3

Vanaf het midden van de smalle Melkmeisjesbrug staarde rechercheur De Cock naar het glinsterende water van de Brouwersgracht. Er was een lichte stroming. Er werd gespuid. Een vuil brok piepschuim schuurde langs de schoeiing.

De schijnwerper van een politiewagen hield het naakte lichaam van een man in een spookachtig licht. Hij dreef schuin voorover. Zachtjes deinde zijn kruin in het grachtwater. Zo af en toe kwam zijn brede rug iets omhoog.

De Cock boog zich ver over de brugleuning. Uit het midden van de rug van de man stak iets wat hij niet goed kon onderscheiden. Het leek op het verchroomde uiteinde van een autoantenne. De oude rechercheur keek toe hoe de broeders van de Geneeskundige Dienst met behulp van een paar agenten het lijk in een groot net probeerden te vangen. Het lukte niet best. Het lijk glipte steeds onder het net vandaan. Een van beide broeders keek naar hem op.

‘Er steekt iets uit zijn rug.’

De Cock maakte van zijn handen een toeter. ‘Laat hem niet wegdrijven, maar wacht er nog even mee voor je hem naar boven haalt.’

‘Waarom?’

De Cock antwoordde niet. Hij liep van de brug naar hem toe. Vertrouwelijk legde hij een hand op de schouder van de broeder. ‘Ik heb een fotograaf aangevraagd,’ legde hij geduldig uit. ‘Die is onderweg. Ik had graag een paar plaatjes van het lijk, zoals het daar drijft… compleet met dat ding in zijn rug. Het kan belangrijk zijn. Ik ben bang dat het bij het ophijsen langs de stenen schoeiing beschadigt.’

De beide broeders knikten begrijpend en lieten het zware net weer wat vieren.

De Cock hurkte aan de wallenkant. Het gezicht van de man in de gracht was niet te onderscheiden. De oude rechercheur blikte schuin omhoog naar Vledder.

‘Jij hebt betere ogen dan ik… kun jij zien wat er in zijn rug steekt?’

Vledder hurkte naast hem neer.

‘Het lijkt wel een breinaald.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Een breinaald,’ herhaalde hij ongelovig.

Vledder knikte.

‘Beslist… een breinaald. Ik ken die scherpe dingen. Mijn moeder had vroeger altijd een breiwerkje op haar schoot. Ik heb mij er vaak aan geprikt.’

Bram van Wielingen, de al wat oudere politiefotograaf, tikte de grijze speurder op zijn rug.

‘Ik heb weinig tijd,’ riep hij wat nors. ‘Ik hoop dat je niet te veel noten op je zang hebt.’

De Cock kwam uit zijn gehurkte houding omhoog. Zijn oude knieën kraakten. ‘Tijd?’ riep hij met gespeelde verbazing. ‘Jij hebt voor mij net zoveel tijd als ik wil dat je hebt.’

Bram van Wielingen maakte een wrevelig gebaartje.

‘Kom, De Cock,’ sprak hij verontschuldigend, ‘ik voel me wat katterig. Ik ben vannacht vrij laat thuisgekomen van een feestje.’

De Cock grinnikte.

‘Zolang als ik je ken, en dat is al heel lang, ga jij feestend door het leven.’

Bram van Wielingen trok een verongelijkt gezicht.

‘Ga jij nooit naar een feestje?’

De Cock antwoordde niet. De oude rechercheur wees naar het lijk in de gracht. ‘Ik wil dat je zo een paar opnamen van hem maakt… met die naald in zijn rug. En straks nog een paar als we hem op de wallenkant hebben gehesen.’

‘Nog meer?’ vroeg Bram van Wielingen gemelijk. ‘Wil je soms ook de hele gracht in beeld?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Alleen een paar bruikbare prenten van zijn gezicht,’ antwoordde hij gelaten. ‘Als hij niet is wie ik denk dat hij is, dan verwacht ik grote moeilijkheden met de identificatie. Een naakte vent heeft gewoonlijk geen legitimatiepapieren bij zich.’

Het klonk spottend.

Bram van Wielingen keek naar hem op.

‘Wie verwacht je dat hij is?’

De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.

‘Daar laat ik mij voorlopig niet over uit.’

‘Waarom niet?’

‘Ik wil niemand in moeilijkheden brengen.’

Bram van Wielingen keek hem peilend aan, maar liet het onderwerp verder rusten. ‘Lopen er nog opsporingsberichten van vermiste personen?’ vroeg hij vriendelijk.

‘Plenty.’

Bram van Wielingen bukte zich en klapte zijn aluminium koffertje open. Hij nam daaruit zijn trouwe Hasselblad en monteerde een flitslicht. Hij werkte snel en secuur.

Toen de fotograaf voldoende opnamen had gemaakt, ondernamen de broeders een nieuwe poging om het lijk te vangen. Het lukte hen om het zware net onder het lijk door te trekken. Omzichtig sjorden ze het lichaam omhoog. Het druipende net schuurde langs de stenen beschoeiing.

Op de wallenkant trokken de broeders het net voorzichtig onder de man vandaan. Het vuile grachtwater stonk.

De dode man lag op zijn buik. Een glanzende breinaald stak ongeveer tien centimeter uit zijn rug. Alleen de linker zijkant van het gezicht van de man was zichtbaar in het licht van de schijnwerper van de politieauto.

De Cock pakte zijn zaklantaarn en scheen de dode recht in het gezicht. Hij keek opzij naar Vledder, die gehurkt naast hem zat.

‘Donker-Korzelius?’

De jonge rechercheur schudde zijn hoofd.

‘Deze man… deze man ken ik niet.’


De Cock liet zich in zijn stoel achter zijn bureau zakken. Hij keek naar Vledder, die tegenover hem was neergestreken en zijn aantekeningen uitwerkte.

De grijze speurder had de jonge rechercheur opdracht gegeven om met de Golf de ambulancewagen van de Geneeskundige Dienst vanaf de Brouwersgracht naar het mortuarium op Westgaarde te volgen en de lijkschouw af te wachten.

Zelf was hij rustig, in zijn wat slepende tred, naar de Warmoesstraat gewandeld. Onderweg was hem een gevoel van teleurstelling overvallen… teleurstelling dat de dode man in de gracht niet de vermiste Donker-Korzelius was. Hij had getracht dat vreemde gevoel te analyseren. Geloofde hij onbewust dat de officier van justitie niet in een liefdesaffaire was gewikkeld, maar wel degelijk was vermoord?

Hij strekte zijn hand naar Vledder uit.

‘Wat hebben we?’

De jonge rechercheur raadpleegde zijn aantekeningen en las voor. ‘Een lange, slanke, goedgebouwde man. Gespierd. Eenmeter-zevenentachtig. Betrekkelijk jong nog. Geschatte leeftijd: vijfendertig jaar. Kleur van de irissen lichtend groen; de pupillen normaal, niet vergroot of vernauwd. Een ovaal gelaat met iets ingevallen wangen. De huid, door het grachtwater enigszins aangetast, was licht gebruind. Regelmatige, sterke witte tanden.’ Vledder keek van zijn notities op. ‘Volgens de gangbare maatstaven, vond ik, had de dode een knap gezicht. Dat was ook de mening van de broeders die hem hadden schoongespoeld.’

‘Bijzonderheden?’

Vledder boog zich weer over zijn aantekeningen.

‘Geen littekens. Geen sieraden. Zelfs geen trouwring. Alleen een forse moedervlek op zijn linkerschouderblad.’ De jonge rechercheur zweeg even voor het effect. ‘En… op zijn rechteronderarm, even boven de pols… een zwart omrande groene tatoeage, voorstellende een klavertjevier.’

‘Een klavertje vier?’

Vledder knikte.

‘Ongeveer zo groot als een gulden.’

De Cock bromde.

‘Het heeft hem geen geluk gebracht.’

Vledder glimlachte.

‘Dat niet. Maar het kan bij identificatie helpen. Bram van Wielingen moet het morgen maar fotograferen. Hij kan dan met Ben Kreuger meekomen, wanneer die vingerafdrukken van het lijk neemt.’

De Cock knikte.

‘Wat zei de lijkschouwer?’

Vledder grinnikte.

‘Dat de man dood was.’

De Cock lachte. Hij kende het gedrag van dokter Den Koninghe. De oude, wat excentrieke lijkschouwer had een vreemde manier om de resultaten van zijn doodschouw mee te delen.

‘Doodsoorzaak?’

‘Inwendige verbloeding. Dokter Den Koninghe schatte dat de breinaald het hart heeft geperforeerd.’

De Cock knikte begrijpend.

‘De man was al dood,’ sprak hij rustig, ‘voor hij in het water terechtkwam.’

‘Absoluut. Voor alle zekerheid zal ik morgen bij de sectie aan dokter Rusteloos vragen of de dode water in zijn longen heeft.’

De Cock wreef zich achter in zijn nek. Hij voelde zich vermoeid. Wat verkrampt keek hij op naar de grote klok boven de toegangsdeur. Het was halfvier in de nacht.

‘Zet alles wat je hebt maar op de telex,’ sprak hij diep zuchtend.

‘Het gehele signalement, zoals ik dit hier heb?’

De Cock knikte hem toe.

‘Precies, het hele signalement.’ Hij zweeg even… kauwde peinzend op zijn onderlip. Met zijn hoofd iets schuin en zijn ogen halfgesloten keek hij zijn jonge collega aan. ‘Je weet toch zeker dat die dode in de gracht niet Donker-Korzelius is?’

Vledder reageerde verrast.

‘Natuurlijk weet ik dat zeker,’ antwoordde hij gepikeerd. ‘Donker-Korzelius heeft veel minder haar op zijn hoofd. En dat lijk in het mortuarium heeft ook niet zo’n hoog voorhoofd.’

De Cock spreidde zijn beide handen.

‘Maar het lijk uit de gracht heeft wel ongeveer dezelfde leeftijd als Donker-Korzelius.’

Vledder schudde resoluut zijn hoofd.

‘Ik vergis me niet,’ sprak hij afgemeten.

De telefoon op het bureau van De Cock rinkelde. Vledder boog zich ver naar voren, nam de hoorn op en luisterde.

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Wie is het?’ vroeg hij gespannen.

Vledder dekte met zijn hand het spreekgedeelte van de hoorn af. ‘Mevrouw Donker-Korzelius,’ antwoordde hij zacht. ‘Ze heeft erover nagedacht en wil nu toch officieel de opsporing van haar man verzoeken.’

De Cock trok zijn neus iets op.

‘Vraag haar of haar man op zijn rechteronderarm een tatoeage heeft.’

Vledder nam zijn hand van de hoorn.

‘Heeft uw man,’ vroeg hij gehoorzamend, ‘een tatoeage op zijn rechteronderarm?’

De Cock kon het antwoord niet horen. Hij zag hoe het gezicht van zijn jonge collega plotseling verbleekte. Na luttele seconden legde Vledder de hoorn op het toestel terug en keek verschrikt op.

‘Don… Donker-Korzelius,’ stamelde hij, ‘heeft een tatoeage op zijn rechteronderarm.’

‘Wat voor een?’

‘Een klavertjevier.’


Het wolkendek hing laag boven de Amsterdamse binnenstad en hulde de toppen van de eeuwenoude geveltjes in grijze dekens.

Vanaf het Stationsplein, waar hij uit de tram was gestapt, slenterde De Cock langs het Victoriahotel naar het brede trottoir van het Damrak. Hij trok de kraag van zijn regenjas wat omhoog en drukte zijn vilten hoedje naar voren. Vanonder de gebogen rand keek hij naar de sombere gezichten die aan hem voorbijgleden. Een trage, miezerige motregen scheen alle blijheid bij de mensen te hebben weggespoeld.

Even bekroop hem de ondeugende gedachte om tegen al die sombere gezichten zoet grijnzend een lange neus te trekken. Maar hij beheerste zich. Amsterdam, zo bedacht hij, kende buiten hem al voldoende dwazen.

De grijze speurder verkeerde in een puike stemming. Een korte, maar intensieve nachtrust had zijn geest verkwikt. Hij had er zin in. Blijmoedig sjokte hij naar zijn geliefde Warmoesstraat, liep het politiebureau binnen en besteeg voor zijn leeftijd opmerkelijk kwiek de twee trappen naar de recherchekamer.

Toen hij binnenstapte zag hij Vledder al ijverig achter zijn nieuwe elektronische schrijfmachine zitten. De vingers van de jonge rechercheur gleden razendsnel over de toetsen. Pas toen De Cock tegenover hem in zijn stoel plofte, keek hij op.

‘Je bent laat.’

De grijze speurder keek op zijn horloge.

‘Het is pas halfelf.’

Vledder bromde.

‘Ik heb er al bijna twee uur op zitten.’ De jonge rechercheur duimde over zijn schouder. ‘De commissaris heeft naar je gevraagd. Hij is al driemaal bij mij langsgekomen om te vragen waar je bleef.’

De Cock stond van zijn stoel op.

‘Vannacht om halfvier lag hij op zijn bed. Ik niet.’ Hij keek vanuit de hoogte op Vledder neer. ‘Zit hem iets dwars?’

Vledder glimlachte.

‘Het schijnt dat officieren van justitie niet kunnen verdwijnen.’


Commissaris Buitendam, de lange, statige chef van het bekende politiebureau aan de Warmoesstraat, wenkte met een slanke hand.

‘Kom binnen, De Cock,’ sprak hij geaffecteerd, ‘en ga zitten.’ Hij kwam achter zijn bureau vandaan en gebaarde uitnodigend naar het zitje van stalen meubelen bij het raam, waar de commissaris slechts zijn prominente gasten ontving.

De grijze speurder trok zijn gezicht in een onwillige plooi. Nors en ontoegankelijk, dat was hij. Toenaderingen van zijn chef wees hij in de meeste gevallen koel en hooghartig van de hand. Hij had geen hekel aan zijn commissaris, maar leefde met hem toch op enigszins gespannen voet. De Cock hield dat graag zo, beducht voor elke inmenging in zijn wijze van onderzoek.

‘Als het u hetzelfde is… ik blijf liever staan.’

Op het bleke gezicht van de commissaris kwam een lichte blos. ‘Zoals je wilt.’ Hij liep terug naar zijn bureau en nam wat stijfjes plaats. Vanuit een lade pakte hij een krant en hield die omhoog. Met een kromme vinger wees hij naar de kop: Officier van justitie vermist.

‘Dit,’ sprak hij hees, ‘heb ik in mijn ochtendblad moeten lezen.’

De Cock keek hem niet-begrijpend aan.

‘En… wat is daar voor verkeerds aan?’

Commissaris Buitendam schudde zijn hoofd.

‘Dit had nooit zo in de publiciteit mogen komen,’ sprak hij streng. ‘De vermissing van een officier van justitie is een delicate zaak. Je had de affaire eerst met mij moeten bespreken. Dan had ik met het parket kunnen overleggen wat ons te doen stond.’

De Cock grinnikte vreugdeloos.

‘Er staat ons maar één ding te doen… die man… Donker-Korzelius, opsporen. Dat is de wens van zijn verontruste vrouw. Op haar verzoek heb ik zijn vermissing op de telex gezet.’

Commissaris Buitendam kneep zijn lippen opeen.

‘Ik… eh, ik heb,’ sprak hij met overslaande stem, ‘met zijn vrouw niets te maken.’

De Cock zette zijn benen iets uiteen.

‘Ik wel,’ reageerde hij laconiek.

Commissaris Buitendam tikte opnieuw op de kop in de krant: Officier van justitie vermist.

‘Dit,’ schreeuwde hij, ‘tast het vertrouwen aan dat het publiek in justitie heeft.’

De Cock grijnsde breed.

‘Vertrouwen?’ vroeg hij spottend. ‘Heeft het publiek dat nog… vertrouwen in onze justitie?’

Commissaris Buitendam kwam met een ruk uit zijn stoel overeind en wees trillend met zijn hand naar de deur.

‘Eruit!’

De Cock ging.

Загрузка...