De Cock kroop op de parkeerplaats van Westgaarde met een diepe zucht van verlichting achter het stuur van de Golf vandaan. De oude speurder hield niet van autorijden. Versnellingen waren hem een gruwel. Bovendien was in de loop der jaren het verkeer hem te hectisch geworden met al die egoïsten en piraten. De rit door het drukke verkeer vanaf de sportschool had hem vermoeid. Toch hield hij met een hoofse buiging het portier van de Golf voor zijn jonge collega open.
Vledder negeerde het gebaar. Hij liep speurend om de wagen heen.
‘Geen schrammetje,’ stelde hij met voldoening vast. ‘Geen schrammetje.’
De Cock keek hem verwijtend aan.
‘Had je dat verwacht?’
Vledder knikte nadrukkelijk.
‘Min of meer. De keren dat ik jou auto heb zien rijden, hield ik mijn hart vast.’
De Cock stapte grommend in.
‘Ik heb nog nooit een aanrijding veroorzaakt.’
Vledder snoof.
‘Mazzel. Sommige mensen gaan ervan uit dat alle andere mensen in het verkeer rekening met hen houden.’
‘Zo’n vent ben ik?’
Vledder lachte.
‘Wil je een antwoord?’
De Cock liet het onderwerp rusten.
‘Heb je Ben Kreuger nog gesproken?’
Vledder nam achter het stuur plaats en knikte.
‘Ik ontmoette hem op Westgaarde nog voordat dokter Rusteloos met zijn sectie begon. Volgens de dactyloscoop waren op het heft van de stiletto geen vingerafdrukken te vinden.’
‘Handschoenen?’
‘Zeker.’
‘Hoe was de sectie?’
Vledder trok zijn schouders op.
‘Niets bijzonders. De stiletto heeft een hartslagader geraakt. Antiquair Van Wateringen is inwendig doodgebloed.’
‘Zei dokter Rusteloos nog iets?’
‘Je moet de groeten hebben.’
‘Ik bedoel over de kracht waarmee het wapen is gebruikt?’ Vledder schudde zijn hoofd.
‘Hij zei alleen dat een steekwond in de rug vaak afketst op een schouderblad of de ruggenwervels.’
‘De steek was dus een toevalstreffer?’
‘Of de dader weet iets van anatomie.’
De Cock liet zich wat onderuitzakken.
‘Helen van Haaksbergen,’ sprak hij achteloos, ‘speelt heel goed tennis en heeft een keiharde eerste service.’
Vledder keek hem van terzijde aan.
‘Hoe kom je aan die wijsheid?’
‘David van Wateringen.’
Vledder fronste zijn wenkbrauwen.
‘Denkt hij dat zijn vader door zijn jonge vrouw is vermoord?’
‘Dat heb ik hem niet rechtstreeks gevraagd.’
‘Kreeg je de indruk?’
‘Hij zei het niet openlijk, maar liet het min of meer doorschemeren. En net als Iwan Terborch meent David van Wateringen dat Helen van Haaksbergen de antiquair om zijn geld heeft getrouwd. Zij is de enige die van zijn dood profiteert.’
Vledder trok een bedenkelijk gezicht.
‘Vat je alles samen… dat vreemde telefoontje… haar kennis van de situatie in de zaak van haar man aan de Oude Vensterstraat… dan is zij een redelijke verdachte, met een motief.’
Hij blikte even opzij.
‘Durf jij haar arrestatie aan?’
‘Met wat wij nu weten?’
‘Ja.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Dan zul je haar na een simpel verhoor moeten heenzenden. Zij lijkt mij geen vrouw die je zonder een deugdelijke bewijsvoering tot een bekentenis brengt.’ Hij zweeg even. ‘Als ze schuldig is.’
‘En daar twijfel je aan?’
‘Ik vind het nog te vroeg om daar een oordeel over te hebben. We weten nog zo weinig.’
Ze reden verder zwijgend naar de binnenstad.
Vledder parkeerde de Golf op de houten steiger achter het bureau. Het was loom, warm weer en het water van het Damrak stonk. De rechercheurs stapten uit en slenterden traag via de Oudebrugsteeg naar de Warmoesstraat. Een jongeman, van wie De Cock meende dat hij nog steeds in de bajes thuishoorde, liep hem minzaam glimlachend voorbij.
Toen ze de hal van het politiebureau binnenstapten, wenkte Jan Kusters De Cock vanachter de balie.
De oude rechercheur liep naar de wachtcommandant toe en maakte met zijn handen een afwerend gebaar.
‘Ik wil alleen naar je luisteren als je mij echt iets prettigs te vertellen hebt,’ sprak hij jolig.
Jan Kusters bromde.
‘Daar word ik niet voor betaald. En ik heb er ook geen behoefte aan om jou prettige dingen te vertellen.’ Hij wees omhoog. ‘Er zit boven een man op je te wachten.’
‘Wat voor een man?’
De wachtcommandant zwaaide geïrriteerd.
‘Weet ik veel. Ik heb niet naar zijn naam gevraagd. Ik dacht dat jij binnen was. Toen hij naar jou vroeg, heb ik hem naar boven gestuurd.’
‘Lang geleden?’
‘Een halfuurtje… misschien wel langer.’
De Cock grinnikte.
‘Ga vanavond eens vroeg naar bed.’
Hij liep bij hem weg en besteeg opmerkelijk kwiek de stenen trappen naar de tweede etage.
Vledder volgde.
Op de bank voor de toegangsdeur naar de grote recherchekamer zat een slanke man in een grijsflanellen kostuum. De Cock schatte hem op achter in de veertig. Hij had een lang, tanig gelaat, donker haar en was grijzend aan de slapen. Toen hij de oude rechercheur in het oog kreeg, stond hij op en liep op hem toe.
‘U behandelt de moord op antiquair Van Wateringen?’ vroeg hij op een autoritaire toon.
De Cock keek de man even aan, slofte zonder te antwoorden aan hem voorbij en liep de grote recherchekamer binnen. De man kwam hem na.
‘Ik vroeg of u de moord aan antiquair Van Wateringen behandelde.’
De Cock ging achter zijn bureau zitten en blikte omhoog. Om zijn mond dartelde een zoete glimlach.
‘Ik ben gewend,’ sprak hij vriendelijk, ‘dat iemand zich eerst behoorlijk aan mij voorstelt.’
Het tanige gezicht van de man kleurde rood.
‘Mijn naam is Goederijke, Adriaan Goederijke. Ik ben… ik was een vriend van Arthur van Wateringen.’
De oude rechercheur kwam uit zijn stoel omhoog.
‘Mijn naam is De Cock met… eh, met ceeooceekaa.’ Hij gebaarde hoffelijk naar de stoel naast zijn bureau.
‘Neemt u plaats.’
Adriaan Goederijke ging wat stijfjes zitten.
‘Ik ben… ik was niet alleen een vriend van Arthur van Wateringen. Wij waren ook vakbroeders.’
Zijn stem klonk wat vriendelijker.
‘U bent antiquair?’
Adriaan Goederijke knikte.
‘Ik heb geen eigen zaak, zoals Arthur van Wateringen. Ik ben meestal op reis, steeds op zoek naar interessante artikelen. Veel mensen hebben kostbaar antiek in huis zonder het zelf te weten.’
‘En dat koopt u dan op… zonder hen te vertellen wat ze niet weten?’
Adriaan Goederijke dacht even na en knikte.
‘Zo… eh, zo ongeveer, ja.’
De Cock glimlachte.
‘Almaar hopen op een zwijntje.’ Adriaan Goederijke keek hem verstoord aan. ‘Een zwijntje?’ De Cock lachte.
‘Een Jiddische uitdrukking voor een gelukje, een mazzeltje, een bezolletje, alles Jiddisch. Onze taal is ervan doorspekt.’ Adriaan Goederijke schudde zijn hoofd.
‘Ik ben hier niet,’ reageerde hij nukkig, ‘om door u in taal onderwezen te worden.’
De Cock accepteerde de terechtwijzing en dreef de lach van zijn gezicht.
‘Waarom wilde u weten,’ vroeg hij ernstig, ‘of ik de moord op Arthur van Wateringen behandelde?’
Adriaan Goederijke verschoof iets op zijn stoel.
‘Omdat ik het niet heb gedaan.’
De Cock keek hem verrast aan.
‘Herhaalt u dat nog eens?’ vroeg hij verward.
‘Omdat ik het niet heb gedaan.’
‘Wat hebt u niet gedaan?’
‘Arthur van Wateringen vermoord.’
De Cock boog zich iets naar hem toe.
‘Wie beweert dat dan?’
‘Een man.’
‘Welke man?’
Adriaan Goederijke zuchtte.
‘Dat weet ik niet.’ In zijn stem sloop paniek. ‘Ik ben nu al tweemaal gebeld door een man die zegt dat ik een sarcofaag heb gestolen en daarna Arthur van Wateringen heb vermoord.’ De Cock hield zijn hoofd iets schuin.
‘Om wat voor een sarcofaag zou het dan gaan?’
Adriaan Goederijke zuchtte opnieuw.
‘Een bronzen sarcofaag met daarop een vogel, een gestileerde ibis.’
De Cock zocht even bedenktijd.
‘Er is inderdaad zo’n sarcofaag uit de winkel van Van Wateringen gestolen.’
Adriaan Goederijke spreidde zijn handen.
‘Niet door mij… niet door mij.’
De Cock keek hem schattend aan.
‘Door wie wel?’
Adriaan Goederijke tastte in een gebaar van wanhoop met zijn handen naar zijn hoofd.
‘Geen flauw idee. Ik heb daar niets mee te maken.’
De Cock negeerde de uitingen van emotie.
‘Is er volgens u,’ vroeg hij kalm, ‘een verband tussen de diefstal van de sarcofaag en de moord op Arthur van Wateringen?’
‘Volgens de man die mij belde wel.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik vroeg of ú een verband ziet.’ Adriaan Goederijke sloot even zijn ogen. ‘Ik weet het niet… ik weet het niet. Arthur was mijn vriend en…’
De Cock onderbrak hem.
‘Wist u,’ vroeg hij streng, ‘dat Arthur van Wateringen zo’n sarcofaag in consignatie had?’ Adriaan Goederijke antwoordde niet.
De Cock nam een kleine pauze.
‘Wist u dat Arthur van Wateringen zo’n sarcofaag in consignatie had?’ vroeg hij iets dwingender. Adriaan Goederijke knikte. ‘Arthur van Wateringen,’ sprak hij zwaar zuchtend, ‘is met dat ding bij mij geweest.’
‘Wanneer?’
‘Vorige week.’
‘Waarom?’
‘Hij wilde weten wat dat ding waard was… wat hij ervoor moest geven als hij kans zag om het te kopen. Hij had de sarcofaag van een jonge vrouw gekregen voor een prijsbepaling.’
‘En?’
‘Wat bedoelt u?’
‘Wat was de sarcofaag volgens u waard?’
Adriaan Goederijke schudde zijn hoofd.
‘Ik heb geen prijs genoemd, durfde dat niet. Ik heb van die Egyptische dingen niet zoveel verstand. Ik heb Van Wateringen geadviseerd om naar Harfsen te gaan aan het Linnaeushof. Harfsen is expert op het gebied van Oudegyptische voorwerpen.’
‘Is Van Wateringen met de sarcofaag bij Harfsen geweest?’
‘Dat neem ik aan.’
‘U weet dat niet?’
Adriaan Goederijke schudde zijn hoofd.
‘Ik heb nadien geen contact meer met Arthur van Wateringen gehad. Ik heb ook Harfsen niet meer gesproken.’
De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.
‘Hebt u wel eens van het vierspan gehoord?’
Adriaan Goederijke keek hem argwanend aan. ‘Van wie hebt u die uitdrukking?’
De Cock ademde diep.
‘Het is onbeleefd om een vraag met een wedervraag te beantwoorden. Hebt u wel eens van het vierspan gehoord?’
‘Ja.’
‘Behoorde u daartoe?’
‘Ja.’
‘En Harfsen?’
‘Ook.’
Toen Adriaan Goederijke uit de grote recherchekamer was verdwenen, keek Vledder zijn oude collega verwonderd aan.
‘De… eh, de theorie van Cornelis van der Graft,’ sprak hij hakkelend. ‘Arthur van Wateringen werd vermoord door een collega-antiquair, die in het bezit van de sarcofaag wilde komen.’ De Cock knikte.
‘Er schijnt inmiddels ook iemand anders op hetzelfde idee te zijn gekomen. Ik ben blij dat Adriaan Goederijke er geen bezwaar tegen had dat wij vanaf nu zijn telefoon gaan aftappen. Als de geheimzinnige man nog eens belt, dan hebben wij in ieder geval zijn stem op de band.’
Vledder trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.
‘Wat is het vierspan?’
De Cock glimlachte.
‘David van Wateringen vertelde mij dat zijn vader veel samenwerkte met drie andere antiquairs uit de stad… vrienden… ze noemden zich min of meer spottend het vierspan.’
‘Heeft David van Wateringen jou de namen van die antiquairs gegeven?’
‘Ja.’
‘Jij wist dus dat Adriaan Goederijke tot het vierspan behoorde?’ De Cock knikte. ‘Ik wilde alleen zijn reactie peilen.’
‘Waarom?’
De Cock glimlachte.
‘Als het vierspan een soort geheim genootschap was, dan had Adriaan Goederijke zijn lidmaatschap vermoedelijk ontkend.’
Vledder knikte begrijpend.
‘Hij wilde alleen maar weten van wie jij die uitdrukking had gehoord.’
De Cock grinnikte.
‘Dat heb ik hem niet verteld.’
Er werd op de deur van de grote recherchekamer geklopt en Vledder riep:
‘Binnen!’
De deur ging langzaam open en in de deuropening verscheen een jongeman in een verschoten spijkerbroek en een blauw jack. De Cock fronste zijn wenkbrauwen. De gelaatstrekken van de jongeman, de bouw, het postuur kwamen hem bekend voor. Gebiologeerd keek hij toe hoe de jongeman in een soepele tred naderbij kwam. Bij zijn bureau bleef hij staan.
‘Hebt u al met mijn broer gesproken?’
De Cock keek naar hem op.
‘U bent Evert van Wateringen?’ De jongeman knikte.
De Cock kwam uit zijn stoel overeind. Met een sombere trek op zijn gelaat stak hij hem zijn rechterhand toe.
‘Gecondoleerd,’ sprak hij plechtig, ‘met het verlies van uw vader.’
Evert van Wateringen drukte zwijgend zijn hand.
‘Hebt u al met mijn broer gesproken?’ herhaalde hij.
De Cock knikte.
‘Vanmiddag op de sportschool.’
Evert gebaarde naar de stoel naast het bureau van De Cock.
‘Mag ik gaan zitten?’
‘Zeker.’
Evert knoopte zijn jack los en nam plaats.
‘Wat heeft mijn broer u verteld?’
De Cock toonde verwondering.
‘Waarom wilt u dat weten?’ Evert aarzelde. ‘Ik heb weinig contact meer met David. Sinds moeders dood is er een verwijdering tussen ons ontstaan. We hebben niet dezelfde interesses. Toen vader met die jonge vrouw aanpapte, was David des duivels. Hij heeft van alles geprobeerd om dat huwelijk te verhinderen.’
‘U niet?’
Evert schudde zijn hoofd.
‘Ik had er vrede mee.’
‘Uw broer David zegt dat u door de plannen van uw vader net zo geschokt was als hij. Dat ook u zich heftig tegen dat huwelijk heeft verzet.’
‘Omwille van ons erfdeel?’
‘Dat zei hij.’
Evert knikte traag voor zich uit.
‘Daar was ik al bang voor,’ sprak hij somber. ‘Maar dat is een verkeerde voorstelling van zaken. Ik was er niet op tegen dat vader met die jonge vrouw trouwde. Ik gunde hem nog een paar gelukkige jaren.’
‘David niet?’
Evert schonk hem een vermoeide glimlach.
‘Die dacht alleen maar aan geld.’
‘En u?’
Evert schudde zijn hoofd.
‘Geld betovert mij niet. Ik was alleen geïnteresseerd in het geluk van mijn vader. En als hij dat ziet in een huwelijk met een mooie jonge vrouw…’ Hij maakte zijn zin niet af.
De Cock trok een grijns.
‘Nobel.’
Evert haalde zijn schouders op.
‘Ik wilde het geluk van vader wel bewaken.’
De Cock keek hem schattend aan.
‘Hoe?’
‘Toezien… toezien dat ze hem niet bedroog.’
De Cock leunde in zijn stoel achterover. De houding van de jongeman fascineerde hem.
‘U… eh, u ging haar gangen na?’
Evert knikte.
‘Ze was furieus toen ze merkte dat ik haar had betrapt.’
‘Waarbij?’
Evert keek naar hem op. Zijn jong gezicht stond strak.
‘Bedrog. Overspel. Helen van Haaksbergen had na haar huwelijk met vader nog steeds een relatie met haar eerste man. Ze sliep zelfs bij hem.’
‘Iwan Terborch?’
Evert van Wateringen knikte traag.
‘Zo heet hij.’