Vledder startte de motor, deed de ruitenwissers aan en ranselde de oude Golf vanaf de steiger en de Oudebrugsteeg rechts het Damrak op. Het was donker. Felkleurige lichtreclames weerspiegelden grillig in het natte asfalt. De jonge rechercheur had geen oog voor het kleurenspel. Met een verbeten trek op zijn gezicht staarde hij door de voorruit en nam bij de kruising naar de Prins Hendrikkade zoveel risico’s, dat hij op een haar na een taxi in de flank raakte.
De Cock keek hem van terzijde aan.
‘Dood is dood,’ sprak hij sussend. ‘En dood is onomkeerbaar. Die paar minuten die jij denkt te winnen, dienen geen enkel nut.’ Vledder kneep zijn lippen op elkaar.
‘Misschien is de moordenaar er nog.’
De Cock lachte. ‘Die zit niet op ons te wachten.’
Vledder minderde vaart.
‘Weet jij waar het is?’
De Cock knikte.
‘Ik heb dat kraakpand gezien. Het is pal bij die sportschool waar ik vanmiddag op bezoek was.’
Vledder fronste zijn wenkbrauwen.
‘Waar… eh, waar David van Wateringen en Iwan Terborch elkaar regelmatig treffen?’
‘Precies.’
‘Toeval?’
De Cock antwoordde niet. Om de hypnotiserende kracht van de zwiepende ruitenwissers te ontgaan, liet hij zich ver onderuitzakken en schoof de rand van zijn hoedje tot op de rug van zijn neus. Na een poosje drukte hij zich omhoog en blikte verwonderd om zich heen.
‘Hoe ga je naar de Marnixstraat?’ vroeg hij verbaasd. ‘Via Tietjerksteradeel en Zierikzee? Je had beter de Raadhuisstraat en de Rozengracht kunnen nemen. Dit rijdt om.’
Vledder bromde.
‘Ik dacht aan Westerdoksdijk, Van Diemenstraat, Houtmankade, Haarlemmerplein.’
De Cock grinnikte. ‘Mijl op zeven.’
Toen ze langs de Haarlemmerpoort de Marnixstraat opreden, troffen ze rechts, nabij de Rotterdammerbrug een politiewagen met zwaailicht. Vledder bracht de Golf er pal achter tot stilstand. De rechercheurs stapten uit. Vanaf de politiewagen liep een jonge diender op De Cock toe, tikte ter begroeting met de wijsvinger van zijn rechterhand aan de klep van zijn pet en wees langs de gevel omhoog.
‘Mijn collega Jan Rozenbrand is boven bij het lijk. Het is op de eerste verdieping links. Ik heb de meute al voor u gewaarschuwd.’ De Cock knikte goedkeurend. Hij keek naar een man die op de achterbank van de politiewagen zat.
‘Wie is dat?’
De politieman duimde over zijn schouder.
‘De junk die het lijk heeft ontdekt. Ik heb hem zolang op de achterbank gezet. Dan kunt u straks nog even met hem praten.’
‘Heb je hem gefouilleerd… is hij geboeid?’
De diender keek hem verrast aan.
‘Moet dat? Die junk is toch nog geen verdachte? Hij heeft zelfs de moeite genomen om ons via een café op het Haarlemmerplein te waarschuwen.’
De Cock schudde afkeurend zijn hoofd.
‘Wees altijd voorzichtig. Als zo’n junk wat bij zich heeft wat hij kwijt wil, dan verstopt hij het tussen de kussens van jouw wagen. Bewijs jij dan later maar eens dat het van hem is.’
‘Daar heb ik niet aan gedacht.’
De Cock negeerde de opmerking. Hij gebaarde in de richting van de politiewagen.
‘En als straks,’ ging hij vermanend verder, ‘via de mobilofoon een oproep komt en jij gaat op de voorbank zitten om te antwoorden, duwt hij misschien… om wat voor reden dan ook… een mes in je rug en hebben jouw kinderen geen vader meer.’ De Cock draaide zich om, pakte zijn zaklantaarn en ging het kraakpand binnen.
Vledder volgde.
De jonge diender keek beiden beteuterd na.
Het was aardedonker in het kraakpand. Vanuit ramen zonder glas drong slechts weinig licht naar binnen. Tevergeefs zocht de rechterhand van De Cock op de trap naar leuningen. Die waren er niet. Voorzichtig, de treden belicht door zijn zaklantaarn, ging de oude rechercheur verder de trap op.
Boven, op het portaal van de eerste verdieping, wachtte de ervaren Jan Rozenbrand. Hij reikte hem helpend de hand en begroette de oude rechercheur hartelijk.
‘Ik ben blij dat jij dienst hebt.’
‘Waarom?’
Jan Rozenbrand grinnikte.
‘Er zijn rechercheurs met kapsones.’ De diender wees voor zich uit. ‘Het is een beetje vreemd,’ ging hij zonder enige uitleg verder. ‘Die dooie vent hoort hier helemaal niet thuis.’
De Cock keek naar hem op.
‘Hoe bedoel je?’
‘Een keurige heer in een onberispelijk driedelig grijsflanellen kostuum is toch wel het laatste wat je hier in zo’n goor kraakpand zou verwachten.’
De diender ging de rechercheurs voor naar een klein vertrek links van het portaal. Het stonk er naar menselijke uitwerpselen en opgedroogde urine. In de duistere hoeken van het kamertje lagen bergen vodden als slaapplaats. Jan Rozenbrand liet het licht van zijn zaklantaarn over de dode man glijden. Hij lag op zijn buik, zijn benen iets uit elkaar, zijn beide armen naar voren gestrekt, eindigend in licht geklauwde handen. Het heft van een stiletto stak uit zijn rug omhoog.
Jan Rozenbrand boog zich iets voorover.
‘Kijk, zijn broekzakken zijn binnenstebuiten gekeerd. Iemand heeft het lijk doorzocht.’
De Cock knikte instemmend. Hij liet het licht van zijn eigen zaklantaarn rond om het lijk dwalen. Rechts, ongeveer een halve meter vanaf de kruin van het slachtoffer stond een klein gekleurd beeldje met gekruiste armen. De oude rechercheur hield het in het licht van zijn zaklantaarn gevangen. Hij draaide zich half om naar Vledder.
‘Een oesjebti,’ lispelde hij zacht, ‘een heuse oesjebti.’
‘Weet je dat zeker?’
De Cock knikte nadrukkelijk.
‘Absoluut. Ik kan mij niet vergissen. Ik heb er gisteravond afbeeldingen van gezien in mijn encyclopedie.’
Vledder ademde diep.
‘Wie heeft dat beeldje hier neergezet?’ vroeg hij gesmoord. ‘De moordenaar?’
De Cock antwoordde niet. Hij hurkte bij de dode neer. Het gezicht van de man steunde op zijn neus en voorhoofd. De oude rechercheur hield de rug van zijn hand tegen de linkerwang. Daarna schoof hij het gelaat van de dode man naar het licht van de zaklantaarn van Jan Rozenbrand.
Vledder hijgde in zijn nek.
‘Ad r iaa n Goeder ijke.’
De Cock knikte.
‘Al enkele uren zo dood als een pier.’
Ben Kreuger kwam het donkere kamertje binnen. Een aluminium koffertje bungelde aan zijn rechterarm. De dactyloscoop trok zijn neus op en snoof.
‘Het stinkt hier.’
De Cock glimlachte.
‘Jouw reukorgaan werkt nog perfect.’
‘Heeft hier iemand zitten schijten?’
‘In een kraakpand werken de wc’s niet,’ sprak De Cock. ‘En ook junks moeten wel eens uit de broek.’
Ben Kreuger blikte om zich heen.
‘Er is hier voor mij niets te kwasten,’ stelde hij knorrig vast. ‘Alles vuil en vet, geen greepje, geen vingerafdruk te vinden. Weet je al wie hij is?’
De Cock knikte.
‘Adriaan Goederijke. Een antiquair.’
‘Heb je vingers van hem nodig?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Nu niet. Doe het morgen maar in het sectielokaal op Westgaarde. Voor alle zekerheid. Er wordt nog wel eens met identiteit geknoeid.’
‘Het komt in orde.’
De oude rechercheur weifelde even.
‘Waar is de fotograaf?’
Ben Kreuger liep het kamertje uit.
‘Die komt zo,’ riep hij omkijkend. ‘Hij had ergens nog een klusje.’
De Cock wuifde tot afscheid.
Kort daarna verscheen dokter Den Koninghe ter plekke. Achter hem doemden twee levensgrote broeders van de Geneeskundige Dienst met hun brancard op. De kleine lijkschouwer werkte de schouw op zijn gebruikelijke manier af. Kalm, professioneel. ‘Hij is dood,’ stelde hij vast.
De Cock knikte.
‘Ik denk al enkele uren.’
Dokter Den Koninghe duwde zijn pochet wat verder terug in de borstzak van zijn jacquet.
‘Volgens mij heb jij geen lijkschouwer meer nodig.’ De Cock knipoogde.
‘Ik zou je missen.’
Voordat dokter Den Koninghe het vertrek verliet, keek de kleine lijkschouwer nog even naar hem op.
‘Het wordt tijd,’ sprak hij grijnzend, ‘dat je die tennisspeler pakt voor hij zijn sterke arm met een stiletto opnieuw gebruikt.’ De Cock hoorde de aanmaning gelaten aan en knikte. ‘Ik doe mijn best,’ reageerde hij simpel.
Daarna sjokte hij naar de beide broeders van de Geneeskundige Dienst en verzocht hen vriendelijk om nog even met hun brancard te wachten.
Bram van Wielingen kwam bijna een halfuur te laat. De fotograaf verontschuldigde zich in alle toonaarden. Gehaast pakte hij zijn Hasselblad en flitste in het dode gezicht. Plotseling liet hij zijn camera zakken.
‘Alweer zo’n beeldje.’
De Cock keek hem verrast aan.
‘A lweer?’
Bram van Wielingen knikte.
‘Bij het lijk in de Oude Vensterstraat stond ook zo’n beeldje.’ De Cock trok rimpels in zijn voorhoofd.
‘Exact hetzelfde?’
‘Absoluut.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Heb ik niet gezien,’ reageerde hij onthutst.
‘Het was niet zo nadrukkelijk aanwezig als nu. Ik ontdekte het beeldje toen ik op het hoofdbureau na het ontwikkelen de foto’s uitvergrootte. Het stond pal bij het lijk, maar in die smalle kelder dicht tegen de schappen bij een reeks andere antieke voorwerpen. Daardoor viel het niet zo op.’
De Cock maakte een verontschuldigend gebaar.
‘Ik heb de foto’s van de Oude Vensterstraat nog niet zo goed bekeken.’
‘Zou ik maar eens doen.’
De Cock schudde ontdaan zijn hoofd.
‘Ik begrijp niet dat het mij is ontgaan. Het zijn oesjebti’s. Farao’s en andere vooraanstaande lieden in het oude Egypte kregen die beeldjes mee in hun graf om werk voor hen te doen.’
‘Werk?’
De Cock knikte.
‘Werkzaamheden die de goden, meestal de god Osiris, van de gestorvenen verlangden. Op magische wijze gaven de doden die opdrachten aan de oesjebti’s door.’
Bram van Wielingen gebaarde naar de dode man op de vloer.
‘Had hij in het hiernamaals ook zo’n… eh, zo’n oesjebti nodig?’ De Cock trok zijn gezicht strak.
‘Misschien dacht de moordenaar dat hij zo’n hulpje na de dood wel kon gebruiken.’
Bram van Wielingen werkte dit keer uiterst zorgvuldig. Hij fotografeerde elk detail van het kamertje en het slachtoffer. Het leek alsof hij ten opzichte van De Cock iets had goed te maken. De oude rechercheur onderdrukte zijn verwondering en Bram van Wielingen gaf geen uitleg.
Toen hij eindelijk met zijn koffertje met camera’s was vertrokken, wenkte De Cock de broeders van de Geneeskundige Dienst naderbij. Ze legden het slachtoffer met zijn buik op de brancard en drapeerden een laken om hem heen. Het uitstekende heft van de stiletto op zijn rug vormde een tentje. Ze sjorden niet alle canvasflappen van de brancard vast, zodat het tentje bleef. Zacht wiegend droegen de broeders het slachtoffer over de trap naar de straat en schoven de brancard in de ambulancewagen. Ze klapten de deuren dicht en reden weg.
Met gemengde gevoelens keek De Cock de wagen na tot het rode achterlicht in de avondnevel oploste.
Wat bruusk draaide de oude rechercheur zich om. Met Jan Rozenbrand en Vledder in zijn kielzog sjokte hij naar de politiewagen.
‘Haal die vent eruit,’ verzocht hij bits.
De jonge diender haastte zich om aan zijn verzoek te voldoen. De junk bleek een lange slungelachtige jongen met holle, fletse ogen en vlashaartjes op een bleek gezicht. Hij droeg een goor, vervuild spijkerpak met doorgesleten knieën. Naar het gevoel van De Cock was hij nog geen twintig jaar oud.
De oude rechercheur keek hem onderzoekend aan.
‘Verslaafd?’ vroeg hij strak.
De jongeman knikte.
‘Wat?’
‘Heroïne, coke… en verder alles wat ik maar krijgen kan.’
‘Hoe lang al?’
‘Jaren. Vanaf de havo.’
‘Hoe heet je?’
‘Marijn… Marijn van Slooten.’
‘Heb je een strafblad?’
‘Ja.’
‘Lang?’
Er gleed een lichte grijns over het magere gezicht van Marijn van Slooten.
‘Nogal.’
De Cock zuchtte diep.
‘Ik arresteer je voor moord, casu quo diefstal.’
De jongeman keek hem verbijsterd aan. Zijn gezicht verstarde.
‘Moord?’
De Cock knikte gelaten. ‘Moord.’
Marijn van Slooten schudde zijn hoofd.
‘Ik heb hem niet vermoord.’ Hij gilde. ‘Ik heb hem niet vermoord. Ik niet.’
Zijn hoge stem snerpte door de straat.
De Cock keek hem onbewogen aan.
‘Ik ben van dat gegil van jou niet onder de indruk,’ sprak hij kalm. Hij strekte zijn rechterhand open naar hem uit. ‘Ik wil de spulletjes die je uit zijn zakken hebt gehaald…’ Marijn van Slooten scheen even in twijfel. Daarna draaide hij zijn gezicht naar de politiewagen.
‘Tussen de kussens.’
De jonge diender dook naar de achterbank en kwam terug met een portefeuille, een portemonnee en een notitie.
De Cock nam ze over en hield ze voor het gezicht van de junk omhoog.
‘Waarom?’
Over het gezicht van Marijn van Slooten gleed een grijns. Aarzelend ging z’n rechterarm omhoog naar de gevel van het kraakpand.
‘Hij… eh, hij had het niet meer nodig.’
‘Wat stond er op die notitie?’
De Cock trok een lade van zijn bureau open en nam daaruit een verkreukeld blocnotevelletje.
‘Kraakpand Marnixstraat,’ las hij hardop, ‘bij de Rotterdammerbrug.’
‘Handschrift van Adriaan Goederijke?’
De Cock knikte traag.
‘Dat neem ik aan. We moeten dat uiteraard nog even verifiëren.’ Vledder zuchtte.
‘Iemand heeft hem naar dat kraakpand gelokt.’
De Cock gromde.
‘En het lokaas was zo aanlokkelijk,’ reageerde hij somber, ‘dat Adriaan Goederijke heeft gemeend aan de lokroep gehoor te moeten geven.’
Vledder zuchtte opnieuw.
‘De vraag is: wat was het lokaas en van wie was de lokroep?’
‘Precies.’
Vledder gebaarde naar de vloer.
‘Je hebt Marijn van Slooten beneden aan de balie voor moord laten insluiten.’
‘Moord en diefstal.’
‘Denk je werkelijk dat die Marijn van Slooten antiquair Goederijke heeft vermoord?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Die jongen zou met zijn slappe lijf nog geen mes in een pakje boter kunnen duwen. Maar die diefstal is natuurlijk wezenlijk. Hij heeft de zakken van die dode man leeggeroofd. Ik heb de aanklacht moord laten staan, om hem voorlopig onder druk te houden. Misschien heeft hij meer gezien dan hij ons tot nu heeft willen vertellen.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Die jongen leeft in dat kraakpand. Het is heel goed mogelijk dat hij getuige is geweest van die moord. Misschien heeft hij de antiquair zien komen, opgewacht door zijn moordenaar.’ Vledder keek hem verrast aan.
‘Dat had hij ons toch kunnen vertellen?’
De Cock grijnsde.
‘Misschien komt hem dat niet zo goed uit.’
‘Hoezo?’
‘Als Marijn van Slooten inderdaad getuige is geweest van de moord en de moordenaar kent, dan heeft hij een fraai object voor chantage. Dat voordeeltje vervalt als hij ons de waarheid vertelt.’ Vledder keek zijn oude collega aan. In zijn ogen glansde de twijfel.
‘Zou Marijn van Slooten in staat zijn om zo geraffineerd te denken?’
De Cock knikte.
‘Als het op scoren aankomt, zijn junks vaak zeer inventief. Ik heb daar in het verleden wel staaltjes van meegemaakt.’ De telefoon op het bureau van De Cock rinkelde. Vledder reikte naar voren en pakte de hoorn op. Hij luisterde even en hield toen zijn hand voor het spreekgedeelte.
‘Jan Kusters beneden. Marijn van Slooten heeft in zijn cel aan de wachtcommandant te kennen gegeven met je te willen praten.’ De Cock gebaarde voor zich uit.
‘Ga hem maar halen.’
Marijn van Slooten schoof onrustig op zijn stoel heen en weer. Zijn gezicht zag wasbleek en zweetdruppels parelden op zijn voorhoofd.
‘Ik wil een dokter.’
De Cock keek hem strak aan.
‘Je wilde met mij praten.’
Marijn van Slooten knikte.
‘Ik heb die vent niet vermoord.’
De Cock glimlachte.
‘Dat heb ik al van je gehoord.’
‘Hij was al dood toen ik hem vond. U denkt toch niet dat ik in een café de politie laat waarschuwen als ik er zelf iets mee te maken heb.’
De Cock trok zijn schouders op.
‘Ik ken jouw beweegredenen niet,’ reageerde hij kalm. ‘Voor mij ben jij de enige verdachte. Jij leeft in dat kraakpand en in dat kraakpand is een vent vermoord.’
‘Niet door mij.’
De Cock liet demonstratief zijn hoofd zakken.
‘Zing eens een ander liedje,’ verzuchtte hij.
Marijn likte aan zijn droge lippen.
‘Mis… misschien,’ hakkelde hij. ‘Misschien weet ik wie het gedaan heeft.’
De Cock hield zijn hoofd iets scheef.
‘Ik heb een gewillig oor.’
Marijn zuchtte diep.
‘Toen ik om acht uur het pand binnenging voor een shot, kwam er net een vent de trap af.’
‘Wat voor een vent?’
Marijn draaide zijn hoofd weg.
De Cock pakte hem aan zijn schouders vast.
‘Wat voor een vent?’ brulde hij.
Marijn veegde met zijn vlakke hand het zweet van zijn gezicht.
‘David… David van Wateringen. Ik ken hem van de sportschool.’