De Cock staarde de jongeman secondenlang aan.
‘Helen van Haaksbergen,’ stelde hij peinzend, ‘heeft ondanks de echtscheiding haar relatie met Iwan Terborch nooit verbroken?’ Evert maakte een verontschuldigend gebaar.
‘Dat… eh, dat weet ik niet,’ antwoordde hij voorzichtig. ‘Het is heel goed mogelijk dat er tijdelijk een verwijdering tussen haar en Terborch is geweest en dat er later een verzoening heeft plaatsgevonden.’
‘Een verzoening… plaatsgevonden tijdens haar huwelijk met jouw vader?’
‘Dat vermoed ik.’
De Cock plukte nadenkend aan het puntje van zijn neus.
‘U zei dat u geen bedenkingen had tegen het huwelijk van uw vader met de jonge Helen van Haaksbergen… als hij daar zijn geluk in vond… maar dat u het tot uw plicht rekende om dat geluk te bewaren.’
Evert knikte.
‘Dat is juist.’
‘Bent u onmiddellijk na de eerste huwelijksdag begonnen om haar gangen na te gaan?’
Evert schudde zijn hoofd.
‘Pas later.’
‘Eigen initiatief?’
‘Zolang vader niets te klagen had… zich gelukkig toonde… heb ik geen initiatieven ontplooid. Dat moet u toch begrijpen? Ik ben er nooit op uit geweest om zijn geluk met haar te verstoren. Integendeel.’
De Cock boog zich iets naar hem toe.
‘Vader kreeg iets te klagen?’
Evert liet zijn hoofd zakken.
‘Ik denk dat haar ontrouw toen al een tijdje gaande was. Vader was geen kwaaddenkende man. Hij had moeder ook altijd blindelings vertrouwd. Toen hij zijn beklag bij mij deed, moet hij voor zichzelf al de zekerheid hebben gehad dat Helen hem bedroog.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Wist hij met wie?’
Evert schudde zijn hoofd.
‘Ik denk dat vader daarover volkomen in het duister tastte.’ De jongeman glimlachte.
‘Ik vermoed dat hij daarbij nooit aan haar ex Iwan Terborch heeft gedacht.’
‘Waarom niet?’
‘Helen had haar ex-man afgeschilderd als een onmogelijke vent, een soort barbaar met veel eigenliefde, van wie zij goddank verlost was.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Toen uw vader van Helen ontrouw vermoedde… heeft hij haar toen nooit vragen gesteld… zijn bedenkingen kenbaar gemaakt omtrent haar gedrag?’
Evert schudde opnieuw zijn hoofd.
‘Dat lag niet in de aard van mijn vader. Hij was altijd bang dat hij mensen zou kwetsen.’
‘Maar hij bracht zijn klachten over haar wel bij u naar voren?’ Evert knikte.
‘Ik denk dat vader blij was dat hij een zoon had aan wie hij zijn zorgen kwijt kon.’
De Cock nam enige bedenktijd.
‘U bent pas de gangen van Helen nagegaan,’ ging hij tastend verder, ‘nadat vader zich bij u over haar gedrag had beklaagd.’ Over het jonge gezicht van Evert van Wateringen gleed een vermoeide glimlach.
‘Vader vertelde mij dat Helen soms hele nachten wegbleef.’
‘Hoe hebt u haar bedrog, haar overspel, ontdekt?’
‘Ik volgde haar toen ze met haar sportwagentje ’s avonds hun huis in Amstelveen verliet. Het was niet moeilijk. Ze reed rechtstreeks naar de Churchilllaan in Amsterdam, parkeerde daar haar wagentje en ging het huis van die Terborch binnen.’
‘Wist u dat hij daar woonde?’
Evert glimlachte.
‘Ik wist toch niet waarheen zij zou gaan. Net als vader had ik daarover geen enkel idee. Ik heb alleen haar wagentje gevolgd. Ik schrok toen ik het naambordje op de deur las.’
‘Wat hebt u toen gedaan?’
‘Blijven staan kijken.’
‘De hele avond en nacht?’
‘Een poosje. Een uur of twee. Maar het duurde mij te lang. Ik had in mijn portefeuille nog twee postzegels. Die heb ik toen over de naad van de voordeur geplakt en ben een paar uur gaan slapen.’ De Cock keek hem verwonderd aan.
‘Twee postzegels?’
Evert knikte.
‘Dat had ik eens gelezen in een of ander detectiveboek. Als de deur wordt opengedaan, scheurt de perforatie tussen de beide postzegels en weet je of iemand naar binnen of naar buiten is gegaan.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ze schrijven,’ verzuchtte hij, ‘de gekste dingen in die detectiveboeken.’ Hij keek de jongeman glimlachend aan. ‘Werkte het?’
‘Perfect. Toen ik na een paar uur terugkwam, stond haar wagentje daar nog en was de perforatie tussen de postzegels nog intact.’ De Cock trok een grijns.
‘Ze bracht dus de nacht bij hem door.’
‘Inderdaad. Van vader hoorde ik dat ze pas de volgende morgen om tien uur thuiskwam.’
‘Zonder een verklaring?’
‘Daar heeft vader niet naar gevraagd.’
De Cock plukte even aan zijn onderlip en wees daarna in zijn richting.
‘Wat hebt u met uw bevindingen gedaan?’
‘Met vader doorgenomen.’
‘En verder?’
‘Wij hebben onze strategie bepaald. In bijzijn van vader, en op zijn verzoek, heb ik Helen van Haaksbergen met mijn bevindingen van die avond en nacht geconfronteerd.’
De Cock glimlachte.
‘Hoe reageerde ze?’
‘Dat zei ik u toch al… furieus. Haar ware aard kwam even boven. Ze ging mij bijna te lijf en schold mij uit voor rotte vis.’
‘Wanneer vond die uitbarsting plaats?’
‘Vorige week.’
‘Hoe reageerde uw vader?’
Evert staarde voor zich uit.
‘Hij was de rust zelve. Toen Helen wat was gekalmeerd, zei vader dat hij verder niet door het leven wilde gaan als een bespotte oude man die door zijn jonge vrouw wordt bedrogen.’ De Cock keek hem gespannen aan.
‘Hij… eh, hij wilde scheiden?’
Evert knikte nadrukkelijk.
‘Dat heeft hij haar ook gezegd. Klaar en duidelijk.’
‘Condities?’
‘Helen van Haaksbergen mocht tot aan de officiële echtscheiding nog zolang bij hem in Amstelveen wonen, maar na de scheiding moest ze een eigen onderkomen zoeken.’
De jongeman grinnikte vreugdeloos.
‘Of teruggaan naar haar eerste man. Die keuze lag bij haar.’‘Had uw vader al een advocaat benaderd… een officieel verzoek tot echtscheiding ingediend?’
Het gezicht van Evert van Wateringen versomberde.
‘Daar heeft men hem de tijd niet voor gegund.’
Vledder hield met zijn handen zijn hoofd vast.
‘Allemachtig,’ riep hij geschokt. ‘Dat werpt een geheel nieuw licht op de zaak.’
De Cock veinsde onbegrip.
‘In welk opzicht?’
Vledder gebaarde heftig.
‘Bij een scheiding van Arthur van Wateringen kon Helen van Haaksbergen wellicht een pittige alimentatie bedingen… maar meer niet.’
De Cock keek hem aan.
‘Je bedoelt dat bij een officiële scheiding geen sprake was van een erfdeel, het grootste gedeelte van zijn vermogen?’ Vledder knikte heftig.
‘Precies. Ze had haast. Arthur van Wateringen moest sterven voor hij de benodigde stappen voor een echtscheiding had ondernomen.’
‘Wie?’
Vledder keek hem niet-begrijpend aan.
‘Wat bedoel je?’
‘Wie pleegde de moord… een persoonlijke actie van Helen zelf?’
‘Dat kan toch?’
De Cock knikte.
‘Die mogelijkheid mogen we zeker niet uitsluiten. Het vreemde vind ik nu, dat ze na de moord onmiddellijk haar ex-man Iwan Terborch beschuldigde, terwijl ze vermoedelijk nog regelmatig het bed met hem deelde.’
De blik van Vledder verhelderde.
‘Misschien was haar huwelijk met Arthur van Wateringen wel een opzetje van Helen van Haaksbergen en Iwan Terborch samen.’
‘Met het doel de antiquair leeg te schudden?’
Vledder grijnsde.
‘Arthur van Wateringen was een rijk man. De ontdekking van zoon Evert verstoorde de idylle en een echtscheiding betekende het einde van hun plan.’
‘Dus moord?’
‘Ja.’
De Cock schudde zijn hoofd. Op zijn breed gezicht lag een onwillige trek. De hele affaire zinde hem niet. Hij reageerde wat geprikkeld.
‘Ik vraag nog eens… wie? Wie pleegde de moord? Helen zelf? Iwan Terborch? Samen? Of was er nog een derde in het spel?’ Vledder keek hem langdurig aan, maar bleef het antwoord schuldig.
De Cock keek de man die op de stoel naast zijn bureau was neergestreken, peilend aan. Hij schatte hem op achter in de dertig. Hij had een rond blozend gelaat, goudgeel stroblond haar en kleine, achter bolle wangen verscholen groene ogen.
‘U bent dus,’ sprak De Cock plechtig. ‘Pieter-Jan van Oldekerke, kleinzoon van oudoom Pieter en executeur-testamentair van zijn vermogen.’
De man knikte.
‘U bent goed geïnformeerd.’
De Cock glimlachte.
‘Een onderdeel van mijn beroep.’
Pieter-Jan van Oldekerke verschoof iets op zijn stoel.
‘Ik had gisteren in Den Haag mijn nicht Elisa van Oldekerke aan de lijn met een verschrikkelijk verhaal over haar gestolen sarcofaag en een gruwelijk vermoorde antiquair.’
De Cock knikte.
‘Inderdaad,’ beaamde hij, ‘een verschrikkelijk verhaal van diefstal en moord. U bent daarover nog niet door ons benaderd?’ Pieter-Jan van Oldekerke keek verwonderd op.
‘Moet dat?’
De Cock blikte naar Vledder, die een afwerende beweging maakte.
‘Het spijt mij,’ riep hij verontschuldigend. ‘Ik heb nog geen tijd gehad. Ik moet ook nog…’
De Cock onderbrak hem en wendde zich weer tot de heer Van Oldekerke.
‘Wij hadden het plan om u een dezer dagen te benaderen.’
‘Over de moord?’
De Cock knikte.
‘Onder meer.’
Pieter-Jan van Oldekerke keek hem verschrikt aan.
‘Ik… eh, ik heb met die moord uiteraard niets te maken,’ hakkelde hij. ‘Het telefoontje van mijn nicht Elisa verbijsterde mij en vormde de directe aanleiding om u te bezoeken. Zij noemde mij uw naam als de rechercheur die het onderzoek naar de diefstal van haar sarcofaag deed.’
De Cock trok zijn gezicht in vriendelijke plooien.
‘Wij beweren ook niet,’ sprak hij sussend, ‘dat u iets met de moord op die antiquair uitstaande hebt. Maar misschien speelt de sarcofaag van uw nicht daarin een rol.’
Pieter-Jan van Oldekerke tikte op zijn borst.
‘Ik sta daar buiten. Volkomen.’
De Cock gniffelde. De afwerende, bijna angstige houding van de man amuseerde hem.
‘In verband met de raadselen rond de gruwelijke moord op die antiquair zou ik de sarcofaag van uw nicht graag willen opsporen. Mogelijk leidt dat tot de dader. Ik heb echter slechts een summiere omschrijving van uw nicht Elisa gekregen. Wellicht dat u mij wat meer duidelijkheid kunt verschaffen.’
Pieter-Jan van Oldekerke trok zijn schouders iets op.
‘Er staat een uitvoerige omschrijving van de sarcofaag in het testament van oudoom Pieter. Die tekst kan ik u wel bezorgen.’
‘Heel graag. Als u er geen bezwaar tegen hebt, liefst had ik de tekst van het gehele testament.’
Het gezicht van Pieter-Jan van Oldekerke betrok.
‘De erfgenamen van oudoom Pieter zijn allen respectabele lieden. Ik wil niet dat…’
De Cock onderbrak hem:
‘Goed. Alleen de omschrijving van de sarcofaag. Dan kan ik een aanvullend opsporingsbericht verzenden.’
‘Morgen hebt u het.’
De Cock hield zijn hoofd iets schuin.
‘Wat weet u over de vloek die op de sarcofaag zou rusten?’ Pieter-Jan van Oldekerke glimlachte.
‘Over die vloek staat in het testament niets vermeld. Ik ken het bestaan van die vloek alleen uit verhalen van oudoom Pieter. Volgens hem is de bronzen sarcofaag met de Ibis afkomstig uit het graf van de jonggestorven Egyptische farao Toetanchamon in het Dal der Koningen op de westelijke Nijloever.’ Hij schudde zijn hoofd. Een glimlach rond zijn mond. ‘Ik heb het verhaal zo vaak gehoord dat ik het wel kan dromen.’
De Cock knikte hem bemoedigend toe.
‘Gaat u verder.’
‘Het graf van Toetanchamon werd in 1922 vrijwel ongeschonden ontdekt door Howard Carter en Lord Carnarvon. Volgens mijn oom heeft een onbekende helper van die twee egyptologen de sarcofaag gestolen uit een van de drie grafkamers die geheel gevuld waren met ushabti’s, beelden van goden en godinnen, meubilair, sieraden en andere kostbare grafgiften.’
De Cock keek hem misprijzend aan.
‘Ik hoor nog niets van een vloek.’
Pieter-Jan van Oldekerke stak gebarend zijn rechterarm omhoog.
‘Volgens oude hiërogliefen rustte er een vloek op de schenders van Oudegyptische koningsgraven. Zij zouden als straf voor hun gruweldaad een gewelddadige dood sterven.’
‘En? Zijn daar voorbeelden van?’
Pieter-Jan van Oldekerke knikte nadrukkelijk.
‘Howard Carter en Lord Carnarvon stierven een gewelddadige dood.’
‘Als gevolg van de vloek?’
‘Absoluut. Ook enkele helpers van de beide archeologen die aan de grafschennis hadden deelgenomen, zijn op een ongelukkige wijze aan hun eind gekomen.’
De Cock grinnikte.
‘Wat heeft die vloek met de bronzen sarcofaag van uw nicht te maken? Zij is geen grafschendster. Zij was nooit in het graf van Toetanchamon… of van welk koningsgraf dan ook.’ In zijn stem trilde iets van vermaak.
Pieter-Jan van Oldekerke boog zich naar voren.
‘Volgens oudoom Pieter trof eenzelfde vloek ook de mensen die onrechtmatig in het bezit kwamen van voorwerpen uit zo’n koningsgraf.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Elisa van Oldekerke had de sarcofaag op een rechtmatige wijze van haar oudoom geërfd. Er is geen sprake van onrechtmatigheid.’
Pieter-Jan van Oldekerke zuchtte.
‘Er bestaan twee lezingen over de vloek. Zij zou alleen die lieden treffen, die door middel van diefstal, moord, beroving of geweld in het bezit kwamen van voorwerpen uit een koningsgraf. Maar volgens een andere lezing zou de vloek al gelden vanaf het moment van de grafschennis en zou eenieder treffen die daarna zo’n voorwerp in zijn of haar bezit heeft gekregen.’
‘Ongeacht of dat bezit rechtmatig was of niet?’
‘Precies.’
De Cock keek hem strak aan.
‘Gelooft u in zo’n vloek?’
Pieter-Jan van Oldekerke draaide zijn hoofd weg.
‘Ja,’ antwoordde hij zacht. ‘En ook oudoom Pieter geloofde erin.’
‘Liet hij daarom de sarcofaag aan zijn achternicht Elisa na?’ Pieter-Jan van Oldekerke trok een ernstig gezicht.
‘Oudoom Pieter,’ sprak hij bedachtzaam, ‘was een eigenzinnig mens… koppig, onhandelbaar, stijfhoofdig. In dat opzicht lijkt Elisa sterk op hem. Twee botsende karakters. Ik denk dat oudoom Pieter nu vanuit het hiernamaals naar de aarde gluurt om te zien wie sterker zal zijn… Elisa of de vloek.’
De Cock wuifde het onderwerp weg.
‘Elisa wist niet of de sarcofaag tegen diefstal was verzekerd.’ Pieter-Jan van Oldekerke keek hem verwonderd aan. ‘Natuurlijk weet ze dat,’ reageerde hij scherp. ‘Ik heb het haar zelf geschreven. De sarcofaag is voor ruim twee miljoen verzekerd en die verzekering loopt nog jaren.’