2

De Cock liet zich voorzichtig door het luik zakken. Beneden lag de zwaargebouwde man zo dicht tegen de onderste traptreden, dat de oude rechercheur met moeite een plaats voor zijn voeten op de keldervloer vond. Toen hij na even wankelen weer in balans was, hurkte De Cock bij de dode neer en bescheen met zijn zaklantaarn het bolle, vlezige gezicht met de open, in de dood verstarde bruine ogen. Hij bezag de dunne, zwartgeverfde haren, de kalende kruin en schatte de man op achter in de vijftig. De gelaatstrekken van de dode man kwamen de oude rechercheur vaag bekend voor, maar omtrent plaats en tijdstip van een vroegere ontmoeting liet zijn geheugen hem in de steek. Hij drukte de rug van zijn rechterhand tegen de wang van de man. Het lichaam voelde nog warm aan. In de muffe, benauwde, slecht geventileerde kelder daalde, zo overwoog hij, de lichaamstemperatuur slechts langzaam.

De Cock verplaatste zijn aandacht naar de stiletto, die tot het heft in het lichaam was gedrongen. Hij kende het model van de stiletto van enkele moordzaken uit het verleden en wist dat een lemmet van zeventien centimeter in het inwendige van de man verwoestende verwondingen veroorzaakte. Hij kende ook de gevolgen. De oude rechercheur was ervan overtuigd dat het slachtoffer aan inwendige bloedingen was gestorven. De Cock kwam uit zijn gehurkte houding overeind en bezag de situatie. Aan de wanden van de kelder waren metalen rekken met een rijk assortiment aan antieke voorwerpen, pullen, vazen, klokken, beeldjes, tamboerijntjes, trommels en afzichtelijke maskers. De oude rechercheur liet het licht van zijn zaklantaarn langs de rekken dwalen en snoof. Er was niets bij wat hem kon bekoren. De Cock had geen gevoel voor antiek. De kelder, zo constateerde hij, had geen hoeken of nissen. Veel ruimte was er niet. De Cock concludeerde dat de moordenaar of moordenares, staande achter de trap, zijn of haar slachtoffer had opgewacht en had toegestoken op het moment dat de antiquair van de onderste trede was gestapt. De mogelijkheid dat de man boven in de zaak was neergestoken en daarna door het luik gestort, sloot hij uit. Het lichaam had dan onder aan de trap in een andere houding gelegen. Bovendien was er niets aan de kleding van de dode man dat daarop wees. Voor de zekerheid inspecteerde hij de handen van het slachtoffer. Er waren geen ontvellingen of andere beschadigingen.

Rechts van de trap ontdekte hij een schakelaar. Hij nam een potlood uit de binnenzak van zijn colbert en duwde met de achterkant tegen het knopje. Op drie plekken in de kelder floepte het licht aan.

De Cock keek langs de trap omhoog en zag het gezicht van Vledder boven het kelderluik.

‘Waarschuw de meute,[2]’ riep hij bevelend.

Vledder grijnsde.

‘Heb ik al gedaan.’

De Cock toonde bewondering voor het initiatief.

‘Knap.’

Vledder grinnikte.

‘Misschien heb je het nog niet opgemerkt, maar ik begin toch langzaam volwassen te worden.’

De Cock negeerde de opmerking.

‘Waar is die Elisa van Oldekerke?’

‘Die leunt buiten met een bleek gezicht tegen de pui van dit pand.’

‘Let op haar. Als de lijkschouwer of de fotograaf komt, dan verwijs je hem naar dit luik. Daarna breng je haar met de Golf naar huis. We hebben haar voorlopig niet meer nodig.’

Vledder trok een grimas.

‘Als ze wil dat ik haar wegbreng. Juffrouw Van Oldekerke lijkt mij een eigenzinnige tante. Ze deed vervelend, nukkig, toen ik in de zaak keurig een comfortabele stoel voor haar neerzette. Ze wilde per se naar buiten.’

De Cock bromde.

‘Natuurlijk wil ze dat,’ reageerde hij knorrig. ‘Informeer of die sarcofaag van haar was verzekerd… door haar of misschien nog door haar oudoom Pieter. En vooral… voor hoeveel?’ Vledder grinnikte.

‘Wil je de polis?’

Het klonk spottend.

De Cock keek hem strak aan.

‘Als die er is, graag.’

Het hoofd van Vledder verdween. De Cock hoorde gestommel. Even later verscheen het gezicht van Bram van Wielingen boven het luik. De fotograaf bezag de omgeving en grijnsde. ‘Die dooie vent ligt lelijk in de weg,’ riep hij vertwijfeld.

‘Hoe ben jij beneden gekomen? Ben je op zijn kont gestapt?’ De Cock schudde zijn hoofd.

‘Als ik met mijn pyknische habitus[3] lenig over hem heen kan stappen… dan moet jij…’

Bram van Wielingen onderbrak hem.

‘Met je pyknische wat?’

Het gezicht van De Cock verstrakte.

‘Pyknische habitus,’ herhaalde hij. ‘En als je niet weet wat dat betekent, dan zoek je dat thuis maar op.’

De oude rechercheur wees omhoog.

‘Maak eerst vanaf die plek een paar plaatjes van het lijk en kom dan naar beneden. Ik wil details van zijn handen, de stiletto en zijn gezicht.’

‘Weet je wie hij is?’

De Cock knikte.

‘Antiquair Van Wateringen.’

Bram van Wielingen boog zich iets voorover en bekeek het gezicht van de dode.

‘Waarachtig,’ stamelde hij. ‘Het is Van Wateringen.’

‘Ken jij hem?’

De fotograaf knikte.

‘Ik heb wel eens wat bij hem gekocht. Vroeger.’

De Cock beluisterde de intonatie.

‘Later niet meer?’

Bram van Wielingen schudde zijn hoofd.

‘Die vent deugde voor geen meter. Een louche sujet. Zo link als een looie deur. Als hij de kans zag, belazerde hij de mensen… verkocht snuisterijen, prullaria en waardeloze souvenirs voor echt antiek.’

‘Niet netjes.’

Bram van Wielingen snoof.

‘Valt me mee dat ze hem nog niet eerder koud hebben gemaakt.’

‘Zo slecht?’

‘Absoluut.’

‘Weet jij iets van antiek?’

De fotograaf knikte vaag.

‘Ik kom nog wel eens op veilingen. Je weet nooit of je nog eens tegen een mazzeltje op loopt. Zo was ik laatst in Den Haag…’ De Cock wuifde het verhaal weg. Achter Bram van Wielingen had hij de kleine gestalte van dokter Den Koninghe ontdekt. Hij greep zich aan de leuning van de trap vast en hees zich behendig over het slachtoffer heen. Boven aan het luik duwde hij de fotograaf iets opzij, liep op Den Koninghe toe en schudde hem hartelijk de hand. De oude rechercheur had een zwak voor de kleine excentrieke lijkschouwer met zijn ouderwetse grijze slobkousen onder een deftige streepjesbroek, zijn stemmig zwart jacquet en zijn verfomfaaide, groen uitgeslagen garibaldihoed. ‘Hoe maakt u het?’ vroeg hij vriendelijk.

De dokter keek even naar hem op.

‘Best. Nou ja… alleen zo nu en dan geplaagd door jicht.’ De Cock glimlachte.

‘Ziekte van de welgestelden.’

Den Koninghe gromde.

‘Ik ben niet welgesteld… nooit geweest, en toch heb ik jicht.’

‘Misschien een reeks rijke voorvaderen?’

De kleine lijkschouwer negeerde de opmerking. Hij wees naar de dode onder aan de trap.

‘Had hij geen andere plek kunnen vinden?’

‘Ik denk niet,’ sprak De Cock traag, ‘dat het een eigen wilsbesluit was.’

Dokter Den Koninghe reageerde niet. Hij liep ruggelings de trap af en stapte voorzichtig over het slachtoffer heen. Daarna trok hij zijn pantalon aan de vouwen iets omhoog en hurkte bij de man neer. Zijn oude knieën kraakten. In een haast devoot gebaar drukte hij de beide oogleden toe, wierp een snelle blik op het heft van de stiletto en kwam direct weer uit zijn gehurkte houding omhoog. Met precieze bewegingen nam hij zijn bril af, pakte zijn witzijden pochet uit het borstzakje van zijn jacquet en poetste de glazen.

De Cock keek gelaten toe. Hij kende de reeks van bewegingen. De oude lijkschouwer wees op het lijk en blikte omhoog.

‘Hij is dood,’ sprak hij laconiek.

De Cock knikte met een strak gezicht.

‘Dat begreep ik, anders had ik u niet laten komen.’

De dokter zette zijn bril weer op, duwde zijn pochet terug in het borstzakje van zijn jacquet en kwam langs de trap omhoog.

‘Nog niet zo lang. Ik schat minder dan een uur. Zijn lichaamstemperatuur is nauwelijks gedaald.’

Boven aan de trap reikte De Cock hem een helpende hand.

‘Inwendige bloedingen?’

Dokter Den Koninghe knikte instemmend.

‘Inderdaad, inwendige bloedingen. Dat is bij dergelijke verwondingen vrijwel zeker de doodsoorzaak. Morgen na de sectie zal dokter Rusteloos het beslist bevestigen. Ik vermoed dat een of meer aderen rond het hart zijn geraakt.’

‘Kunt u nog iets zeggen over de dader?’

De tengere lijkschouwer gebaarde naar het luik.

‘De stiletto is hoog in de rug schuin naar beneden tot aan het heft in het lichaam gedrongen. Dat duidt op iemand met een flink postuur en krachtige armen.’

‘Een tennisser?’

‘Bijvoorbeeld.’

Dokter Den Koninghe knoopte zijn jacquet los en nam uit een zakje van zijn parelgrijs vest een zilveren horloge aan een ketting. Hij klikte het deksel van de kast open en keek op de wijzerplaat.

‘Ik heb weinig tijd,’ verontschuldigde hij zich. ‘Er ligt ergens in de Wijttenbachstraat nog een lijk op mij te wachten.’ De kleine lijkschouwer wuifde tot afscheid, draaide zich om en liep de zaak uit.

De Cock keek hem na. Daarna wendde hij zich tot de fotograaf, die zijn fraaie Hasselblad behoedzaam in zijn aluminium koffertje teruglegde.

‘Ben je klaar?’

Bram van Wielingen gebaarde om zich heen.

‘Ik heb alles. Morgen heb je de plaatjes glanzend op je bureau.’

‘Ik wil ook een prent van de gevel van dit pandje.’

‘Maak ik.’

‘Komt er nog een dactyloscoop?’

Bram van Wielingen knikte.

‘Zeker. Ben Kreuger had nog een klusje, maar je kunt hem elk ogenblik verwachten.’ De fotograaf blikte verwonderd om zich heen. ‘Waar is Vledder?’

‘Die brengt een mooie jonge vrouw naar huis.’

‘Dienstopdracht?’

De Cock glimlachte.

‘Dienstopdracht.’

‘Kon je het mij niet laten doen?’

De Cock keek hem grijnzend aan.

‘Ouwe bok,’ sprak hij laatdunkend.

Bram van Wielingen lachte. Hij pakte zijn koffertje, zwaaide met zijn vrije hand ten afscheid en verdween.

De Cock liep naar de twee broeders van de Geneeskundige Dienst. Ze stonden bij de toegangsdeur van de antiekzaak met hun brancard geduldig op zijn teken te wachten. De oude rechercheur maakte een verontschuldigend gebaar.

‘Het wordt een hele klus. Het is een zware man en de trap naar de kelder is smal.’

De oudste broeder glimlachte.

‘We zijn wel wat gewend. We halen ze soms van de vreemdste plekken.’ Hij wees voor zich uit. ‘Kunnen we hem al weghalen?’ De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ik wacht nog even op de dactyloscoop.’

Met gierende remmen stopte een kleine rode sportwagen pal achter de ambulancewagen van de broeders. Een jonge vrouw, gekleed in een open blouse en een spierwitte pantalon, stapte uit, smeet het portier achter zich dicht en rende langs de broeders met hun brancard de winkel binnen.

De Cock versperde haar de weg.

De jonge vrouw keek hem verwilderd aan.

‘Wie bent u?’ schreeuwde ze. ‘Wat doet die ambulance voor de deur? Waar is Arthur?’

De Cock streek met zijn vlakke linkerhand over zijn breed gezicht. Het was een gebaar om tijd voor bezinning te maken.

‘Dat,’ sprak hij traag, hoofdknikkend, ‘waren drie vragen ineen.’ De jonge vrouw roffelde met haar vuisten op zijn borst. ‘Waar is Arthur… wat is er met Arthur?’

De Cock reageerde onbewogen.

‘Wie is Arthur?’

‘Mijn man.’

De Cock keek haar onderzoekend aan, monsterde haar slanke gestalte, bezag de lijnen van haar gezicht en schatte haar op voor in de twintig.

‘Uw man?’ vroeg hij verbaasd.

De jonge vrouw knikte heftig.

‘Arthur Van Wateringen.’

De Cock zuchtte omstandig. De oude rechercheur voelde er niets voor om de overspannen vrouw een blik in de kelder te gunnen.

‘Had… eh, had u hier een afspraak met uw man?’ vroeg hij ontwijkend.

De jonge vrouw schudde haar hoofd.

‘Een man aan de overkant van de straat waarschuwde mij dat er een ambulancewagen voor de deur van de zaak stond en dat er vermoedelijk iets met Arthur was gebeurd. Toen ben ik in mijn wagen gesprongen.’

De oude rechercheur knikte begrijpend. Hij pakte de jonge vrouw bij haar arm en leidde haar naar achter in de zaak, buiten het gehoor van de broeders.

‘Wanneer,’ sprak hij zacht, ‘hebt u uw man voor het laatst gezien?’

‘Vanavond.’

‘Waar?’

‘Thuis in Amstelveen.’

‘Wanneer is hij weggegaan?’

De jonge vrouw tastte even naar haar hoofd.

‘Kwart over negen, half tien. Arthur had een afspraak met iemand.’

‘Met wie?’

De jonge vrouw maakte een hulpeloos gebaar.

‘Dat… eh, dat weet ik niet,’ stamelde ze. ‘Het was iemand die belangstelling had voor een sarcofaag die mijn man in consignatie had.’

‘Die afspraak was hier?’

De jonge vrouw keek hem verrast aan.

‘Waar anders?’

De Cock maakte een schouderbeweging.

‘Ik ken het gedrag van uw man niet.’

De houding van de jonge vrouw veranderde plotseling. Het was alsof, na de reeks van vragen, de angst en de paniek uit haar waren weggezakt. De verwilderde blik verdween uit haar ogen. Ze trok haar kin iets omhoog. Peilend keek ze naar hem op.

‘Ik heb u gevraagd wie u was,’ sprak ze kalm. ‘Wat die ambulance voor de deur betekende en of er iets met Arthur is gebeurd. Op geen van die vragen heb ik nog een antwoord gekregen.’ De oude rechercheur gaf zichtbaar blijk van berouw. Hij liet beschaamd zijn hoofd iets zakken.

‘Mijn naam is De Cock,’ sprak hij verontschuldigend. ‘De Cock met… eh, met ceeooceekaa. Ik ben rechercheur van politie, verbonden aan het bureau Warmoesstraat.’

‘Ik heb uw naam wel eens horen noemen.’

De Cock knikte.

‘De prijs van de roem.’

De jonge vrouw wees resoluut naar buiten.

‘Die ambulance?’

De Cock aarzelde.

‘Voor… eh, voor uw man,’ stotterde hij.

‘Wat is er met Arthur?’

De Cock antwoordde niet direct.

‘U… eh, u bent werkelijk mevrouw Van Wateringen?’ De jonge vrouw lachte schamper.

‘Wilt u ons trouwboekje zien?’

De Cock maakte een afwerend gebaar.

‘Ik had even mijn twijfels,’ sprak hij verlegen. ‘Ik bedoel… het verschil in leeftijd.’

Mevrouw Van Wateringen kneep haar lippen op elkaar.

‘Arthur is nog een viriele man.’ Ze zweeg even, hield de oude rechercheur in haar blik gevangen. ‘Wat is er met hem gebeurd?’ De Cock spreidde zijn handen.

‘Vanavond,’ opende hij somber, ‘meldde een jonge vrouw zich bij mij en mijn collega Vledder aan de Warmoesstraat en vertelde dat zij door uw man was gebeld in verband met het feit dat haar sarcofaag uit zijn magazijn was gestolen.’

‘Mijn man had haar gebeld?’

‘Ja.’

‘Wanneer?’

‘Rond de klok van half elf. Hij raadde haar aan om bij mij aangifte van diefstal te doen. Volgens uw man was zij nog steeds eigenaresse van de sarcofaag.’

‘En toen?’

De Cock zuchtte diep. Hij was niet gewend om ondervraagd te worden.

‘Wij zijn naar de Oude Vensterstraat gereden. Tot onze verbazing troffen wij de toegangsdeur tot de winkel op een kier. Toen we op onderzoek gingen, vonden wij uw man in de kelder… vermoord.’

‘Hoe?’

De Cock keek haar verrast aan. Hij had een dergelijke reactie van de jonge vrouw niet verwacht. Ze deed een stap dichter naar hem toe. Haar jong gezicht met de grote glanzende bruine ogen was pal bij hem. De geur van haar parfum walmde om hem heen.

‘Hoe?’

Ze schreeuwde.

De Cock slikte.

‘Iemand stak hem een stiletto in zijn rug.’ Mevrouw Van Wateringen deed een stap terug. ‘Iwan Terborch.’ De Cock kneep zijn ogen half dicht. ‘Wie is Iwan Terborch?’ Mevrouw Van Wateringen trok haar kin weer iets omhoog. ‘Mijn ex-man,’ sprak ze bitter. ‘Hij heeft al een paar maal gedreigd dat hij Arthur een mes in zijn vette lijf zou duwen.’

Загрузка...