4

Vledder keek zijn oude leermeester grinnikend aan.

‘Ik dacht dat jij een paar dagen met je vrouw op vakantie wilde… naar Barsingerhorn, naar dat watertje waar de mooiste snoeken voor je hengeltje in de rij staan?’

De Cock maakte een hulpeloos gebaar.

‘Ik wil je nu niet in de steek laten. Men weet nooit hoe een zaak zich ontwikkelt.’ Hij gebaarde naar het raam. ‘En misschien houdt het mooie weer nog even aan. Als we deze zaak hebben geklaard…’

Vledder onderbrak hem.

‘Wat doen we met Iwan Terborch?’

De Cock zuchtte.

‘Bel de wachtcommandant,’ sprak hij vermoeid, ‘en zeg dat hij hem naar boven kan sturen.’

‘De Oude Vensterstraat?’

De Cock staarde peinzend voor zich uit.

‘Hoe laat is de sectie?’

‘Om twee uur vanmiddag.’

De Cock keek naar de grote klok boven de toegangsdeur.

‘Voorlopig tijd genoeg. Ga jij maar alleen naar de Oude Vensterstraat, dan sta ik die Iwan Terborch te woord. Misschien bekent hij.’

Vledder lachte.

‘Dan kun je vanmiddag nog weg.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ik ben niet zo optimistisch. In de regel vallen wij van het ene mysterie in het andere.’ Hij zweeg even. ‘Hou het ruim in de Oude Vensterstraat.’

Vledder keek hem niet-begrijpend aan.

‘Wat bedoel je?’

‘Mevrouw Van Wateringen zei dat ze was gebeld door een man aan de overkant van de straat. De overkant is een vaag begrip.’ Vledder glimlachte.

‘Een vaag begrip, waaraan ik een ruime interpretatie moet geven.’ De Cock grinnikte.

‘Heel goed. Je bent vandaag opmerkelijk vlug van begrip.’

‘Dank je.’

De Cock strekte zijn wijsvinger naar hem uit.

‘Noteer de adressen waar niemand thuis is, dan gaan we daar vanavond heen. Misschien hebben we eens een keer mazzel en vinden we een prima getuige.’

De jonge rechercheur keek hem schuins aan.

‘Waarom heb je mevrouw Van Wateringen gisteravond niet gevraagd wie die man was?’

‘Mevrouw Van Wateringen sprak van een man,’ antwoordde hij verontschuldigend. ‘Ik ging ervan uit dat hij voor haar een onbekende was, anders had ze gezegd: ik ben gebeld door die en die.’

‘Zou hij haar zijn naam niet hebben genoemd?’

De Cock maakte een schouderbeweging.

‘Dat kan. Maar bedenk dat mevrouw Van Wateringen door de mededeling mogelijk was geschokt en niet alert was op de naam van de man die haar belde.’

De oude rechercheur trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.

‘Kijk straks in het telefoonboek of bij de antiekzaak van Van Wateringen ook zijn privé-telefoonnummer in Amstelveen staat.’

‘En als dat er niet bij staat?’

De Cock grijnsde.

‘Dan weet de man die belde meer dan ik oppervlakkig van mijn buren aan de overkant weet.’


De Cock leunde iets achterover. Hij keek de man, die wat onwennig op de stoel naast zijn bureau was gaan zitten, onbevangen aan. De oude rechercheur schatte hem op achter in de twintig. Iwan Terborch, zo constateerde hij, was inderdaad het type van een mooie man. Hij had een fraai atletisch figuur en een regelmatig ovaal gelaat met een iets geprononceerde kin. Zijn blonde haren krulden warrig tot in zijn nek en zijn ogen glansden hemelsblauw.

De man droeg een strakke lichtbruine pantalon, waarboven een iets lichter getint bruin getailleerd hemd, dat zijn machtige torso een extra accent gaf.

Iwan Terborch, zo overdacht De Cock cynisch, was te mooi om sympathiek te zijn.

De oude rechercheur keek hem toch glimlachend aan.

‘Wat voert u tot mij?’ opende hij.

Het klonk bijna spottend.

Iwan Terborch trok zijn mond strak.

‘Hij is dood.’

De Cock veinsde onbegrip.

‘Wie?’

‘Die vieze dikke oude prulletjesman.’

‘Prulletjesman?’ herhaalde De Cock vragend. ‘Noemde u hem zo?’

Iwan Terborch gebaarde heftig.

‘Dat klopt toch?’ riep hij geëmotioneerd. ‘Wat heeft die man zijn hele leven gedaan? Prullaria verkocht voor antiek. Met een stalen gezicht. Die man leefde puur van bedrog.’

‘U bedoelt antiquair Van Wateringen?’

Iwan Terborch grinnikte.

‘U weet best wie ik bedoel.’

De Cock negeerde de opmerking.

‘Wie heeft u van zijn overlijden bericht?’

‘Zij.’

‘Wie is zij?’

Iwan Terborch draaide hem zijn rug toe en bromde.

‘Ook dat behoef ik u niet te zeggen.’

De Cock voelde de wrevel in zijn bloed kruipen. Zijn gezicht werd een strak masker. Het gedrag en de antwoorden van de man irriteerden hem bovenmatig.

‘Draai je om,’ siste hij, ‘en kijk mij aan.’

Iwan Terborch gehoorzaamde als een schooljongen. De Cock strekte zijn rechterarm naar hem uit.

‘Ik verzoek u dwingend om u ten opzichte van mij fatsoenlijk te gedragen en op een redelijke wijze op mijn vragen te reageren.’

Het gezicht van Iwan Terborch betrok. De felle uitval van de oude rechercheur had zijn uitwerking niet gemist. Zijn hautaine houding verdween.

‘Mijn ex-vrouw,’ sprak hij timide, ‘Helen van Haaksbergen. Zij belde mij vanmorgen op en beschuldigde mij ervan haar man te hebben vermoord.’

‘En?’

Iwan Terborch keek hem onthutst aan.

‘Wat bedoelt u?’

‘Hebt u hem vermoord?’

Iwan Terborch schudde vertwijfeld zijn hoofd.

‘Ik niet.’

De Cock grijnsde.

‘Ik heb nog nooit,’ sprak hij hoofdschuddend, ‘een moordenaar direct horen bekennen.’

Iwan Terborch schudde opnieuw zijn hoofd.

‘Ik… eh, ik heb niets te bekennen,’ riep hij met enige stemverheffing. ‘Ik ben zijn moordenaar niet.’

De Cock keek hem met een verbaasde blik aan.

‘Hoe kan uw ex-vrouw u dan van moord op haar man beschuldigen?’

Iwan Terborch liet zijn hoofd iets zakken.

‘Ik heb wel eens tegen haar gezegd,’ antwoordde hij zacht, ‘dat ik een mes in zijn dikke bast zou duwen. Maar dat meende ik niet. Dat was uit woede omdat hij Helen van mij af had gepakt.’

‘Zo voelde u dat?’

Iwan Terborch knikte.

‘Ik probeer al enige tijd te accepteren dat ik haar kwijt ben, maar in het begin kon ik dat in het geheel niet vatten. Mijn mooie Helen… zo’n dikke vieze oude man.’

De Cock hield zijn hoofd iets schuin.

‘Een onmogelijke combinatie?’

‘Absoluut.’

De Cock grijnsde.

‘Misschien begrijpt u te weinig van wat vrouwen van een man verwachten.’

Iwan Terborch klopte met zijn vuisten op zijn brede borst.

‘Vrouwen,’ sprak hij trots, ‘te kust en te keur. Ik hoef maar met mijn vingers te knippen…’

De Cock glimlachte.

‘Of,’ vulde hij hoofdknikkend aan, ‘ze vliegen in uw armen.’

‘Precies. Ik kan u daar voorbeelden van noemen.’

De oude rechercheur reageerde niet direct. Hij streek met zijn pink over de rug van zijn neus.

‘U bedoelt in feite,’ sprak hij fijntjes, ‘dat Helen van Haaksbergen blij had moeten zijn dat u met haar was getrouwd… dat het een enorme stommiteit van haar was om u te verlaten.’ Iwan Terborch ontstak in woede.

‘Het was zijn geld… zijn geld. Daar was ze op uit. Die Van Wateringen was stinkend rijk. U moet zijn kinderen maar eens vragen hoe die over Helen van Haaksbergen denken.’

‘Zijn kinderen?’

Iwan Terborch zuchtte diep.

‘David en Evert van Wateringen. De antiquair is al eerder een keer getrouwd geweest. Zijn eerste vrouw Mathilde is jaren geleden aan kanker gestorven.’

‘U bent goed op de hoogte.’

Iwan Terborch grijnsde.

‘Toen Helen belangstelling voor die Van Wateringen kreeg, ben ik de familie eens nagegaan. Dat is niet zo moeilijk. Een vriend van mij werkt bij het Bevolkingsregister in Amsterdam.’ De Cock knikte begrijpend. ‘Kent u die zoons?’

‘Evert niet. Maar met David heb ik regelmatig contact. Hij traint in de Marnixstraat in dezelfde sportschool als ik.’

‘David was niet zo erg te spreken over de keuze van zijn vader?’ Iwan Terborch grinnikte.

‘U drukt zich nog voorzichtig uit. David was woedend toen hij van de trouwplannen van zijn vader hoorde. Ook hij was ervan overtuigd dat Helen zijn vader inpalmde en op een huwelijk aandrong om zijn vermogen te bemachtigen. De kinderen krijgen nu na zijn overlijden niets… bijna niets. Vrijwel alles gaat naar Helen.’

Er kwam een kwaadaardige glinstering in zijn helblauwe ogen en de wrange trek om zijn mond was niet prettig om aan te zien.

‘Als u voor de moord op Van Wateringen zoekt naar iemand met een duidelijk motief… ‘

De Cock grijnsde.

‘Dan wende ik mijn blik naar zijn jonge weduwe.’


De Cock keek zijn jonge collega ontsteld aan.

‘Niets?’ riep hij ongelovig.

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Ik heb het vage begrip overkant inderdaad een ruime interpretatie gegeven en het hele rijtje huizen tegenover de antiekwinkel bezocht. Gelijkstraats zijn in de Oude Vensterstraat kleine bedrijven en winkeltjes. Ik heb geïnformeerd… maar daar is laat op de avond niemand meer aanwezig. Boven die bedrijven en winkeltjes wonen meest oudere lieden, die voor tienen al onder de wol kruipen.’

De Cock maakte een gebaar van vertwijfeling.

‘Niemand heeft iets gezien?’

Vledder grinnikte vreugdeloos.

‘Er was een oud vrouwtje, dat zo rond de klok van twaalf uur wakker was geworden om een plasje te doen en toen voor de deur van de antiekzaak een ambulancewagen zag staan. Ze vroeg zich even af wat er was gebeurd en is toen weer in bed gekropen.’

‘Was iedereen thuis?’

Vledder knikte.

‘Ik heb in iedere woning iemand aangetroffen.’

‘Kenden ze Van Wateringen?’

‘Van gezicht.’

‘Verder niet?’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Geen van de bewoners had ooit persoonlijk contact met hem gehad.’ De jonge rechercheur zweeg even. ‘Ik heb ook in het telefoonboek gekeken.’

‘En?’

‘Privé-telefoonnummer en het adres in Amstelveen staan niet vermeld.’

De Cock trommelde met de toppen van zijn vingers op zijn bureau.

‘Wie heeft haar dan gebeld?’

Vledder trok zijn schouders op.

‘Zijn moordenaar?’ De Cock staarde voor zich uit. ‘Misschien is dat telefoontje een verzinsel… had ze geen telefoontje nodig.’

Vledder keek hem met grote ogen aan.

‘Je bedoelt dat ze wist wat er in de antiekzaak met haar man was gebeurd en een telefoontje verzon om haar komst te verklaren?’

De Cock knikte traag.

‘Ik zei al: je bent vandaag vlug van begrip.’


De Cock keek op de klok, stond van zijn stoel op en slenterde naar de kapstok.

‘Ik ga met je mee naar Westgaarde.’

‘Om de sectie bij te wonen?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ik behoef dokter Rusteloos niet meer aan het werk te zien. Ik weet hoe vaardig hij lijken uit elkaar peutert. Ik neem op Westgaarde de Golf van je over.’ Vledder reageerde verwonderd. ‘Ga jij achter het stuur?’ vroeg hij spottend. ‘Echt in het verkeer?’

De Cock knikte instemmend.

‘Ik heb nog steeds mijn rijbewijs. Ik schat dat dokter Rusteloos ongeveer twee uur nodig heeft. Ik ben dan weer terug om je op te halen.’

Vledder fronste zijn wenkbrauwen.

‘Waar ga jij heen?’

‘Naar een sportschool.’

Vledder gniffelde.

‘Om je pyknische habitus bij te werken?’ De Cock glimlachte. ‘Ik heb daar een afspraak met David van Wateringen. Zoon van de vermoorde antiquair.’

‘Had hij kinderen?’

‘Uit een vorig huwelijk.’

‘Hoe weet je dat?’

‘Van Iwan Terborch, die kent David van Wateringen van de sportschool waar hij traint.’

Vledder keek hem schattend aan.

‘Heeft de bodybuilder bekend?’

De Cock zette zijn hoedje op.

‘Hij geeft toe wel eens bedreigingen te hebben geuit. Maar verder ontkende hij in alle toonaarden.’

‘Jammer.’

De oude rechercheur knikte met een bedroefd gezicht.

‘Inderdaad… jammer. Geloof me, ik had hem met vreugde gearresteerd.’


David van Wateringen bleek een sympathieke jongeman van achter in de twintig. In zijn sportkleding zag hij er indrukwekkend uit. De Cock keek hem onderzoekend aan en herkende familietrekken. Zwart sluik haar, diepliggende bruine ogen en een neiging tot corpulentie. De oude rechercheur liet zijn hoofd iets zakken.

‘Gecondoleerd,’ sprak hij plechtig, ‘met de dood van uw vader.’ David van Wateringen keek naar hem op.

‘Ik moet u eerlijk bekennen,’ sprak hij openhartig, ‘dat ik geen pijn of verdriet voel. Ik voel feitelijk niets. Misschien komt dat later. Vader en ik zijn de laatste jaren wat uit elkaar gegroeid.’

‘Helen van Haaksbergen?’

David knikte.

‘Evert en ik hebben van alles geprobeerd om zijn huwelijk met haar te verhinderen, maar de oude bok wilde een jong blaadje.’

‘Zijn goed recht.’

David schonk hem een vermoeide glimlach.

‘Zo denkt u erover. Maar Evert en ik zijn de dupe van zijn lusten.’

‘Dat klinkt onvriendelijk.’

David knikte.

‘Dat begrijp ik. Maar het is wel de realiteit. Hij had toch gewoon met haar samen kunnen leven?’

‘U bedoelt: dat huwelijk was niet nodig geweest?’

‘Precies. Het was dom. Het getuigde van een slecht inzicht.’

‘Liefde maakt blind.’

David zuchtte.

‘Als hij met alle geweld een huwelijk wilde, om wat voor reden dan ook, dan had hij voordien met ons een financiële regeling moeten treffen.’

‘Dat is niet gebeurd?’

‘Nee.’

‘Had u voor haar komst, voor de interventie van Helen van Haaksbergen, wel een goed contact met uw vader?’

‘Redelijk.’

‘Besprak hij met u wel eens zakelijke aangelegenheden?’ David schudde zijn hoofd. ‘Daarvoor had hij het vierspan.’

‘Het vierspan?’

‘Zo noemden zij zich… het vierspan. Vier antiquairs die tezamen een soort verbond vormden.’

‘Zakelijk?’

‘Niet alleen puur zakelijk. Ze waren in wezen ook vrienden van elkaar.’

‘Kent Helen van Haaksbergen het vierspan?’

‘Zeker. Ze trad als gastvrouw op als vader in Amstelveen een feestje voor hen organiseerde.’

‘Kent u de namen van de drie anderen van het verbond… hun woon- of verblijfplaats?’

David knikte.

‘Ik ben wel eens met vader bij hen op bezoek geweest.’

‘Bent u bereid om mij die namen en adressen te geven?’

‘Als u erop staat,’ antwoordde David onverschillig. ‘Ik begrijp niet hoe zij iets met de dood van mijn vader van doen kunnen hebben?’

De Cock negeerde de vraag.

‘Weet u hoe uw vader stierf?’ David staarde somber voor zich uit. ‘Helen van Haaksbergen heeft mij uitvoerig verslag gedaan. Het was in de kelder van de winkel. Er stak een groot model stiletto tot aan het heft in zijn rug.’ De Cock knikte. ‘Voor zo’n steek is veel kracht nodig.’ De oude rechercheur zweeg even voor het effect.

‘Dat sluit Helen van Haaksbergen als mogelijke moordenares vrijwel uit.’

David keek hem gespannen aan. Langzaam schudde hij zijn hoofd.

‘Ik ben het niet met u eens. Helen van Haaksbergen speelt uitstekend tennis. Haar grootste wapen is een krachtige eerste opslag.’

Загрузка...