7

Vledder klapte woedend met zijn vuist op het stuur van de Golf. ‘Werken wij vaak dag en nacht,’ brieste hij, ‘om feiten te verzamelen… om een bewijsvoering sluitend te krijgen en dan loodst een juffrouw van het parket alle gegevens door naar zo’n topcrimineel. Logisch, dat Peter Gramsma zich in alle gemoedsrust kan koesteren in de warmte van een knappend haardvuur. Het is om uit je vel te springen. Als er een sein tot actie wordt gegeven, is hij weg.’

De Cock lachte. Hij vond het altijd plezierig als zijn jonge collega zich opwond. ‘Jouw conclusie is nogal voorbarig,’ suste hij. ‘Er zullen ongetwijfeld meer jonge vrouwen zijn die een wijde donkergroene regenmantel dragen met een bijpassend hoedje in de vorm van een zuidwester. En het dragen van laarsjes is in dit jaargetijde ook niet uitzonderlijk.’

Vledder schudde resoluut zijn hoofd.

‘Het was Annette van het Sticht,’ riep hij met verbeten stelligheid. ‘Zij is het lek. Het kan niet anders. Die Peter Gramsma was van alles op de hoogte. Volkomen.

Hij wist dat er een onderzoek tegen hem gaande was… dat het onderzoek naar zijn aandeel in een drugssyndicaat werd geleid door Donker-Korzelius.’

De jonge rechercheur ademde diep en klapte opnieuw met zijn vuist op het stuur.

‘Hoe kon,’ ging hij wild verder, ‘Philip de Lent de verdediging van Peter Gramsma voorbereiden als hij niet exact wist wat de aanklacht was… als hij geen voorkennis had van de bewijsvoering die de officier van justitie tegen de leider van het drugssyndicaat had opgebouwd?’

Vledder zweeg even en stak zijn kin omhoog.

‘De vermoorde Philip de Lent,’ vervolgde hij met nadruk, ‘advocaat van Peter Gramsma, moet inzage van de processtukken hebben gehad.’

De Cock knikte traag voor zich uit.

‘Een aardig opgebouwde redenering,’ sprak hij toegevend. ‘Het ziet er inderdaad naar uit dat óf Peter Gramsma zelf, óf zijn advocaat Philip de Lent is voorgelicht… dat iemand uit de school heeft geklapt, maar ik herhaal… jouw conclusie om het lek aan Annette van het Sticht toe te schrijven, vind ik voorbarig. Er kunnen ook lekken zitten bij de narcoticabrigade.’

Vledder snoof.

‘Het was Annette van het Sticht,’ sprak hij halsstarrig. ‘Zij heeft inzake het onderzoek naar Peter Gramsma alle processtukken onder ogen gehad. Ze kent als secretaresse van Donker-Korzelius ook exact het tijdstip waarop tot arrestatie zal worden overgegaan.’

De Cock blikte opzij. Zelfs in het duistere interieur van de Golf was het felle rood in het gezicht van Vledder te onderscheiden. ‘Hoe… eh,’ vroeg hij vriendelijk, ‘past in jouw redenering de moord op Philip de Lent?’

De jonge rechercheur trok zijn schouders op.

‘Misschien heeft Philip de Lent,’ antwoordde hij achteloos, ‘te kennen gegeven dat hij als advocaat geen reële mogelijkheid voor een succesvolle verdediging zag en besloot Peter Gramsma, dat Philip de Lent dan maar beter kon verdwijnen… voorgoed.’

De Cock gaf geen commentaar. Hij was het niet met zijn jonge collega eens. De oude rechercheur was van mening dat Peter Gramsma de waarheid sprak… de dood van Philip de Lent kwam de bendeleider zeer ongelegen.

Ze reden een verregend Amsterdam binnen. Vledder loodste de Golf naar de oude binnenstad. Via de Wibautstraat en het Waterlooplein reden ze langs de Amstel naar het Muntplein.

De Cock blikte om zich heen. Er was op het late uur weinig verkeer op de weg. De grijze speurder zat rechtop. Gedachten aan drugsbenden en moord vervaagden. Zelfs de zwiepende ruitenwissers van de Golf stoorden hem niet. Vertederd bezag hij een lieflijk trapgeveltje, zacht spiegelend in het natte asfalt. De oude rechercheur genoot intens. Als het regende, zo was zijn stellige overtuiging, behoorde Amsterdam tot de mooiste steden van de wereld.

Vledder reed achter langs het monument op de Dam naar de Warmoesstraat. Voor het politiebureau was nog een parkeerplaats vrij. De beide rechercheurs stapten uit en klapten de portieren dicht.

Toen ze de hal binnenkwamen, wenkte Jan Kusters hen vanachter de balie.

De Cock liep op hem toe en keek op zijn horloge.

‘Wat je ook hebt,’ riep hij afwerend, ‘ik wil voor vandaag niets meer.’

De wachtcommandant keek hem breed grijnzend aan.

‘Jullie zijn mooi op tijd,’ riep hij prijzend.

‘Waarvoor?’

Jan Kusters wees naar de telefoon op zijn bureau.

‘Nog geen minuut geleden kreeg ik een melding binnen… van een man die aan de wallenkant zijn auto parkeerde. Ik heb er onmiddellijk een wagen heen gestuurd.’

De Cock hield zijn hoofd schuin.

‘Wat voor een melding?’

In zijn stem trilde argwaan.

De wachtcommandant zuchtte.

‘In het water van de Brouwersgracht bij de Melkmeisjesbrug drijft het lijk van een man.’

De Cock keek hem verslagen aan.

‘Naakt?’

Jan Kusters knikte traag en De Cock kneep even zijn ogen dicht.


Vanaf het midden van de smalle Melkmeisjesbrug staarde rechercheur De Cock naar het glinsterende water van de Brouwersgracht. Regendruppels vormden steeds wisselende kringetjes. Het spuien zorgde voor een lichte stroming. Een volle dichtgeknoopte vuilniszak gleed kantelend langs de pijlers van de brug.

De schijnwerper van een politiewagen hield het naakte lichaam van een man gevangen in een spookachtig licht. Hij dreef schuin voorover. Zachtjes deinde zijn kalende kruin in het grachtwater. Zo af en toe kwam zijn brede rug iets omhoog.

De Cock boog zich ver over de brugleuning. Uit het midden van de rug van de man stak iets wat hij niet goed kon onderscheiden. Maar intuïtief wist hij dat het een breinaald was.

De oude rechercheur keek toe hoe de broeders van de Geneeskundige Dienst met behulp van een paar agenten het lijk in een groot net probeerden te vangen. Het lukte niet best. Het lijk glipte steeds onder het net vandaan.

Een van de broeders keek naar hem op. ‘Het lijkt waarachtig wel,’ riep hij verrast, ‘dezelfde vent van een paar dagen geleden. Ook bij hem steekt iets uit zijn rug.’

De Cock maakte van zijn handen een toeter. ‘Een breinaald.’

De broeder blikte even naar het lijk in de gracht en keek toen weer omhoog. ‘Wilt u wachten op de fotograaf?’

De Cock antwoordde niet. Hij liep van de brug naar de broeder toe. Vertrouwelijk legde hij zijn hand op de schouder van de man. ‘Haal hem maar naar boven,’ sprak hij vriendelijk. ‘Ik heb van de vorige keer al genoeg plaatjes van de gracht.’

De broeders ondernamen een nieuwe poging om het lijk te vangen. Het lukte hen uiteindelijk om het zware net onder het lijk door te trekken. Omzichtig sjorden ze het lichaam omhoog. Het druipende net schuurde langs de stenen beschoeiing.

Op de wallenkant trokken de broeders het net voorzichtig onder de man vandaan. Het vuile grachtwater stonk.

De dode lag op zijn buik. Een glanzende breinaald stak ongeveer tien centimeter uit zijn rug. Alleen de linkerkant van het gezicht van de man was zichtbaar in het licht van de schijnwerper van de politieauto.

De Cock pakte zijn zaklantaarn en scheen de dode recht in het gezicht. Hij keek opzij naar Vledder, die gehurkt naast hem zat.

De jonge rechercheur slikte.

‘Het is Donker-Korzelius,’ sprak hij hees, ‘de officier van justitie… hebben ze hem toch te pakken gehad.’


Gewoontegetrouw minstens een vol uur te laat, kwam De Cock de volgende morgen opgewekt de grote recherchekamer binnenstappen. Een goede nachtrust had het lichaam van de grote speurder verfrist en zijn geest verkwikt. Hij zwaaide zijn oude hoedje naar de kapstok en miste. Met een jolige grijns op zijn gezicht bukte hij zich, raapte zijn hoedje op en hing het over een haak. Daarna deed hij zijn onafscheidelijke regenjas uit en slenterde naar Vledder, die zijn vingers rap over zijn elektronische schrijfmachine liet dansen.

‘Goedemorgen.’

De jonge rechercheur liet zijn vingers rusten en keek op. ‘Je bent laat, zoals gebruikelijk.’

De Cock negeerde de opmerking. ‘Wat zei de lijkschouwer?’

Vledder grinnikte. ‘Dokter Den Koninghe was nogal verrast toen hij de naakte Donker-Korzelius met een breinaald in zijn rug onder ogen kreeg.’

‘Kende hij de officier van justitie?’

Vledder schudde zijn hoofd. ‘De lijkschouwer vroeg zich wel bezorgd af hoeveel naakte waterlijken jij nog verwacht te vinden.’

De Cock liet zich in zijn stoel achter zijn bureau zakken. ‘Dat ligt niet aan mij,’ reageerde hij brommend, ‘maar aan de moordenaar. Het is niet mijn gewoonte om met lijken te strooien.’

Vledder glimlachte. ‘Verder was de lijkschouwer oprecht van mening dat de heer Donker-Korzelius was overleden.’

Het klonk laconiek.

De Cock knikte begrijpend. ‘Dokter Den Koninghe zei op zijn eigen wonderlijke manier dat hij dood was.’

‘Precies.’

De Cock snoof. ‘Doodsoorzaak?’

‘Inwendige bloedingen. Dokter Den Koninghe vermoedde dat… net als bij Philip de Lent… de breinaald het hart van Donker-Korzelius had geperforeerd. De glanzende breinaald in de rug van de officier van justitie zat precies op dezelfde plek.’

De Cock kneep zijn lippen op elkaar. ‘Dezelfde modus operandi… Donker-Korzelius werd op dezelfde manier om het leven gebracht als Philip de Lent.’

‘Door dezelfde man?’

‘Of vrouw.’

Vledder keek over zijn schrijfmachine heen naar De Cock. ‘Heb jij in je loopbaan wel eens meer moorden met een breinaald behandeld?’

De grijze speurder schudde zijn hoofd. ‘Niet vanaf de rugzijde. Ik herinner mij nog wel een vermoorde man die met een injectienaald in zijn hart was gestoken.’

Vledder knikte nadenkend. ‘Dat lijk tegen de muur van de Zuiderkerk.’[4]

De Cock plukte aan zijn onderlip. ‘Het is alweer vele jaren geleden.’

Vledder leunde iets voorover. ‘Wat dacht je?’ vroeg hij peinzend. ‘Vereist het niet enige anatomische kennis om iemand met één enkele steek met een breinaald te doden?’

De Cock ademde diep. ‘Hoe laat is de sectie?’

Vledder blikte op zijn horloge. ‘Over ongeveer een uur.’

‘Je moet dokter Rusteloos eens vragen of zo’n dodelijke steek een toevalstreffer kan zijn. Twee moorden met dezelfde precisie uitgevoerd, duidt mijns inziens op vakwerk.’

‘Je bedoelt dat de moordenaar exact wist hoe hij de breinaald moest hanteren?’

De Cock knikte instemmend. ‘Duidelijk.’ De oude rechercheur zweeg. Peinzend staarde hij voor zich uit. ‘Heb jij bij Donker-Korzelius nog naar die tatoeage gekeken?’

‘Dat klavertjevier?’

‘Ja.’

Vledder knikte. ‘Het was er… net als bij Philip de Lent… op de rechteronderarm even boven de pols… zo groot als een gulden.’


De Cock stond voor haar, iets gebogen, met ontbloot hoofd en een trieste blik in zijn ogen. Zijn oude hoedje hield hij voor zijn borst. ‘Mevrouw Donker-Korzelius,’ opende hij op plechtige toon, ‘voor u het droevige bericht vanavond in de kranten leest… wij hebben vannacht uw man in het water van de Brouwersgracht gevonden.’

Ze keek hem verschrikt aan. ‘Dood?’

De Cock ontweek haar blik. De oude rechercheur liet zijn kin tot op zijn borst zakken. Eerst na enkele seconden keek hij haar aan.

‘Ik condoleer u met het verlies van uw man.’

Mevrouw Donker-Korzelius slikte. ‘Hij is verdronken?’

De Cock schudde zijn hoofd. ‘Vermoord.’

Mevrouw Donker-Korzelius reageerde ontzet. ‘En toen in de gracht gegooid?’

De Cock antwoordde niet. Hij wees naar de leren fauteuils om de ruwhouten tafel. ‘Zullen we gaan zitten? Ik begrijp dat dit bericht u diep heeft geschokt. Hebt u familie, vrienden of kennissen, die u voor de rest van de dag kunnen bijstaan?’

Mevrouw Donker-Korzelius liet zich in een fauteuil zakken en vouwde haar handen in haar schoot. ‘Ik heb geen vrienden of kennissen en geen familieleden met wie ik omga.’ Ze keek op en plotseling kwam er een harde blik in haar ogen. ‘En ik heb ze ook niet nodig.’

De Cock nam tegenover haar plaats. ‘Ik hoef niemand te waarschuwen?’ vroeg hij met een zweem van ongeloof.

Mevrouw Donker-Korzelius schudde haar hoofd. ‘Ik weet niet,’ sprak ze milder, ‘hoe ik over enige tijd zal reageren. Misschien komt de pijn later. Op het moment ervaar ik uw bericht over de dood van mijn man als een opluchting. Ik weet nu… na dagen van spanning… eindelijk waar ik aan toe ben.’

De Cock zuchtte. De houding van mevrouw Donker-Korzelius verwarde hem een beetje. Hij had van haar meer emotie, meer verdriet verwacht.

‘U begrijpt,’ formuleerde hij voorzichtig, ‘dat de dood van een jonge officier van justitie vele vragen oproept. Uw man bereidde de rechtszitting voor van enige belangrijke leden van een drugssyndicaat… een machtige maffia-achtige organisatie, die voor geen moord terugdeinst.’

Mevrouw Donker-Korzelius knikte. ‘Ik weet dat Karel aan zo’n zaak werkte. Ik weet ook dat hij een paar maal is bedreigd.’

‘Door wie?’

Mevrouw Donker-Korzelius maakte een schouderbeweging.

‘Karel sprak daar nooit over. Maar een paar dagen voor zijn… eh, zijn vermissing, pakte ik ’s avonds de telefoon op en een mannenstem meldde dat wij… mijn man en ik… er goed aan zouden doen om onmiddellijk onze koffers te pakken en met vakantie te gaan naar een ver land… om nooit meer terug te keren.’

De Cock keek haar schuins aan. ‘Hoe reageerde uw man op dat bericht?’

‘Hij wuifde het weg.’

De Cock liet de toppen van zijn vingers over zijn voorhoofd glijden. ‘Hebt u uw man wel eens de naam Peter Gramsma horen noemen?’

Mevrouw Donker-Korzelius fronste haar wenkbrauwen. ‘Dat is toch de leider van dat drugssyndicaat?’

De Cock knikte. ‘Weet u of uw man contacten met hem onderhield?’

Mevrouw Donker-Korzelius keek hem bestraffend aan.

‘Officieren van justitie onderhouden geen contacten met figuren uit de onderwereld,’ antwoordde ze streng. ‘Dat is onbetamelijk.’

De Cock glimlachte fijntjes. ‘Uw man had een tatoeage op zijn rechteronderarm… even boven de pols.’

‘Een klavertjevier.’

De Cock knikte. ‘Kent u de reden van die tatoeage? Waarom heeft uw man die laten aanbrengen?’

Mevrouw Donker-Korzelius gebaarde achteloos. ‘Karel heeft dat eens laten doen. Ik vermoed in zijn puberjaren… ver voor ik hem leerde kennen.’

‘Betekenis?’

Mevrouw Donker-Korzelius trok haar schouders op. ‘Welke betekenis hecht men aan een klavertjevier.’

De Cock liet het onderwerp rusten. ‘Kent u Philip de Lent?’

Mevrouw Donker-Korzelius schudde haar hoofd. ‘Wie is dat?’

‘Iemand, die op dezelfde wijze om het leven werd gebracht als uw man.’

Mevrouw Donker-Korzelius keek hem strak aan. ‘Hoe… hoe werden zij om het leven gebracht?’

De Cock kwam langzaam uit zijn fauteuil overeind en sjokte naar een modern bijzettafeltje op fragiele ijzeren pootjes. Vanuit een rieten mandje nam hij een breiwerkje met drie pennen en liep daarmee op haar toe.

‘Uit hun beider rug,’ sprak hij vriendelijk, ‘stak zo’n breinaald.’

Загрузка...