10

Rechercheur De Cock keek Marijn van Slooten met een scheef hoofd monsterend aan.

‘Jij kent David van Wateringen van de sportschool?’ vroeg hij met een zweem van ongeloof. ‘De sportschool aan de Marnixstraat, bijna naast jouw kraakpand?’

‘Ja.’

De Cock gniffelde.

‘Ik zie aan jouw… eh, jouw fragiele gestalte geen atletische accenten.’

De opmerking deed Marijn van Slooten lachen.

‘Ik kwam er ook niet om te sporten.’

De Cock toonde verbazing.

‘Waarom dan?’

‘Voor een bijdrage in mijn onderhoud.’

De Cock trok een vies gezicht.

‘Een bijdrage in jouw onderhoud?’ vroeg hij niet-begrijpend. ‘Ja, gewoon, voor mijn onderhoud.’

‘Dat snap ik niet.’

Marijn grijnsde.

‘Het is heel simpel,’ legde hij geduldig uit. ‘Ik heb vorig jaar een dealtje gemaakt met de beheerder van de sportschool. Als ik dagelijks van de sporters die er komen trainen, een bijdrage mocht vragen in mijn onderhoud, zou ik mijn diefstallen in de kleedkamers van die sportschool staken.’

‘Jij jatte uit de kleedkamers van de sportschool?’

Marijn knikte.

‘Goed scoren. Die stomme sporters lieten vaak geld in hun kleding achter. Soms veel, enkele honderdjes, soms maar een paar gulden. Genoeg voor mij. Ik vond wel eens gouden trouwringen, gouden kettingen en andere sieraden. Ook cheques en creditcards. Die bracht ik dan later tegen beloning bij de eigenaars terug. Een leuke handel.’

‘Werd je nooit betrapt?’

Marijn knikte nadrukkelijk.

‘Op heterdaad… een paar maal. Dan werd ik aan de politie overgeleverd, maar binnen een paar uur was ik weer vrij man. Bij justitie weten ze toch niet wat ze met junks aan moeten.’ Hij grinnikte.

‘Ik was voor de sportschool een ware plaag. Dat zeiden ze ook.’

‘Vandaar die deal met de beheerder.’

‘Precies.’

‘Een leuke deal.’

Marijn knikte minzaam.

‘Vond ik ook. Jofel. Ik heb mij er altijd strikt aan gehouden.’

‘Zo heb je… door je bijdrage voor je onderhoud… David van Wateringen leren kennen?’

Marijn glimlachte.

‘Een aardige vent. Hij gaf meer dan de anderen. Soms kreeg ik wel eens een geeltje[4] van hem.’

‘En die aardige David van Wateringen van de sportschool zag jij uit het kraakpand komen, kort voordat jij die vermoorde man in het kamertje vond?’

‘Ja.’

De Cock keek hem doordringend aan.

‘Je weet wat je zegt?’ sprak hij vermanend. ‘Je kunt je daarin niet vergissen?’

‘Absoluut n iet.’

‘Heeft hij jou gezien?’

Marijn trok zijn schouders op.

‘Misschien in een flits. Hij stormde de trap af. Zijn gezicht zag rood. Ik vond dat vreemd. Ik had hem nog nooit in mijn kraakpand gezien. Ik stak als begroeting wat verbouwereerd mijn hand op, maar ik denk niet dat hij mij heeft opgemerkt.’

‘Hij reageerde niet op jouw groet?’

‘Nee.’

De Cock boog zich iets naar hem toe.

‘Toen je boven die vermoorde man vond, wat heb je toen gedaan?’

Marijn aarzelde.

‘Ik wil een dokter,’ riep hij ontwijkend.

De Cock negeerde de kreet.

‘Wat heb je gedaan?’ herhaalde hij.

Marijn zuchtte.

‘Ik was van die vent met zijn stiletto in zijn rug geschrokken en wilde weglopen, weg uit het kraakpand. Maar ik bedacht dat ik beter eerst mijn shotje[5] kon nemen. Dat heb ik gedaan. Na het shotje werd ik een stuk rustiger. Ik heb toen voorzichtig gekeken of hij echt dood was.’

‘Hoe?’

Marijn keek hem verward aan.

‘Wat hoe?’

‘Hoe heb je geconstateerd dat hij dood was?’

‘Ik heb een brandende lucifer bij zijn ogen gehouden. Er was geen enkele reactie. Pas daarna heb ik, kruipend op mijn knieen, zijn zakken leeggehaald.’

De Cock knikte begrijpend. De oude rechercheur hield de wijsvinger van zijn rechterhand omhoog.

‘Het slachtoffer,’ stelde hij traag, ‘lag voorover met zijn voorhoofd en neus op de vloer?’

‘Zo vond ik hem.’

‘Aan welke kant van zijn gezicht heb jij bij het licht van jouw lucifer in de ogen van de man gekeken?’

Marijn van Slooten dacht even na.

‘Toen ik begon, zat ik op mijn knieën voor zijn hoofd. Voor mij links.’

Hij knikte instemmend.

‘Ja, voor mij links. Dus rechts van de man. Ik had nog een tweede lucifer willen aansteken om ook aan de andere kant van zijn gezicht te kijken, maar ik had niet meer. Mijn doosje was leeg.’

‘En het beeldje?’

‘Wat voor een beeldje?’

‘Dat naast het hoofd van het slachtoffer stond.’

Marijn van Slooten keek hem verwonderd aan.

‘Beeldje?’

De Cock knikte.

‘Dat beeldje.’

Marijn schudde zijn hoofd.

‘Er was geen beeldje. Ik heb geen beeldje bij zijn hoofd gezien.’


Vledder plofte op zijn stoel neer.

‘Gaan we hem arresteren?’ vroeg hij enthousiast.

‘Wie?’ vroeg De Cock overbodig.

Vledder keek hem verbaasd aan.

‘David van Wateringen.’

De Cock reageerde niet.

‘Heeft de wachtcommandant een dokter voor Marijn van Slooten gebeld?’

Vledder knikte.

‘Ik heb niet op zijn komst gewacht. Ik dacht dat jij onmiddellijk op pad wilde?’

De Cock keek naar de grote klok boven de toegangsdeur van de recherchekamer. Het was twee uur in de nacht. De oude rechercheur wees omhoog.

‘Op dit onchristelijke uur?’

Vledder grijnsde.

‘Moord is een onchristelijke daad.’

De Cock leunde in zijn stoel achterover. De opmerking van zijn jonge collega trof hem.

‘Dat is het,’ beaamde hij, ‘onchristelijk. Maar ik heb mijn twijfels.’

‘Je hebt een getuige,’ riep Vledder geëmotioneerd. ‘Marijn van Slooten heeft hem met een rood hoofd uit dat kraakpand zien komen.’

‘En?’

‘Wat had die vent daar anders te zoeken dan die antiquair koud te maken?’

‘Waarom?’

‘Wat bedoel je?’

De Cock reageerde ongewoon fel.

‘Het motief?’

Vledder zuchtte omstandig.

‘Zaken die voor ons nog verborgen zijn. Vergelding, wraak, een afrekening? Misschien acht David van Wateringen de antiquair Adriaan Goederijke, die hij uit het verleden goed kent, wel medeverantwoordelijk voor de dood van zijn vader?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Voor die stelling hebben we geen enkel bewijs.’

‘We kunnen David van Wateringen toch gewoon vragen waarom hij Adriaan Goederijke heeft vermoord? Daar is toch niets op tegen?’

De Cock streek met zijn vlakke rechterhand langs zijn ogen. Het was een gebaar van vermoeidheid.

‘Ik betwijfel,’ sprak hij veel rustiger, ‘of David van Wateringen wel de man is die Adriaan Goederijke vermoordde.’ Vledder wond zich zichtbaar op.

‘Waarom?’ riep hij wrevelig. ‘Waarom die twijfel? Ik zou willen dat wij altijd zo’n sterke zaak hadden. Op basis van de verklaring van Marijn van Slooten wordt David van Wateringen zeker veroordeeld.’

De Cock boog zich voorover, schoof een lade van zijn bureau open en nam daaruit de oesjebti die naast het hoofd van het slachtoffer had gestaan. Voorzichtig zette hij het beeldje voor zich op zijn bureau.

‘Dit… eh, dit is mijn twijfel,’ reageerde hij kalm. ‘Toen Marijn van Slooten kort na het vertrek van David van Wateringen de vermoorde Adriaan Goederijke vond, was er geen beeldje.’ Vledder snoof.

‘Die junk heeft niet goed gekeken,’ riep hij opgewonden. ‘Wat kun je van zo’n junk verwachten? De verslaafde Marijn van Slooten had alleen belangstelling voor wat er in de zakken van de vermoorde zat. Voor de rest had hij geen enkele interesse.’ De Cock schudde zijn hoofd.

‘Marijn van Slooten heeft een lucifer aangestoken om naar de ogen van de vermoorde Adriaan Goederijke te kijken. Het slachtoffer lag met zijn voorhoofd en neus op de vloer. Daarom vroeg ik Marijn van Slooten aan welke zijde van het hoofd hij had gekeken. Dat was, zo verklaarde hij uitdrukkelijk, voor hem links, dus rechts van het hoofd van het slachtoffer. Als het beeldje daar op dat moment had gestaan, dan had hij het moeten zien. En als hij het niet had gezien, dan had hij het bij het aansteken van zijn lucifer vrijwel zeker met zijn elleboog omgestoten. Toen wij ter plekke kwamen, stond het er, rechtop.’

‘En?’

De Cock kneep zijn lippen op elkaar.

‘Op het moment dat David van Wateringen, kennelijk geschrokken van zijn ontdekking, het kraakpand verliet, stond er naast het hoofd van de vermoorde Adriaan Goederijke geen oesjebti.’

‘Wat wil je daarmee zeggen?’

De Cock grijnsde.

‘Dat David van Wateringen niet de man was die Adriaan Goederijke vermoordde.’

‘Wie dan wel?’

De Cock trok zijn gezicht strak. Zijn rechterhand streelde het beeldje.

‘De man of vrouw die deze oesjebti bij het hoofd van het slachtoffer plaatste.’


Toen De Cock de volgende morgen na een korte en vooral onrustige nachtrust de grote recherchekamer binnenstapte, trof hij Vledder achter zijn elektronische schrijfmachine. De rappe vingers van de jonge rechercheur dansten over de toetsen. De Cock smeet zijn hoedje missend naar de kapstok, raapte het op en trok zijn regenjas uit. Bedaard slenterde hij naar zijn bureau.

Vledder liet zijn vingers rusten en keek op.

‘Goed geslapen?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Mijn vrouw snurkte en ik droomde van een oneindige stoet van stijve, onaandoenlijke oesjebti’s, die compleet met de opzichters in hun midden in een trage cadans voor mij uit sjokten.’ Vledder grinnikte.

‘Ze zongen er niet bij?’

Het klonk spottend.

De Cock zweeg. Hij kon de opmerking niet waarderen. De jonge rechercheur verschoof iets op zijn stoel.

‘Ik ben, nadat jij naar huis was gegaan, nog naar de Willemsparkweg getogen.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Willemsparkweg?’

Vledder knikte.

‘Daar woont David van Wateringen. Maar de vogel was gevlogen.’

‘Wat had je willen doen?’

‘Hem arresteren.’

De Cock keek hem onderzoekend aan.

‘Ik dacht dat ik jou gisteravond voldoende duidelijk had gemaakt dat ik David van Wateringen niet zie als de man die Adriaan Goederijke vermoordde.’

‘Ik weet het… dat ellendige beeldje. Maar ik bedacht dat David van Wateringen na de moord kon zijn teruggekomen om alsnog die oesjebti bij het lijk te plaatsen.’

‘Nadat Marijn van Slooten op weg was naar het café om ons te verwittigen?’

Vledder knikte.

‘Tijd genoeg.’

De Cock reageerde niet direct. Hij kauwde peinzend op zijn onderlip.

‘Dat is voor het eerst sinds de moord op Alex Delszsen,’ sprak hij bedachtzaam, ‘dat je uit eigen initiatief iets onderneemt.’ Vledder slikte.

‘Ik heb liever niet dat je mij aan die zaak[6] herinnert,’ sprak hij nors. ‘Overigens… commissaris Buitendam heeft naar je gevraagd.’

De Cock glimlachte.

‘Een schip met zure appelen? Ik bedoel: dreigen er donkere wolken?’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Integendeel. Hij was ongewoon vriendelijk en zeer opgewekt.’ Commissaris Buitendam, de lange statige chef van het politiebureau aan de Amsterdamse Warmoesstraat, wenkte met een slanke hand naar de stoel voor zijn bureau.

‘Ga zitten, De Cock,’ sprak hij geaffecteerd. ‘Ik wil volledig worden geïnformeerd.’

De oude rechercheur trok een stuurs gezicht en nam onwillig plaats. Hij zat niet graag. Het liefst bleef hij staan, rechtop, zijn benen iets uit elkaar. Dan voelde hij zich weerbaar en alert. Hij had geen hekel aan zijn commissaris, maar wanneer Buitendam hem ontbood, bezag hij hem steeds met argwaan. Het was een houding van strijdlust, van protest, die hij bij voorbaat aannam om zich tegen eventuele aantijgingen te verweren. Bovendien voelde hij zich die morgen in het nadeel, omdat hij ervan uitging dat een onvoldoende nachtrust de scherpte van zijn geest had aangetast.

‘Hebben wij u niet duidelijk genoeg gerapporteerd?’ vroeg hij met een zweem van onderdanige onnozelheid.

Buitendam knikte nadrukkelijk.

‘Zeker, zeker. En ik feliciteer jou en Vledder met jullie succes. De moorden op die beide antiquairs hebben jullie snel tot een goed einde gebracht. Gelukkig. Ik had al een soort broederschap van antiquairs aan de lijn, die mij vroeg hoever wij met het onderzoek waren… of er spoedig arrestaties waren te verwachten. Ik heb de heren vanmorgen kunnen geruststellen…’ De Cock keek zijn vrolijk voortbabbelende commissaris geschokt aan. Het was alsof Buitendam hem, door zijn onbezorgde opgewektheid, een dreun op zijn hersenpan toebracht. ‘U… eh, u bedoelt de arrestatie van Marijn van Slooten?’ stotterde hij verlegen.

De commissaris knikte uitbundig.

‘Knap werk.’

De Cock streek met de rug van zijn hand langs zijn droog geworden lippen. Hij had zich in zijn lange loopbaan als rechercheur nog nooit zo ongelukkig gevoeld.

‘Dat… eh, dat is een vergissing.’

Buitendam keek hem verwonderd aan.

‘Een vergissing?’

De Cock knikte.

‘Inderdaad. Een vergissing.’

Buitendam boog zich over zijn bureau.

‘De reden van zijn arrestatie was toch moord casu quo diefstal?’ De Cock boog zijn hoofd.

‘Juist. Dat is correct. Volkomen waar. Moord casu quo diefstal. Onder die noemer hebben wij hem gisteravond laten insluiten. Maar ik moet u verzoeken de aanklacht moord te laten vervallen. Alleen de diefstal blijft overeind.’

Buitendam keek hem ongelovig aan.

‘Die man heeft geen moorden gepleegd?’

‘Nee.’

‘Die arrestatie was dus onwettig.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Niet onwettig. We hebben in zijn bezit goederen van de vermoorde man aangetroffen. Op basis daarvan was er… zoals de wet vereist… uit feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan moord op de antiquair Goederijke. Verder was het vanuit tactisch oogpunt bezien zinvol om bij de arrestatie van Marijn van Slooten de aantijging moord nog even te handhaven. Om… eh, om zijn openhartigheid te bevorderen.’ Buitendam brieste.

‘Tactisch oogpunt,’ brieste hij. ‘Wat is een tactisch oogpunt?’ De Cock kwam kalm uit zijn stoel overeind. Het gevoel van verslagenheid dat hem had beheerst, zakte langzaam uit hem weg. Zijn weerbaarheid en strijdlust kwamen terug… groeiden per seconde. Met een droef gebaar van gespeelde hulpeloosheid bleef hij staan.

‘Hoe leg ik dat uit,’ verzuchtte hij moedeloos. ‘Hoe leg ik het uit aan een man die op een voor mij onverklaarbare wijze commissaris van politie is geworden en niets van het recherchewerk begrijpt.’

Buitendam leek verlamd. Even maar. Met een rood hoofd en een gebaar van ingehouden woede kwam hij uit zijn stoel overeind. Beverig strekte hij zijn rechterarm naar de deur.

‘Eruit!’

De Cock ging.

Vledder keek hem peilend aan.

‘Was het weer zover?’

De Cock knikte.

‘Buitendam meende dat wij met de arrestatie van Marijn van Slooten de beide moorden op de antiquairs hadden opgelost.’

‘Hoe komt hij daarbij?’

‘Door onze mutatie van gisteravond in het dagelijks rapport: moord casu quo diefstal. Ik dacht dat hij een complete hartverlamming kreeg toen ik hem vroeg om ten aanzien van Marijn van Slooten de beschuldiging moord te laten vallen en alleen de beschuldiging diefstal te handhaven.’

‘En toen stuurde hij jou de kamer af?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ik probeerde hem duidelijk te maken dat de beschuldiging moord een tactische zet was om Marijn van Slooten nog even onder druk te houden. Toen hij dat niet begreep, heb ik hem onbekwaamheid verweten.’

Vledder lachte vrijuit.

‘Dat kun je toch niet maken!’ riep Vledder vrolijk. ‘Dat is eenvoudig ondenkbaar. Commissarissen van politie zijn nooit onbekwaam.’

Voordat De Cock kon reageren, rinkelde de telefoon. De jonge rechercheur greep de hoorn en luisterde. Na enkele seconden legde hij de hoorn op het toestel terug.

‘Het was de wachtcommandant,’ sprak hij toonloos. ‘En?’

‘Beneden aan de balie staat David van Wateringen. Hij komt zich melden.’

Загрузка...