12

De Cock raapte zijn hoedje van het tapijt, stond op en schuifelde het vertrek uit.

Vledder volgde. Bij de deur bleef de oude rechercheur staan en draaide zich om.

‘Welk einde verwacht u?’

Elisa van Oldekerke kwam traag uit haar rotan fauteuil overeind.

‘Kunt u in de toekomst blikken?’ vroeg ze uitdagend. De Cock schoof zijn onderlip vooruit.

‘Gelukkig niet.’

Elisa van Oldekerke schudde haar hoofd.

‘Ik evenmin.’ Ze tikte met de toppen van haar vingers een paar maal op haar borst. ‘Maar in mijn hart bonst een waarschuwing.’

De Cock keek haar vragend aan.

‘Voor wie… voor wat?’

‘Voor onheil. Onheil over mensen in onze omgeving.’ Bevallig, op haar blote voeten, schreed Elisa van Oldekerke in haar adembenemend negligé op De Cock toe en drukte hem tot afscheid een kus op zijn rechterwang.

‘Wees lief,’ sprak ze beminnelijk, ‘en zorg ervoor dat ik die sarcofaag nooit terugkrijg.’

De Cock voelde de tedere kus op zijn wang gloeien, maar behield zijn achterdocht.

‘In ruil voor ruim twee miljoen?’

Ongewild klonk zijn stem harder dan hij bedoelde.

Elisa van Oldekerke schudde haar hoofd. Haar gezicht zag bleek, haar neusvleugels trilden en in haar helgroene ogen spiegelde een zee van angst en vertwijfeling.

‘In ruil voor mijn zielenrust,’ antwoordde ze zacht. ‘Geld heeft voor een dode geen waarde meer.’

‘Heel realistisch.’

Elisa van Oldekerke knikte.

‘Houd die sarcofaag ver van mij. Ik wil geen derde slachtoffer zijn.’


Ze liepen vanaf de Herenmarkt langs het West-Indisch Huis naar de Haarlemmerstraat en verder over de sluis naar de Stromarkt. Het regende. Boven de oude binnenstad hing loom en traag een dikke vuile grauwe mist als een moltondeken, die elk glimpje zonlicht uit de straten hield. De oude geveltjes aan de Haarlemmerstraat huilden verdrietig en in de verte lag het Centraal Station gehuld in nevelige sluiers.

De Cock trok de kraag van zijn regenjas omhoog en schoof zijn hoedje ver naar voren. Met zijn tong likte hij een vette regendruppel van zijn neus.

Vledder keek hem van terzijde aan.

‘Ze kuste jou.’

De Cock glimlachte.

‘Jaloers?’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Het was een judaskus,’ foeterde hij. ‘Voor ruim twee miljoen kus ik de snuit van een varken.’

De Cock bleef in de regen staan. In zijn markant gelaat trilden alleen de mondhoeken.

‘Ik vind de vergelijking niet zo vleiend,’ sprak hij vriendelijk. Vledder ademde diep.

‘Ik bedoel dat niet beledigend. Jij bent best een aantrekkelijke oude vent.’

De Cock grinnikte.

‘Ook dat klinkt niet erg complimenteus.’

Vledder hield stil.

‘Laat je niet inpalmen. Dat bedoel ik. Elisa van Oldekerke is geraffineerder dan je denkt.’

De Cock liep door.

‘Ik ben nog nooit voor een kus bezweken,’ mopperde hij grimmig. ‘Elisa van Oldekerke is bang voor die vloek. Ze is ervan overtuigd dat zowel Arthur van Wateringen als Adriaan Goederijke als gevolg van die vloek zijn vermoord.’

Vledder liep De Cock achterna en klemde zijn lippen op elkaar. ‘Elisa van Oldekerke leidt ons bewust om de tuin of ze ziet spoken.’

Nu bleef De Cock staan.

‘Jouw houding ten opzichte van Elisa van Oldekerke is na die kus op mijn wang wel veranderd,’ stelde hij olijk vast. ‘Toen ik een paar dagen geleden opperde dat Elisa van Oldekerke wel eens belang kon hebben bij het verdwijnen van haar sarcofaag, noemde jij mij een denkende automaat… een man met een ziekelijke geest.’

Vledder wuifde zijn opmerking weg.

‘Haar verhaal klopt niet,’ zei hij geëmotioneerd. ‘De vloek zou betrekking hebben op mensen die rechtmatig of onrechtmatig in het bezit van de bronzen sarcofaag zijn of waren. Dat slaat niet op Adriaan Goederijke. Arthur van Wateringen heeft hem de sarcofaag laten zien… om advies. Meer niet. Adriaan Goederijke is nooit, noch rechtmatig noch onrechtmatig, in het bezit van de sarcofaag geweest.’

De Cock liep weer door.

‘Elisa van Oldekerke was in het bezit van de bronzen sarcofaag… het voorwerp is nog steeds haar eigendom… en als zij in de vloek gelooft, dan is haar angst verklaarbaar.’

Vledder liep mokkend achter hem aan. Het feit dat De Cock hem op zijn totaal veranderde houding ten opzichte van Elisa van Oldekerke had gewezen, zat hem behoorlijk dwars.

‘Toen ik bij haar op visite was,’ meesmuilde hij, ‘was ze ook lief tegen mij.’

‘Heeft ze jou gekust?’

‘Nee.’

De oude rechercheur liet het onderwerp rusten. Een spottende opmerking hield hij voor zich. Hij wilde zijn jonge collega niet kwetsen.

Vanuit het Kattegat sjokten ze naar de Spuistraat, staken de rijbaan over en slenterden via de Korte Kolksteeg langs het Korenmetershuisje naar de Oudebrugsteeg. Voor de derde keer bleef De Cock in de steeds feller stromende regen staan.

‘Heeft de telefoontap nog iets opgeleverd?’

Vledder keek hem verward aan.

‘Telefoontap?’

De Cock knikte.

‘Na die mysterieuze telefoontjes hebben we toch een tap op de telefoon van Adriaan Goederijke gezet. Je hebt er persoonlijk over gebeld met de officier van justitie en de rechter-commissaris.’ Vledder sloeg met zijn vlakke rechterhand tegen zijn mond. ‘Ik heb helemaal niet meer aan die tap gedacht.’

De Cock keek hem bestraffend aan.

‘Dat is toch belangrijk. Adriaan Goederijke had volgens David van Wateringen geen afspraak met hem. Toch ging de antiquair naar dat gore kraakpand aan de Marnixstraat. Waarom?’ Vledder reageerde aarzelend.

‘Omdat iemand hem naar dat kraakpand had gelokt.’‘Waarmee.’

‘Een aanlokkelijk aanbod.’

‘Hoe?’

‘Middels een telefoontje.’

De Cock grijnsde.

‘En dat telefoontje staat…?’ Hij maakte zijn zin niet af. ‘Hopelijk op die tap.’

De Cock duimde over zijn schouder.

‘Ga naar het hoofdbureau. Neem desnoods een taxi. En luister die tap af.’

Vledder liep bedremmeld bij hem weg. Na een vijftig meter rende hij terug en haalde De Cock in.

‘Dat aanlokkelijk aanbod?’

‘Ja?’

‘De bronzen sarcofaag?’


Toen De Cock in de Warmoesstraat de hal van het politiebureau binnenstapte, wenkte Jan Kusters hem met een kromme vinger.

De oude rechercheur liep op hem toe.

‘Ik weet het,’ gniffelde hij, ‘jij hebt als gedreven wachtcommandant door jouw menslievend gedrag aan de Warmoesstraat de Nobelprijs voor de vrede gekregen.’

‘Barst.’

De Cock grinnikte.

‘Dus niet.’

Jan Kusters stak zijn arm omhoog.

‘Maak je borst maar nat. Buitendam heeft een zware delegatie verontruste antiquairs op bezoek. Ze verwijten hem valse voorlichting.’

De Cock trok zijn schouders op.

‘Hij moet maar zien hoe hij zich redt. Het is niet mijn schuld dat hij voorbarige uitspraken doet.’

De wachtcommandant keek om zich heen.

‘Waar heb je Vledder gelaten?’

‘Die luistert een tape af.’

Jan Kusters trok een grimas.

‘Op het hoofdbureau doen ze niets anders.’

De Cock reageerde niet.

‘Verder nog iets?’

De wachtcommandant knikte.

‘Er zit boven een vrouw op je te wachten.’

‘Een vrouw?’

Jan Kusters raadpleegde een notitie.

‘Ene Helen van Haaksbergen, weduwe van de vermoorde Arthur van Wateringen.’


De Cock liet zich op zijn stoel achter zijn bureau zakken en keek Helen van Haaksbergen van terzijde aan. De jonge vrouw droeg, losgeknoopt, een wijde zwarte regenmantel, waaronder een zwarte jersey japon, die haar slanke gestalte volkomen recht deed. Hij plooide zijn mond tot een glimlach.

‘Zwart staat u goed,’ sprak hij bewonderend.

De ogen van Helen van Haaksbergen schoten vuur.

‘Hoe moet ik dit opvatten?’ vroeg ze fel. ‘Dat ik blij moet zijn met de dood van Arthur?’

De Cock keek haar verwonderd aan.

‘Zwart staat u goed,’ herhaalde hij sussend. ‘Dat meen ik. Zonder enige bijbedoeling.’

Helen liet haar hoofd iets zakken.

‘Neem mij niet kwalijk,’ sprak ze mat. ‘Ik heb sinds de dood van Arthur zulke vervelende reacties gehad, dat ik elke opmerking wantrouw.’

‘Wat voor reacties?’

‘Daar ga ik liever niet op in.’

De Cock strekte zijn rechterarm naar haar uit.

‘Men suggereerde,’ schatte hij, ‘dat u het overlijden van uw echtgenoot niet betreurde?’

Helen keek dankbaar naar hem op.

‘Precies,’ beaamde ze. ‘Zo is het. De dood van Arthur zou mij goed uitkomen. Zijn heengaan zou mij tot een rijke en invloedrijke vrouw hebben gemaakt. Een status die ik niet verdiende. Ik kreeg anonieme ansichtkaarten toegestuurd met dezelfde opmerking die u maakte: Zwart staat u goed.’

De Cock glimlachte.

‘De negatieve interpretatie is van uzelf.’

Helen knikte.

‘Dat besef ik. Misschien ben ik wel te gevoelig.’ Ze plukte aan haar jersey japon. ‘Dit zwart zou mij tegen aantijgingen moeten beschermen.’

De Cock keek haar onderzoekend aan.

‘Bent u gekomen om uw leed te verzachten?’

Helen schudde haar hoofd.

‘Ik wil opheldering. Hoever bent u met uw onderzoek gevorderd?’ De Cock wreef met zijn vlakke hand over zijn breed gezicht. Hij vroeg zich af hoe hij zijn aanval op haar het best kon openen. ‘Laten we samen eens teruggaan,’ begon hij vriendelijk, ‘naar die tragische avond toen ik het ontzielde lichaam van uw man in de kelder van zijn winkel aan de Oude Vensterstraat ontdekte. Kort na die ontdekking kwam u ter plekke. U vertelde mij dat u was gebeld door een man aan de overkant van de straat, die u waarschuwde dat er voor de winkel een ambulancewagen stond en dat er vermoedelijk iets met uw man was gebeurd.’ De oude rechercheur zweeg even voor het effect.

‘Wij zijn op zoek geweest naar die man… huis aan huis hebben wij daar uitgekamd… maar de mysterieuze man van dat telefoontje hebben wij niet kunnen achterhalen.’

Helen keek hem verwilderd aan.

‘Dat moet,’ schreeuwde ze onbeheerst. ‘Die man was er… die man sprak van een ambulance voor de deur van onze zaak en…’ De Cock onderbrak haar.

‘Wij verkeren nu in een dilemma. Was er wel zo’n telefoontje dat u naar de winkel bracht… of wist u uit eigen ervaring wat er met uw man was gebeurd?’

Helen van Haaksbergen boog iets van hem weg.

‘Ei… eh, eigen ervaring,’ stamelde zij onthutst. ‘Ik… eh, ik begrijp u niet.’

De Cock bracht zijn handen naar voren.

‘Vermoordde u uw echtgenoot Arthur van Wateringen?’ vroeg hij emotieloos. ‘Of liet u dat in uw opdracht door een ander doen?’

De oude rechercheur lette scherp op haar reacties. Een moment was hij ervoor beducht dat Helen van Haaksbergen haar bewustzijn zou verliezen. De kleur gleed van haar gelaat, maar ze herstelde zich snel.

‘Uw beschuldigingen raken mij niet,’ antwoordde ze trillend. ‘Ik ben gewaarschuwd door een man die mij zei dat hij in de Oude Vensterstraat vanaf de overkant van de zaak belde. Dat u zo’n man niet hebt kunnen vinden, bewijst nog niet dat die man er niet was.’

De Cock hoorde haar verweer onbewogen aan.

‘Het zou,’ sprak hij kalm, ‘ter bevestiging van uw relaas beter zijn geweest als wij die man wel hadden gevonden.’ Helen zwaaide met haar armen. Haar wijde zwarte regenmantel gleed van haar ronde schouders over de leuning van haar stoel. ‘Die man was er,’ schreeuwde ze opnieuw. ‘Ik zou zijn stem uit duizenden herkennen.’

‘Hoe meldde hij zich?’

Helen aarzelde.

‘Met… eh, met mevrouw Van Wateringen?’

‘Hij heeft zijn naam niet genoemd?’

‘Nee.’

‘Bijzondere kenmerken, streek- of stadsgebonden herkenbare accenten?’

Helen zuchtte.

‘Daar heb ik niet zo op gelet. Het telefoontje bracht mij in de war. Het schokte mij. Ik ben onmiddellijk in mijn auto gesprongen en…’

De Cock onderbrak haar.

‘Kort voor zijn dood meldde uw man aan een jonge vrouw dat uit zijn magazijn haar bronzen sarcofaag met daarop een gestileerde ibis was gestolen.’

‘Dat hebt u mij verteld. Die bronzen sarcofaag had Arthur in consignatie.’

‘Zijn er bij die diefstal uit het magazijn van uw man nog andere voorwerpen ontvreemd?’

‘Zoals?’

‘Oesjebti’s… beeldjes die u zo liefdevol us-hab-ti’s noemde?’ Er gleed een glimlach over het gezicht van Helen van Haaksbergen.

‘Dat is niet na te gaan.’

De Cock reageerde verwonderd.

‘Waarom niet?’

‘Arthur had er een kist vol van.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Een kist vol?’

‘Ja.’

‘Ze zijn toch erg kostbaar?’

Helen knikte instemmend

‘Dat zijn ze. Vooral gave exemplaren. Om de prijs stabiel te houden, bracht Arthur er slechts zo nu en dan een op de markt. Bij een te groot aanbod zouden de prijzen kelderen.’‘Hoe kwam uw man aan zoveel oesjebti’s? Ze zijn toch schaars?’ Helen glimlachte.

‘Die heeft Arthur jaren geleden eens voor een habbekrats gekocht van een man die er geen benul van had dat hij met die kist ushabti’s een fortuin in zijn bezit had.’

De Cock zweeg. In zijn gedachten ging hij het verhoor van Helen nog even na.

‘U moet er wel rekening mee houden,’ sprak hij ernstig, ‘dat ik u voor de moord op uw man nog steeds als een mogelijke verdachte beschouw en dat ik mijn naspeuringen in die richting zal voortzetten.’

Over het gelaat van Helen gleed een vluchtig lachje.

‘U denkt dat ik mijn man heb vermoord?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ik denk niet dat u uw man Arthur van Wateringen hebt vermoord,’ verbeterde hij. ‘Ik sluit die mogelijkheid niet uit.’ Helen rechtte haar rug en keek hem meelijwekkend aan. ‘Wat anderen ook mogen denken of geloven, ik hield van Arthur. Ons leeftijdsverschil deed daar niets aan af. Ik hield van hem… zielsveel.’

Ze boog zich iets naar voren.

‘En zou een vrouw,’ vroeg ze liefjes, ‘haar goede, kerngezonde man, van wie zij zielsveel houdt, om zeep helpen?’

De Cock keek haar aan. Haar woorden dreunden in zijn hoofd. Het was alsof er plotseling iets in hem knapte. Haar gezicht, haar gestalte, kregen in zijn geestesoog plotseling een duivelse gedaante. De wijde zwarte regenjas op de leuning van haar stoel veranderde in een satanisch kleed.

‘U hield zielsveel van hem?’ vroeg hij grimmig.

‘Ja.’

‘En Arthur van Wateringen was een viriele man… een uitbundig minnaar, die ook al uw lichamelijke wensen bevredigde?’ In de ogen van Helen vonkte argwaan.

‘Dat was hij,’ antwoordde ze benepen.

De Cock snoof.

‘Waarom bracht u dan tijdens uw huwelijk met Arthur van Wateringen vele nachten bij uw ex-man Iwan Terborch door?’ Getergd sprong Helen overeind. ‘Heeft Evert u dat verteld?’ De Cock knikte. ‘Tot in details, en ik bewonder de geestkracht van uw verscheiden man Arthur van Wateringen dat hij u daarover nooit om opheldering vroeg.’

Helen viel op de stoel terug. Ze verborg haar gezicht in haar handen.

‘Iwan Terborch,’ snikte ze, ‘is een verschrikkelijk mens. Ik vervloek de dag dat ik hem heb leren kennen. En ik moet in een toestand van totale verstandsverbijstering hebben verkeerd toen ik met hem trouwde. Ik heb u verteld dat hij ettelijke malen heeft gedreigd om Arthur van Wateringen te vermoorden. Het was mijn angst dat hij dat werkelijk zou doen. Ik heb hem gebeden en gesmeekt om mij en Arthur met rust te laten. Dat wilde hij niet… tenzij ik met hem een pact sloot.’

De Cock trok een vies gezicht.

‘Een pact?’

Helen knikte.

‘Hij zou ons met rust laten als ik eenmaal per maand een nacht met hem doorbracht.’

De Cock staarde haar verbijsterd aan.

‘En daar ging u op in?’

Helen kruiste haar armen op het blad van het bureau en liet haar hoofd daarop zakken.

‘Ik kon niet anders.’

Загрузка...