bracht ons tevens de oplossing… Philip de Lent werd vermoord door zijn eigen vrouw.’

Vledder keek naar hem op.

‘Onmogelijk?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Er is sprake van een echtscheidingsprocedure. Maar als het huwelijk nog niet is ontbonden en ze zijn destijds in gemeenschap van goederen getrouwd, dan erft die Grace zijn gehele vermogen. En geld is en blijft altijd… een excuus voor moord.’

Vledder krabde op zijn voorhoofd.

‘Philip de Lent,’ sprak hij zacht mijmerend. ‘Die naam komt mij op een of andere manier bekend voor. Als ik mij niet vergis, was hij een strafpleiter… een advocaat. Ik meen De Lent wel eens in rechtbankverslagen te zijn tegengekomen.’

De jonge rechercheur pakte een telefoonboek en begon te bladeren. ‘Hier,’ riep hij opgetogen: ‘Lent, mr. P.A. de, Keizersgracht 1127, advocaat en procureur.’

De Cock wuifde in zijn richting.

‘Staat er ook een privéadres?’

Vledder knikte.

‘In de Korenmolen 223, Duivendrecht.’

De Cock stond van zijn stoel, slenterde naar de kapstok en wurmde zich in zijn oude regenjas.

Vledder legde het telefoonboek weg en kwam hem na.

‘Waar ga je heen?’

‘Duivendrecht.’

Er kwam glans in de ogen van Vledder.

‘Gaan we die Grace arresteren?’

De Cock schoof zijn hoedje over zijn grijze haardos en schudde zijn hoofd. ‘We gaan een vrouw condoleren met het verlies van haar man.’


Grace de Lent bleek een steviggebouwde vrouw van rond de vijfendertig jaar. Ze had bruine ogen, een iets te grote neus en kort, zwartglanzend ponyhaar. Ze keek van De Cock naar Vledder en terug.

‘Rechercheurs van de Warmoesstraat?’

De Cock knikte.

‘Ik neem aan dat u het avondblad hebt gelezen?’

Ze deed de deur van haar woning verder open en ging de rechercheurs voor naar haar gezellig ingerichte woonkamer. Ze wees naar een paar lederen fauteuils om een ronde tafel. ‘Neemt u plaats,’ sprak ze gedragen. ‘En om uw vraag te beantwoorden… ik heb het avondblad gelezen.’

De Cock liet zich in een fauteuil zakken en legde zijn hoedje naast zich op het parket. Langzaam keek hij naar de vrouw op.

‘Ook het bericht over uw man?’

Grace de Lent nam tegenover hem plaats en knikte.

‘Ook het bericht over mijn man,’ antwoordde ze effen.

De Cock spreidde zijn handen.

‘U hebt niet gereageerd.’

Grace de Lent schudde haar hoofd.

‘Ik heb ook niet gehuild.’

‘U hebt geen verdriet?’

Over haar mond gleed een droevige grijns.

‘Verdriet,’ herhaalde ze toonloos. ‘Ik ben blij dat anderen het voor mij hebben opgeknapt… anders had ik hem vermoord.’

De Cock keek haar onderzoekend aan.

‘Ik beluister in uw woorden een hart vol haat… verbittering.’

Grace de Lent knikte traag.

‘Ik heb van Philip gehouden… toen hij als jong jurist begon met een klein kantoor. Maar mijn liefde is omgezet in haat… langzaam… sluipend. Hij omringde zich steeds meer met patserige figuren uit de onderwereld… nam voor veel geld hun verdediging op zich… kocht getuigen om… eerlijke mensen, die bezweken voor de Mammon… de Mammon, die Philip als slaaf diende.’

Grace de Lent sloeg haar beide handen voor haar gezicht.

De Cock wachtte geduldig, drong niet aan.

Na enige tijd nam ze de handen voor haar gezicht weg.

‘Toen hij zich met Peter Gramsma associeerde,’ ging ze zuchtend verder, ‘was voor mij de maat vol. Ik heb hem ons huis uit gejaagd.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Wie… eh, wie is Peter Gramsma?’

Grace de Lent liet haar hoofd iets zakken.

‘Leider van een omvangrijke maffiabende, die drugs… zogenaamde potentiepillen… in het geniep fabriceert en verspreidt.’

Загрузка...