De Cock monsterde de gelaatsuitdrukking van de man die schuin voor hem aan zijn bureau zat. Hij ontdekte weinig emoties, weinig tekenen van angst of onrust. Het verbaasde hem. ‘U komt zich melden?’ opende hij vriendelijk.
David van Wateringen knikte.
‘Dat leek mij de juiste tactiek. Ik heb vanmorgen via mijn naaste buren vernomen dat er vannacht mensen van uw dienst hun opwachting bij mij kwamen maken. Het spijt me. Tevergeefs.’ De Cock wenkte naar Vledder.
‘Dat klopt. Mijn jonge collega offerde zijn nachtrust voor u op.’ David van Wateringen trok een scheve mond.
‘Offeren?’ grinnikte hij spottend. ‘Een mooi begrip. Ik voel mij gevleid.’
De Cock keek hem onbewogen aan.
‘Terecht. U mag zich in onze bijzondere belangstelling verheugen.’
David van Wateringen grinnikte.
‘Ik heb bij vrienden geslapen. Ik voelde er weinig voor om een nacht in een cel van bureau Warmoesstraat door te brengen.’
‘Daar… eh, daar had u op gerekend?’
David van Wateringen knikte nadrukkelijk.
‘Ik weet zo ongeveer hoe starre politiemensen denken: stop iemand eerst in de cel en bekijk later eens of hij of zij wel schuldig is.’
‘Een verkeerde volgorde volgens u.’
‘Absoluut.’
De Cock strekte zijn arm naar hem uit.
‘En in de uitslag van… eh, van dat bekijken achteraf’ had u weinig vertrouwen?’
David van Wateringen trok zijn schouders iets op.
‘Ik ben mij van geen kwaad bewust.’ Hij tikte met zijn kromme wijsvinger op het blad van De Cocks bureau. ‘Hier zit een onschuldig man. Ik heb Adriaan Goederijke niet vermoord.’ De oude rechercheur veinsde verwondering.
‘Ik heb u nog geen moment van moord beschuldigd.’ David van Wateringen klemde zijn lippen op elkaar. ‘U staat bekend als een scherpzinnig rechercheur,’ riep hij opgewonden.
‘Dank u.’
David van Wateringen schoof onrustig op zijn stoel heen en weer. De jongeman toonde voor het eerst iets van emoties.
‘Het heeft weinig zin om u verhalen te vertellen.’
‘Van een intelligente jongeman verwacht ik die ook niet.’ David van Wateringen duimde over zijn schouder.
‘Ik was daar, in dat kraakpand, ik heb hem gezien met een joekel van een stiletto in zijn rug. En ik zag vanuit mijn ooghoeken dat die junk, Marijn, mij met veel verbazing nastaarde toen ik van de trap naar beneden kwam.’
De Cock maakte een verontschuldigend gebaar.
‘Voor ons, stardenkende politiemensen, reden genoeg om u als verdachte aan te merken.’
David van Wateringen knikte traag voor zich uit. De terechtwijzing van de oude rechercheur ontging hem.
‘Dat realiseer ik mij. Ten volle. Daarom ben ik niet weggegaan… heb ik mij vanmorgen zelf gemeld… een vlucht zou de verdenking jegens mij alleen maar versterken.’
De Cock hield zijn hoofd iets scheef.
‘Kunt u zich de verbazing van Marijn… die junk… voorstellen toen hij u met een rood hoofd die trap af zag komen?’
‘Natuurlijk,’ reageerde David nerveus, ‘wat had een man zoals ik in dat kraakpand te zoeken? Toen Marijn… vermoedelijk nauwelijks luttele seconden later… die dode Goederijke met een stiletto in zijn rug aantrof, zal zijn conclusie snel zijn getrokken.’
‘Het spijt mij,’ verzuchtte De Cock, ‘maar ook ik kan als rechercheur tot geen andere slotsom komen… Mijn starre denkpatroon als politieman laat geen enkele andere conclusie toe.’ De grijze speurder zweeg even. Daarna boog hij zich iets voorover. Zijn gezicht stond strak.
‘David van Wateringen, waarom hebt u de antiquair Adriaan Goederijke vermoord?’
David van Wateringen deinsde iets achteruit. De vraag had hem overrompeld. In een gebaar van wanhoop stak de jongeman zijn armen omhoog.
‘Ik heb Adriaan Goederijke niet vermoord,’ riep hij hees. ‘Dat heb ik u al een keer gezegd. Hij lag daar met die stiletto in zijn rug toen ik hem vond.’
‘Dood?’
David van Wateringen trok zijn schouders op.
‘Dat weet ik niet.’
De Cock keek hem vragend aan.
‘U hebt niet gekeken,’ sprak hij met een zweem van verontwaardiging, ‘of u aan het slachtoffer nog hulp kon bieden?’ David van Wateringen schudde zijn hoofd.
‘Die stiletto in zijn rug leek mij duidelijk genoeg. Wat viel er nog te redden? Bovendien heb ik op dat moment niet rationeel gedacht. Ik werd slechts door één impuls gedreven: weg van die plek.’ De Cock knikte begrijpend.
‘Hoe kwam u daar? Ik bedoel, had u een afspraak met Adriaan Goederijke?’
David sloot even zijn ogen.
‘Ik had geen afspraak met de heer Goederijke. Ik heb nooit persoonlijk contact met de man gehad. Ik kende hem alleen via mijn vader.’
‘Als één van het vierspan.’
David knikte. ‘Een vriend van vader. Het was puur toeval, een uitvloeisel van mijn nieuwsgierigheid, dat ik hem daar aantrof.’ De jongeman keek naar De Cock op. Hij likte aan zijn droge lippen.
‘Wilt u de waarheid horen?’
‘Dat is een pure gewetensvraag.’
De grillige accolades rond de mond van de oude rechercheur krulden tot een glimlach.
‘Het wordt wel eens betwijfeld, maar het achterhalen van de waarheid is de essentie van mijn beroep.’
David ademde diep.
‘Ik was in de sportschool… diezelfde sportschool waar u mij die middag hebt bezocht,’ begon hij rustig. ‘Ik had mijn gebruikelijke serie krachtoefeningen afgewerkt, minutenlang gedoucht en was bezig mij aan te kleden, toen ik door het raam van mijn kleedkamer de heer Goederijke voorbij zag komen.’
‘Hoe?’
‘Wat bedoelt u?’
‘In een auto? Op de fiets? Lopend? Gehaast? Opgewonden? Er zijn tal van mogelijkheden.’
David schudde zijn hoofd.
‘Gewoon, niets bijzonders. Hij liep daar.’ De jongeman zuchtte diep. ‘Aanvankelijk had ik daar geen moeite mee. Maar de dood van mijn vader spookte steeds door mijn gedachten… ik was daar geestelijk nog niet mee in het reine… en ik vroeg mij af wat de heer Goederijke in de Marnixstraat had te zoeken. Nieuwsgierig geworden kleedde ik mij snel aan, ging naar buiten en liep in de richting waar ik de heer Goederijke had zien gaan. Tot mijn verbazing zag ik hem nergens meer. Hij leek verdwenen, opgelost.’
‘In een auto gestapt?’
David maakte een hulpeloos gebaartje.
‘Die mogelijkheid heb ik niet overwogen. Ik heb niet op het verkeer gelet.’
‘U kent de auto van de heer Goederijke?’
David schudde zijn hoofd.
‘Maar ik ken de Marnixstraat. Ik kom al jaren in die sportschool en weet wat voor mensen er in de directe omgeving wonen. Echte Amsterdammers, gezellig, open. Maar geen kunstkenners of verzamelaars van antiek. Het verbaasde mij dat de heer Goederijke opeens was verdwenen. Gezien de omgeving, achtte ik het als enige mogelijkheid dat hij, om wat voor reden dan ook, dat smerige kraakpand was binnengegaan.’ De Cock knikte begrijpend.
‘Die weg bent u gevolgd?’
David greep met zijn handen naar zijn hoofd.
‘Ik ging dat kraakpand binnen. Argeloos. Zonder mij te realiseren wat mij te wachten stond. Later besefte ik dat ik in groot gevaar heb verkeerd… vrijwel aan de dood ben ontsnapt. De moordenaar van de heer Goederijke moet heel dicht bij mij zijn geweest. Dat kan niet anders. Ik heb niemand het kraakpand zien verlaten. Misschien stond hij of zij wel in een vertrek daarnaast of op een etage hoger.’
‘U hebt niets van hem of haar gezien of gehoord?’
‘Nee.’
‘U zag in het donkere kraakpand wel direct dat het slachtoffer de heer Goederijke was?’
David schudde zijn hoofd.
‘Zo donker was het niet,’ antwoordde hij met een zweem van verontwaardiging. ‘Het was er schemerig en het stonk er verschrikkelijk. Ik ging bijna over mijn nek.’
‘Hoe herkende u de heer Goederijke?’
‘Aan zijn kleding. Ik moet u bekennen dat ik niet zo nauwgezet naar zijn gezicht heb gekeken.’
‘Waarom niet?’
‘De… eh, de directe confrontatie met de dood schrikt mij af.’
‘En het beeldje?’
David reageerde verbaasd.
‘Wat voor een beeldje?’
‘Dat rechts naast het hoofd van de heer Goederijke stond.’
‘Ik heb niets gezien. Wat voor een beeldje moet dat zijn geweest?’
‘Een oesjebti.’
David keek hem verschrikt aan.
‘Een oesjebti?’
De Cock knikte.
‘Kent u die?’
De schrik in de ogen van de jongeman bleef.
‘Zo’n Egyptisch dodenbeeldje. Vader had er in de kelder een kist vol van.’
Vledder keek hem niet-begrijpend aan.
‘Je hebt hem laten gaan,’ riep hij verbijsterd. ‘Zomaar, vrij de straat op. Alsof er niets is gebeurd… alsof er niets met die vent aan de hand is.’ De Cock keek naar hem op. ‘Jij had hem willen houden?’ vroeg hij kalm.
Vledder knikte nadrukkelijk.
‘Een ideale verdachte. Geen alibi, door een getuige gezien op praktisch de plek, en op het tijdstip van de moord. Wat wil je als rechercheur nog meer? Als commissaris Buitendam alle facetten kent, dient hij voor jou een ontslagaanvraag in.’
De Cock gniffelde.
‘Wegens onbekwaamheid.’
Vledder snoof.
‘Dat durft hij niet. Maar als Buitendam slechts voor de helft wist, aan welke onwettige handelingen jij je in jouw onderzoeken schuldig hebt gemaakt, dan had hij jou al jaren geleden op non-actief gesteld.’
De Cock schoof zijn onderlip naar voren.
‘En waren er minder moorden opgelost.’
Vledder knikte traag.
‘Dat… eh,’ sprak hij met enige tegenzin, ‘moet ik helaas toegeven.’
‘Helaas?’
Vledder knikte.
‘Ik blijf liever binnen de grenzen van de wet.’ De Cock trok een grimas. ‘Ik ook, maar soms…’ De oude rechercheur maakte zijn zin niet af. ‘Je weet,’ ging hij zuchtend verder, ‘dat ik de commissaris zoveel als doenlijk ontloop.’ Vledder schudde zijn hoofd. ‘Dat heb ik nooit goed begrepen. Buitendam is in wezen toch een aardige man.’
De Cock knikte.
‘Het is zijn karakter. Ik houd voortdurend rekening met de onderdanigheid van Buitendam… zijn gevoelens van angst voor het hautaine, vaak onbekwame en wereldvreemde justitieapparaat. Koppel daaraan zijn van nature starre denkpatronen en begrijp dat van mijn kant jegens hem nooit openhartigheid is te verwachten.’
Vledder lachte.
‘De uitroep starre politieman van David van Wateringen zit je ook duidelijk dwars?’
De Cock knikte instemmend.
‘Nogal. Ik vind niet dat wij star denken. Als ik geen nuances kende, had ik David van Wateringen inderdaad voor moord ingesloten.’
Vledder knikte.
‘Dat had ik ook verwacht.’
‘Ik vond zijn verklaring acceptabel.’
Vledder zweeg even, hij liet de discussie over dit onderwerp rusten. Hij hield de wijsvinger van zijn rechterhand voor zijn neus.
‘Jij zoekt naar een moordenaar of moordenares die de beschikking heeft over oesjebti’s?’
De Cock knikte.
‘Zeldzame en dus kostbare beeldjes. Niet zomaar ergens voor het grijpen.’
Vledder keek hem schuins aan.
‘De vader van David van Wateringen had er een kist vol van.’
De Cock grijnsde.
‘Jij bedoelt te zeggen dat hij gemakkelijk over zo’n oesjebti kon beschikken?’
‘Inderdaad.’
De Cock maakt een schouderbeweging.
‘Denk eens aan de andere zoon… Evert van Wateringen. Aan Helen van Haaksbergen… de jonge weduwe van Arthur van Wateringen. Ook voor hen was het niet moeilijk om oesjebti’s te bemachtigen.’ Vledder trok een denkrimpel in zijn voorhoofd. ‘Je vergeet nog iemand.’
‘Wie?’
‘Elisa van Oldekerke… zij kende in de Oude Vensterstraat opvallend goed de weg in de kelder.’
‘Weet zij wat een oesjebti is?’
Vledder stond van zijn bureau op en liep naar de kapstok. De Cock keek hem verbaasd na.
‘Waar ga je heen?’
Vledder draaide zich half om.
‘Naar de Herenmarkt. Elisa van Oldekerke vragen of de ruim twee miljoen aan verzekeringspenningen al aan haar zijn uitgekeerd.’
Elisa van Oldekerke, slechts gekleed in een nauwelijks verhullend tulen negligé, waarin duidelijk de contouren van een roze bh’tje en een minuscuul slipje zichtbaar waren, keek van De Cock naar Vledder en terug. In haar ogen blonk wantrouwen.
‘Jullie komen mij toch niet vertellen,’ vroeg ze met iets van angst in haar stem, ‘dat jullie mijn verdwenen sarcofaag hebben opgespoord?’
De rechercheurs antwoordden niet.
Vledder gebaarde naar vier rotan fauteuils met gebloemde kussens rond een ronde matglazen tafel.
‘Mogen we gaan zitten?’
Elisa van Oldekerke knikte. Ze wachtte rustig tot de rechercheurs zich hadden genesteld, treuzelde nog enige seconden en nam toen tegenover hen plaats. Kalm, gracieus, geraffineerd, gericht op het effect dat ze kende.
De Cock onderdrukte met een krachtige wilsimpuls de betovering die haar feeërieke gestalte uitstraalde.
‘U bent bang voor onze activiteiten?’ vroeg hij vriendelijk. Elisa van Oldekerke knikte.
‘Als die activiteiten gericht zijn op het terugbrengen van mijn sarcofaag.’
‘U wilt uw eigendom niet meer terug?’
Elisa van Oldekerke schudde haar hoofd. Haar lange blonde haren golfden over haar schouders.
‘Ik wil dat ding nooit meer zien.’
Vledder grijnsde.
‘Ruim twee miljoen op een solide bank,’ sprak hij smalend, ‘is aantrekkelijker dan een bronzen sarcofaag op de schoorsteenmantel.’
Elisa van Oldekerke keek hem vernietigend aan. Ze trok haar mond samen en haar lichtgroene, bijna fosforescerende ogen schoten vuur.
‘Het gaat mij niet om geld,’ reageerde ze fel. ‘Ik wist ook niet dat die bronzen sarcofaag voor zoveel geld was verzekerd. Dat heb ik u toch verteld? Ik vernam dat eerst later van Pieter-Jan van Oldekerke toen ik hem schreef dat mijn sarcofaag was gestolen.’ Vledder snoof.
‘Volgens Pieter-Jan van Oldekerke wist u dat al geruime tijd… ook al op het moment dat u bij ons aangifte van diefstal deed.’ Elisa van Oldekerke brieste.
‘Dat is een leugen… een leugen om mij in een kwaad daglicht te stellen. Ik kreeg die sarcofaag toegestuurd zonder hoe of wat. Er was alleen een briefje bij van mijn oudoom Pieter, dat op de sarcofaag een vloek rustte. Meer niet.’
Vledder grinnikte vreugdeloos.
‘Waarom verklaarde PieterJan van Oldekerke, de respectabele executeur-testamentair van uw oudoom Pieter, dan tegen ons dat hij u onmiddellijk op de hoogte had gesteld van het enorme verzekeringsbedrag van ruim twee miljoen, dat uw oudoom Pieter voor de diefstal van de sarcofaag had afgesloten?’
Elisa van Oldekerke boog zich iets naar hem toe. Haar bevallige pose kwam terug. Ze schonk de jonge rechercheur een meelijwekkend lachje.
‘Een typisch familietrekje,’ legde ze liefjes uit. ‘Zo moet u dat zien. Als de familie Van Oldekerke de volle vrijheid had… als er geen wetten bestonden met de mogelijkheid van opsporing en zware bestraffing… dan moordden zij elkaar vrolijk en opgewekt uit. Geloof me, zonder enige tekenen van schuld of berouw.’ De Cock kwam tussenbeide. ‘U bent toch Elisa van Ol-de-kerke?’
Het duurde even. Toen gleed een glimlach om haar lippen.
‘Ik ben niet voor niets naar Amsterdam getrokken. Hier voel ik mij vrij. Hier zijn geen leden van de familie Van Oldekerke. Ik heb hier van niemand iets te vrezen… en niemand iets van mij.’ De Cock kwam uit zijn fauteuil overeind. ‘Weet u wat een oesjebti is?’
Elisa van Oldekerke keek hem niet-begrijpend aan. ‘Een oesjebti?’
De Cock knikte.
‘Oes-jeb-ti,’ antwoordde hij nadrukkelijk. Elisa van Oldekerke schudde haar hoofd. ‘Geen flauw idee.’ De Cock liet het onderwerp vallen. ‘Weet u al iets meer van de vloek die op de sarcofaag zou rusten?’
Elisa van Oldekerke stond op en stapte op hem toe. De geur van haar parfum bracht hem in een wolk van zoete bedwelming.
‘Ik begin,’ sprak ze zacht, bijna fluisterend, ‘in die vloek te geloven. De kracht van de vloek op die vermaledijde sarcofaag heeft zich reeds ruimschoots bewezen.’
De Cock steeg boven haar bedwelming uit.
‘Bewezen?’ vroeg hij argwanend.
Elisa van Oldekerke knikte. Haar groene ogen vonkten.
‘Twee mannen zijn al aan die vloek ten offer gevallen. En het einde is nog niet in zicht.’