Na een bescheiden bellen deed De Cock de deur van zijn woning open. Op de stoep, in het schaarse licht van de portieklamp, stond Vledder. Zijn hoofd zat in het verband. De jonge rechercheur zag doodsbleek en hij had donkere wallen onder zijn ogen.
De Cock keek hem schattend aan.
‘Je lijkt wel een oliesjeik met die torenhoge tulband om je hoofd.’ Om de lippen van Vledder gleed een matte grijns.
‘Zo voel ik me niet,’ verzuchtte hij. ‘Integendeel, het bonst alsof de laatste druppel spirit uit mijn lijf is geperst.’
‘Geen energie meer?’
‘Weinig.’
‘Licht in het hoofd?’
Vledder knikte traag.
‘Een beetje. Soms lijkt het alsof ik zweef… of mijn voeten de grond niet raken.’
‘Was toch thuisgebleven.’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Ik ben nieuwsgierig.’ antwoordde hij opstandig. ‘Ik wil weten wat jij over de moorden op de antiquairs hebt te vertellen. Jouw uitleg is vaak verrassend. Net zo verrassend als Cornelis van der Graft op een motor. Ik bezweer het je, ik dacht dat ik achter Eduard Harfsen aan zat.’
De Cock plukte aan zijn neus.
‘Begrijpelijk. Een verwachtingspatroon. Van zijn vrouw wist je dat Eduard Harfsen op een motor reed. Dus een man op een motor is Harfsen.’
Vledder knikte.
‘Ik had niemand anders in gedachten.’
De Cock glimlachte.
‘Er zijn meer mensen die zo’n vurig monster beheersen. Van der Graft is er een van.’
De oude rechercheur deed een stap opzij.
‘Kom erin. Appie Keizer en Fred Prins zitten binnen al breeduit op de bank en vertellen mijn vrouw de meest wilde episodes uit hun loopbaan. Het ene verhaal nog spannender dan het andere.’
‘Hoe is het met Fred?’
De Cock spreidde zijn handen.
‘Hij is er beter van afgekomen dan jij. Fred is alweer aan het werk. Ik heb alleen Ann, zijn jonge Ierse vrouw, aan de telefoon gehad. Ze was woest dat Fred in die tuimelende Golf een paar schaafwonden had opgelopen. Ze schold mij opnieuw uit voor dangerous old man en zei ervoor te zorgen dat Fred mij nooit meer in acties zou bijstaan.’
Vledder knikte.
‘Ze heeft gelijk. Je raakt met jou altijd in de problemen.’ De Cock liet zijn hoofd zakken.
‘Zou je bij mij weg willen?’
Vledder keek naar hem op. De doffe blik verdween. Zijn ogen twinkelden weer even.
‘Voor geen goud.’
De Cock keek hem dankbaar aan. Het gezicht van de oude rechercheur versomberde plotseling.
‘Ik vrees dat onze oude Golf niet meer in ons midden terugkeert. Hij zag er bedroevend uit. Vol deuken en butsen.’ Er kwam een bescheiden lachje op het gezicht van Vledder. ‘Die oude rammelpot,’ grinnikte hij. ‘Het werd tijd. Hij was nodig aan vervanging toe.’
De Cock trok een grijns.
‘Het doet me toch wat. Toen onze oude trouwe kever werd opgedoekt, had ik er ook hartzeer van. Ik raak aan dingen gehecht. Zo’n oude kar gaat voor mij leven… wordt een deel van mijzelf.’
‘Je bent een sentimentele oude dwaas.’
De Cock draaide zijn hoofd iets weg.
‘Misschien wil ik dat wel blijven.’ Hij gebaarde in de gang voor zich uit. ‘Ik heb dit keer ook Jan Rozenbrand uitgenodigd.’
‘Die wij in het kraakpand bij het lijk van Adriaan Goederijke troffen?’
De Cock knikte.
‘Hij is een van onze betere dienders.’
Vledder sjokte achter De Cock aan.
‘Een vreemde vent, die Cornelis van der Graft. Hij moet gezien hebben dat Fred en ik met de Golf van de dijk af tuimelden. Hij kwam met zijn motor terug om mij uit de sloot te trekken.’
‘Misschien was dat je redding wel.’
Vledder staarde voor zich uit.
‘Hoe lang ben ik buiten westen geweest?’
‘Wel een paar minuten, schat ik.’
‘Lang genoeg om in die sloot te verzuipen.’
De Cock knikte.
‘Tenzij Fred Prins je op tijd had ontdekt.’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Dat zat er niet in. Die was zelf ook dizzy.’
De jonge rechercheur leunde even tegen de gangmuur.
‘Een vreemde gedachte, dat ik mijn leven aan die Cornelis van der Graft heb te danken.’
‘Vreemd?’
Vledder zuchtte.
‘Een man… eh,’ sprak hij aarzelend, ‘een man die toch een paar gruwelijke moorden op zijn geweten heeft.’
De Cock gebaarde achteloos.
‘Ook een mens, gewoon een mens, die jou in levensgevaar zag en even zijn eigen veiligheid vergat. Dat… eh, dat is toch mooi.’ Vledder wreef over zijn kin.
‘Ik moet aan die gedachte wennen. Moordenaars zijn voor ons alleen maar vijanden. Moet ik hem voor zijn daad bedanken?’ De Cock knikte.
‘Dat zou ik maar doen.’
‘Heb je hem gearresteerd?’’
‘Die Van der Graft?’
‘Ja.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Dat was niet nodig. Ik denk ook dat ik een tijdje wacht voor ik de bijzonderheden over deze zaak aan de openbaarheid prijsgeef.’
‘Waarom?’
‘Van der Graft is opgenomen in het Antonie van Leeuwenhoek Ziekenhuis.’
Vledder keek hem verrast aan.
‘Heeft hij ook letsel opgelopen?’
‘Letsel,’ herhaalde hij toonloos. ‘Zo wordt dat niet genoemd. De doktoren geven hem nog twee, drie maanden. Niet veel langer. Cornelis van der Graft lijdt aan een agressieve vorm van kanker.’
Vledder fronste zijn wenkbrauwen.
‘Kanker?’
‘Ja.’
‘Sinds wanneer?’
‘Hij kent de uitslag van het onderzoek net een week of drie. Aanvankelijk was hij er kapot van. De gedachte aan zijn dood… zo nabij… was voor hem ondraaglijk. Dagenlang leefde hij met de gedachte aan zelfmoord. Tot hij tot de overtuiging kwam dat hij nog een missie had te vervullen.’
‘Een missie?’
De Cock reageerde niet. Hij deed de deur van de huiskamer open. Appie Keizer en Fred Prins sprongen van de bank omhoog en drukten Vledder de hand. Ze streelden zijn wangen en voelden aan zijn lijf.
‘Je bent heel… helemaal heel.’
Vledder tastte naar het verband om zijn hoofd.
‘Hier gonst het nog.’
Mevrouw De Cock kwam tussenbeide, duwde Appie Keizer en Fred Prins weg en leidde Vledder naar een brede fauteuil. De jonge rechercheur maakte een verontschuldigend gebaartje.
‘Ik heb niet aan rozen gedacht.’
Mevrouw De Cock lachte hem vriendelijk toe.
‘De volgende keer… wanneer je er weer eens zonder kleerscheuren van afkomt.’
De Cock pakte een verrukkelijke fles Franse cognac en schonk die in diepbolle glazen. Hij deelde de glazen rond.
Bij Jan Rozenbrand bleef hij even staan.
‘Welkom bij ons slotakkoord.’
Fred Prins hield zijn glas omhoog.
‘Voor welk karretje heb je ons nu weer gespannen?’ De Cock grijnsde.
‘De naam van dat karretje,’ sprak hij bitter, ‘is onveranderd. Het is verwonderlijk dat er nog mensen zijn zoals wij… die dat karretje willen trekken. Bijna niemand gelooft er meer in.’ Mevrouw De Cock keek hem bestraffend aan.
‘Jurrian,’ sprak ze strak, ‘blijf positief.’
De Cock knikte gedwee.
‘Het karretje der gerechtigheid.’ De oude rechercheur grinnikte. ‘Het gammele vehikel rijdt nog.’
Appie Keizer wuifde geïrriteerd.
‘Geen gezeur… het verhaal.’
De Cock leunde in zijn fauteuil achterover.
‘Het begint bij Fredericus Gerardus van der Graft.’
Appie Keizer grinnikte.
‘Wie is dat?’
‘De grootvader van de man die meende dat vier mannen niet meer het recht hadden om te leven.’
Vledder fronste zijn wenkbrauwen.
‘Vier?’
De Cock knikte.
‘Alle leden van het vierspan.’
Appie Keizer appelleerde opnieuw.
‘Terug naar Fredericus Gerardus van der Graft.’
De Cock knikte.
‘De grootvader van Cornelis was een avontuurlijke vent. Nadat hij enige jaren matroos op de wilde vaart was, belandde hij in Egypte en sloot zich in het begin van de jaren twintig aan bij de groep mannen die de archeologen Lord Carnarvon en Howard Carter behulpzaam waren bij het vinden van het graf van Toetanchamon in het Dal der Koningen op de westelijke Nijloever.
Toen dat graf werd gevonden, raakte iedereen gebiologeerd door de mummie met zijn gouden portretmasker, de gouden doodkist waarin hij lag, ingelegd met halfedelstenen, faience[7] en gekleurd glas. Ieders belangstelling ging uit naar de ware kunstschatten in de grafgewelven.
Zo niet Fredericus Gerardus van der Graft. Hij vond overal van die kleine onooglijke beeldjes, waarvoor niemand enige interesse had.’
De ogen van Vledder lichtten op.
‘Oesjebti’s.’
De Cock knikte. Hij gebaarde naar Appie Keizer, Fred Prins en Jan Rozenbrand.
‘Ik leg jullie later wel uit wat dat voor beeldjes zijn.’
Hij nam een slok van zijn cognac.
‘Hoe Fredericus Gerardus van der Graft kans heeft gezien om een kist vol van deze oesjebti’s naar Nederland te smokkelen, zal wel altijd een raadsel blijven. Vermoedelijk is hij daarbij geholpen door matrozen van de wilde vaart, die hij van vroeger kende.’
De Cock zweeg even.
‘De prelude.’
Appie Keizer keek hem niet-begrijpend aan.
‘Prelude?’
De Cock knikte.
‘Het voorspel van hetgeen later volgde. De kist met oesjebti’s verdween naar de stoffige zolder van zijn huis in Culemborg. Fredericus Gerardus van der Graft kwam tijdens een pleziertocht over de Zuiderzee om het leven. Hij viel op onverklaarbare wijze overboord en verdronk.’
Vledder slikte.
‘De vloek.’
De Cock reageerde niet.
‘De kist met de onooglijke oesjebti’s, inmiddels gestegen tot een onschatbare waarde, werd tientallen jaren later min of meer bij toeval gevonden door zijn kleinzoon Cornelis van der Graft, die het huis in Culemborg van zijn grootvader had geërfd. De jongeman kende de waarde van zijn vondst niet. Hij maakte een van de beeldjes schoon, reisde ermee naar Amsterdam en liet het zien aan de antiquair Arthur van Wateringen.’
Fred Prins knikte.
‘En die zag wel de waarde van het beeldje in.’
De Cock zuchtte.
‘Arthur van Wateringen speelde het spelletje dat hij en zijn vierspan al jaren speelden. Hij stuurde Van der Graft met het beeldje naar Adriaan Goederijke en die verwees hem naar de Egyptische expert Eduard Harfsen, die op zijn beurt Louis Bovenkerk inschakelde. En allen, ingelicht door Arthur van Wateringen, verklaarden glashard dat het beeldje geen enkele waarde vertegenwoordigde en dat dus de hele kist met oesjebti’s, die hij op de zolder van zijn oude grootvader had gevonden, waardeloos was. Uiteindelijk toonde Arthur van Wateringen zich bereid om de kist met stoffige oesjebti’s voor een luttel bedrag van Van der Graft te kopen.’ Appie Keizer snoof.
‘Schoften.’
De Cock knikte.
‘Maar dat wist Cornelis van der Graft niet. Dat ontdekte hij later.’
‘Hoe?’
‘De jongeman kreeg door zijn kortstondige connectie met genoemde antiquairs interesse voor antiek, bekwaamde zich daarin en werd veilingmeester bij veilinghuis De Hoop aan het Karthuizersplantsoen.
Langzaam drong bij Cornelis van der Graft het besef door dat het vierspan hem op een verschrikkelijke manier om de tuin had geleid en benadeeld… dat de rijkdom waarmee ze zich omgaven… grotendeels afkomstig was van de schat op de zolder van zijn verongelukte grootvader in Culemborg.’
Fred Prins boog zich naar voren.
‘Hij zon op wraak?’
‘Niet direct. Hij wachtte op zijn kans. Als veilingmeester van De Hoop kwam Cornelis van der Graft regelmatig in contact met genoemde antiquairs.’
‘Werd hij niet herkend?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Van der Graft was jaren ouder geworden en van gedaante veranderd. Ze hebben nooit beseft dat hij de vroegere verkoper van de oesjebti’s was. Cornelis van der Graft bemerkte dat het vierspan nog steeds schaamteloos profiteerde van de onkunde van de mensen die antiek ter verkoop aanboden.’
Fred Prins gebaarde om aandacht.
‘Wanneer kwam zijn kans?’
‘Toen een jonge vrouw een bronzen sarcofaag erfde en die het veilinghuis De Hoop aanbood om het stuk voor haar te verkopen.’
Fred Prins trok zijn neus op.
‘Dat snap ik niet.’
De Cock glimlachte.
‘Het was een waardevol stuk. Cornelis van der Graft zag daarin mogelijkheden om de antiquairs met hun eigen hebzucht te confronteren.’
Vledder keek hem verwonderd aan.
‘Hij dacht niet aan moord?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Die gedachte kwam pas bij hem op toen hij van zijn doktoren vernam dat hij door zijn ziekte niet lang meer te leven had.’
‘Een straffeloze moord.’
De Cock knikte.
‘We hebben een dergelijk motief,’ sprak hij plechtig, ‘al eerder behandeld.’[8]
De oude rechercheur zweeg even. De lange uiteenzetting had hem iets vermoeid.
‘Door zijn veelvuldige bezoeken aan de zaak van Van Wateringen,’ ging hij verder, ‘kende Van der Graft het interieur. Tevens had hij kans gezien om een wasafdruk van de sleutel van de toegangsdeur te maken. Met een nagemaakte sleutel ging hij op een avond naar de Oude Vensterstraat, nam de bronzen sarcofaag weg en legde die in zijn auto. Daarna lokte hij Van Wateringen naar zijn winkel met de mededeling dat hij belangstelling voor de sarcofaag had.
Toen Arthur van Wateringen was gekomen, meldde Van der Graft zich als de man die hem had gebeld.
Arthur van Wateringen wilde de sarcofaag aan Van der Graft tonen en kwam toen tot de ontdekking dat het kunstvoorwerp uit zijn kelder was verdwenen en meldde de vermissing telefonisch aan Elisa van Oldekerke.’
Vledder keek hem vragend aan.
‘Van der Graft was toen nog in de zaak?’
De Cock knikte.
‘Hij stelde Arthur van Wateringen voor om nog eens goed in de kelder te gaan kijken of de sarcofaag werkelijk was verdwenen.’
‘Toen stak hij hem neer?’
De Cock zuchtte diep.
‘Na zijn daad pakte hij een paar oesjebti’s uit de kist in de kelder, zette een ervan bij het lijk van Van Wateringen en verdween… nadat hij eerst Helen van Haaksbergen had gebeld dat er een ambulancewagen voor de deur van de winkel stond.’ Vledder fronste zijn wenkbrauwen.
‘Waarom?’
‘Om ons op een dwaalspoor te brengen. Hij had gehoopt dat wij haar bij het lijk van Van Wateringen zouden aantreffen en daaruit zouden opmaken dat zij haar man had vermoord. Ze had een redelijk motief.’
Vledder zuchtte.
‘En Adriaan Goederijke?’
De Cock spreidde zijn handen.
‘Simpel. Hij belde hem op en zei dat hij de bronzen sarcofaag die bij Arthur van Wateringen was gestolen, te koop had. Op de voorwaarde dat hij anoniem bleef en dat er geen vragen zouden worden gesteld, kon Goederijke de sarcofaag voor een zacht prijsje van hem krijgen.’
Vledder grijnsde.
‘Goederijke ging akkoord.’
De Cock knikte.
‘Van der Graft werd bij zijn daad bijna overlopen door David van Wateringen, maar hield zich een etage hoger schuil.’ Vledder snoof.
‘Zodat hij later een oesjebti als symbool bij het lijk van Goederijke kon zetten.’
‘Precies.’
‘De derde, Eduard Harfsen, ontliep de dood door op tijd op vakantie te gaan.’
De Cock knikte.
‘Hoe het met Louis Bovenkerk afliep, hebben jullie zelf kunnen ervaren. Ik zocht hem op en zei hem op een telefonisch aanbod van de moordenaar in te gaan. Als ontmoetingspunt koos ik de dijk bij het kasteel Radboud in Medemblik. Ik dacht dat ik vandaar met jullie hulp de zaak wel onder controle kon houden.’
De oude rechercheur wreef met de rug van zijn hand langs zijn drooggeworden lippen.
‘Ik heb er geen moment aan gedacht dat Cornelis van der Graft op een motor zou komen.’
Vledder boog zich naar voren.
‘Hoe wist je dat het Cornelis van der Graft was?’
De Cock trok zijn schouders op.
‘Niet zo moeilijk… de telefoontjes. De experts, zoals jij weet, zeiden dat de stem van de tap en de stem op het bandje uit het antwoordapparaat van Eduard Harfsen identiek waren. Helen van Haaksbergen herkende beide stemmen als die van de man die haar op de avond van de moord op haar echtgenoot belde.’
‘Het kon toch nog een andere man zijn?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Buiten de antiquairs van het vierspan was Cornelis van der Graft de enige man die alles van de bronzen sarcofaag wist. Daarom was ik er zo op gebrand om te weten of de gebruikte stem als die van een man kon worden herkend. Bovendien had Van der Graft een emotionele relatie tot oesjebti’s. Dat gold niet voor de zonen van Van Wateringen.’
De Cock zakte in zijn fauteuil terug. De oude rechercheur was blij dat zijn relaas ten einde was. Hij schonk nog eens in en liet de cognac langs zijn dorstige keel glijden.
Niemand vroeg meer wat. Mevrouw De Cock stond op, liep naar de keuken en kwam terug met schalen vol lekkernijen. Langzaam gleden de vermoorde antiquairs uit hun gedachten. De gesprekken werden algemener en geanimeerder. Het was al vrij laat toen de jonge rechercheurs en Jan Rozenbrand door de cognac wat luidruchtig afscheid namen. Toen ze met veel armgezwaai waren vertrokken, schoof mevrouw De Cock een poef bij en ging pal voor haar man zitten.
‘Hoe voel je je?’
‘Wat vermoeid.’
‘Ik heb de hele avond op een vraag zitten wachten.’ De Cock glimlachte.
‘Welke?’
‘Waar is de bronzen sarcofaag gebleven?’
De Cock trok zijn schouders op.
‘Dat weet ik niet.’
Mevrouw De Cock keek hem wantrouwend aan.
‘Echt niet?’
De oude rechercheur gleed met zijn vlakke hand langs zijn breed gezicht.
‘Ik heb Cornelis van der Graft er niet naar gevraagd en ik zal dat zolang hij leeft ook niet doen.’
‘Is dat niet belangrijk?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Voor mij niet.’
‘Voor wie wel?’
De oude rechercheur weifelde even.
‘Voor een knappe jonge vrouw die tijdens een intiem moment een zoen op mijn wang drukte.’
Mevrouw De Cock glimlachte.
‘Deed ze dat?’
De oude rechercheur knikte traag.
‘Elisa van Oldekerke is mooi, lief, arm en wil haar eigendom niet terug. Ik denk dat het mij wel lukt om Cornelis van der Graft te bewegen het geheim van de sarcofaag mee in zijn graf te nemen.’