13

Vledder kneep zijn lippen tot een smalle lijn. Zijn jong gezicht kreeg een uitdrukking van verbeten woede.

‘Iwan Terborch!’ riep hij verachtelijk. ‘Wat een schoft. Een vrouw zo’n vernederende overeenkomst opdringen… onder die voorwaarden. Onvoorstelbaar. Die vent is van de ratten besnuffeld.’ De Cock grijnsde.

‘Je doet de ratten onrecht.’

Vledder keek hem vol verwachting aan.

‘Gaan we hem arresteren?’

‘Waarvoor?’

‘De moord op Arthur van Wateringen?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Daar is zo’n gluiperige vent te laf voor.’

‘Dat weet je zeker?’

De Cock knikte.

‘Ik heb dergelijke typen meer ontmoet. Ten opzichte van vrouwen durven zij zich van alles te permitteren… zijn ze gemeen, laaghartig, gewelddadig…’

Vledder onderbrak hem.

‘Je doet er toch wat aan?’

‘Ik heb Helen van Haaksbergen ertoe kunnen bewegen aangifte tegen haar ex-man te doen. Om haar weinig bedenktijd te gunnen, heb ik onmiddellijk van haar een uitgebreide verklaring opgenomen. Ik wil niet dat Iwan Terborch zijn straf ontloopt.’ Vledder keek hem verward aan.

‘Jij hebt een verklaring opgenomen?’ vroeg hij ongelovig. ‘Ik dacht dat jij allergisch was voor schrijfmachines.’

De Cock glimlachte.

‘Het ging op die elektronische ratelmachine van jou wel niet zo rap… soms vlogen de toetsen onder mijn vingers vandaan… maar het is uiteindelijk een gedegen werkstuk geworden, waar zelfs de meest louche strafpleiter geen vinger tussen krijgt.’

‘Dat kun je?’

‘Nog steeds. Zelfs zonder jouw hulp.’

‘En het vervolg?’

‘Ik heb contact opgenomen met de zedenpolitie aan het hoofdbureau. Ze waren het met mij eens dat het een zeer ernstig vergrijp was. Iwan Terborch wordt vannacht van zijn bed gelicht.’ Vledder leek gerustgesteld.

‘Ben je verder van die Helen van Haaksbergen nog wat wijzer geworden?’

‘Ze kon tot mijn spijt niet nagaan of er bij de diefstal van de sarcofaag ook nog enige oesjebti’s uit het magazijn van haar man waren ontvreemd. Arthur van Wateringen bezat volgens haar een kist vol van die waardevolle beeldjes.’

‘Vind je dat belangrijk?’

De Cock knikte.

‘De beide oesjebti’s die bij de vermoorde antiquairs werden gevonden, moeten toch ergens vandaan komen. De herkomst kan naar de dader of daderes leiden.’

De oude rechercheur zweeg even.

‘Verder houdt Helen van Haaksbergen vol, ondanks jouw onderzoek in de Oude Vensterstraat, dat zij op de avond van de moord werd gebeld door een man die haar vertelde dat er een ambulancewagen voor de deur van de winkel…’

De Cock stokte.

‘Wat stond er op de tap?’ veranderde hij plotseling van onderwerp. Het gezicht van Vledder versomberde.

‘Het was een bar slechte opname. Veel geruis en gekraak. Er was bijna geen stem te herkennen. Bovendien sprak hij op een vreemde toonhoogte.’

‘Het was een man?’

Vledder weifelde.

‘Dat vermoed ik. Mijn eerste impressie was dat ik naar een mannenstem luisterde. Later ben ik daaraan gaan twijfelen. Ik kreeg de indruk dat degene die belde, zich er plotseling van bewust werd dat hij of zij, dat laat ik dus even in het midden, zijn of haar stem moest verdraaien. Het werd wel een octaaf hoger.’ Vledder zweeg even. De onzekere expressie op zijn gelaat veranderde.

‘Maar één ding,’ sprak hij ferm, ‘bleek uit het opgenomen telefoongesprek zonneklaar. Adriaan Goederijke werd heel geraffineerd naar dat kraakpand in de Marnixstraat gelokt.’

‘De lokroep?’

‘Een bronzen sarcofaag met een gestileerde ibis.’


De Cock had moeie voeten.

Met een van pijn vertrokken gezicht tilde hij zijn benen omhoog en legde ze heel voorzichtig op zijn bureau. Het was daarbij alsof duizenden kleine duiveltjes met evenzovele spelden geniepig in zijn kuiten prikten. Dat was een slecht teken, wist hij. Telkens wanneer de zaken niet naar wens verliepen, wanneer hij het gevoel had steeds verder van de oplossing weg te drijven, kroop de vermoeidheid in zijn voeten en speelden deze geniepige duiveltjes hun sadistisch spel.

De oude rechercheur ging in gedachten na of zijn onderzoek in de zaak van de vermoorde antiquairs er werkelijk zo slecht voorstond als de plotseling opdoemende duiveltjes in zijn kuiten deden vermoeden. Na ampele overwegingen kwam hij tot de trieste conclusie dat hij geen enkel lichtpuntje kon ontdekken. Alles was nog net zo duister als op het moment waarop hij het ontzielde lichaam van Arthur van Wateringen in de kelder van zijn winkel vond.

De Cock kneep zijn ogen even stijf dicht en beet op zijn onderlip. De pijnscheuten kwamen in zijn kuiten terug en tekenden zijn gelaat. Vledder keek zijn oude leermeester bezorgd aan. ‘Heb je het weer?’

De Cock trok zijn rechterbeen omhoog en tastte naar een pijnlijke kuit. ‘Het is een familiekwaal.’ Hij zuchtte diep en legde zijn been weer op zijn bureau.

‘Mijn oude grootmoeder op Urk had het ook. Zij gebruikte haar kuiten als barometer. Als ze in haar stramme kuiten helse prikken voelde, was er storm op komst en bleef mijn grootvader, die visser was, thuis.’

‘En klopte het?’

‘A ltijd.’

Vledder lachte.

‘Was je vader visser?’

De Cock knikte met een somber gezicht.

‘Zijn schip verging tijdens een woeste stormnacht. Het was eind november. Moeder had al een sinterklaassurprise voor hem in huis.’

‘Waarom ben jij geen visser geworden?’

De Cock zuchtte.

‘Mijn vrouw heeft, net als mijn oude moeder, sterke gezonde kuiten.’

Vledder grijnsde.

‘Geen waarschuwende barometer om je in de haven te houden.’

‘Precies.’

De grijze speurder leunde in zijn stoel achterover en staarde secondenlang nadenkend naar het vergeelde plafond van de grote recherchekamer.

‘Adriaan Goederijke,’ sprak hij plotseling, ‘heeft de dood aan zichzelf te wijten.’

Vledder keek hem verrast aan.

‘Hij werd vermoord.’

De Cock knikte.

‘Dat was niet nodig geweest.’

‘Hij had het kunnen voorkomen?’

‘Natuurlijk. Adriaan Goederijke wist dat er een bronzen sarcofaag met een gestileerde ibis bij Arthur van Wateringen was gestolen en dat zijn vriend Arthur daarbij de dood vond. Toen de lokroep hem bereikte, had hij ons moeten waarschuwen. Dan hadden wij de moordenaar kunnen opvangen. Maar Adriaan Goederijke ging op eigen voordeel uit.’

‘Het werd zijn dood.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ik voel ook geen greintje medelijden,’ sprak hij somber. De grijze speurder verzonk weer in gepeins. Hij kneep met duim en wijsvinger in de zijkanten van zijn voorhoofd. Er vonkte iets vanbinnen. Een helder moment, dat de duistere hoeken van zijn brein even fel belichtte. Met een bruusk gebaar nam hij zijn benen van zijn bureau, stond op en slenterde naar de kapstok. Vledder kwam hem na.

‘Je moeie voeten?’

‘Over.’

‘Waar ga je heen?’

De Cock pakte zijn hoedje en draaide zich half om.

‘Naar het Linnaeushof. Antiquair Eduard Harfsen waarschuwen.’

‘Waarvoor?’

‘Een snelle dood met een stiletto tussen zijn schouderbladen.’ Na het bellen van De Cock deed mevrouw Harfsen de deur van haar woning open en keek de mannen op haar stoep verwonderd aan.

De oude rechercheur lichtte beleefd zijn hoedje.

‘Mijn naam is De Cock,’ opende hij beminnelijk. ‘De Cock met… eh, met ceeooceekaa.’ Hij duimde opzij. ‘En dat is mijn collega Vledder. Wij zijn als rechercheurs verbonden aan het politiebureau in de Warmoesstraat.’

Het gezicht van mevrouw Harfsen verhelderde.

‘Ik weet het,’ riep ze blij. ‘Inderdaad… van de Warmoesstraat. Mijn man is bij u geweest in verband met de dood van Arthur van Wateringen.’

De Cock knikte.

‘Er hebben zich inmiddels nieuwe verwikkelingen voorgedaan en wij…’

Mevrouw Harfsen onderbrak hem.

‘U bedoelt de moord op Adriaan Goederijke. Ik heb het gelezen in de krant.’

De Cock wees voor zich uit.

‘Mogen we even binnenkomen?’

Mevrouw Harfsen deed een stap opzij, sloot de deur achter hen en ging de rechercheurs voor naar een gezellig ingerichte woonkamer met een kwartet forse houten fauteuils en in het midden, dominant, een monumentale schouw.

Mevrouw Harfsen ging zitten en legde haar handen in haar schoot.

‘Het is toch verschrikkelijk wat er met Adriaan is gebeurd,’ babbelde ze bezorgd. ‘Het was een aardige vent. Mijn man kon goed met hem opschieten.’

De Cock liet zich in een fauteuil zakken en legde zijn hoedje naast zich op het parket.

‘Kunnen we uw man even spreken?’

Het gezicht van mevrouw Harfsen betrok.

‘Dat zal moeilijk gaan.’

‘Hoe bedoelt u?’

‘Hij is er niet. Op vakantie.’

‘Waarheen?’

Mevrouw Harfsen spreidde haar armen.

‘Geen idee. Nadat hij bij u op bezoek was geweest, heeft hij wat spulletjes bij elkaar gepakt en is met zijn motorfiets vetrokken.’

‘Een vlucht?’

Mevrouw Harfsen keek hem geschrokken aan.

‘Een vlucht?’ reageerde ze verwonderd. ‘Waarvoor zou mijn man moeten vluchten? Eduard heeft een onrustige ziel. De dood van Arthur van Wateringen had hem nogal aangegrepen. Daar piekerde hij over. Zoiets kan ook mij gebeuren, zei hij.’

‘Daar was hij bang voor?’

Mevrouw Harfsen maakte een lichte schouderbeweging.

‘Dat… eh, dat heeft hij mij niet gezegd. Wanneer mijn man problemen heeft, dan pakt hij zijn zware motor en trekt er een paar dagen tussenuit. Ik ben dat van hem gewend.’

‘U weet niet waar hij zich nu bevindt?’

Mevrouw Harfsen stond van haar fauteuil op en schuifelde naar de schouw. Vanaf een robuuste draagbalk pakte ze een ansichtkaart.

‘Die kwam vanmorgen… uit Goslar in de Harz. Het poststempel is van eergisteren.’

De Cock nam de kaart van haar over en bekeek het poststempel en de adressering.

‘Het handschrift van uw man?’

‘Absoluut.’

De oude rechercheur liet de ansichtkaart in een zijzak van zijn colbert glijden.

‘Uw man vertelde mij dat Arthur van Wateringen op de dag dat hij vermoord werd gevonden nog bij u op bezoek was.’ Mevrouw Harfsen ging weer in haar fauteuil zitten en knikte. ‘Arthur van Wateringen wilde van Eduard weten wat die dacht van de prijs die hij voor een bronzen sarcofaag moest betalen… voor het geval dat de aanbiedster die aan hem wilde verkopen.’

‘Hebt u die sarcofaag gezien?’

Mevrouw Harfsen glimlachte.

‘Ik heb hem zelfs nog even in handen gehad.’

‘Wat schatte u dat hij waard was?’

‘Ik ben geen expert.’

‘Uw man sprak van tienduizend gulden.’

‘Dat is toch veel geld voor zo’n oud ding?’

De Cock liet het onderwerp rusten.

‘Heeft uw man als antiquair recentelijk nog spectaculaire aanbiedingen gehad?’

‘Wat bedoelt u met recentelijk?’

‘Na de dood van Arthur.’

Mevrouw Harfsen keek hem wat wazig aan.

‘Ik kreeg gisteravond laat… ik was net thuis van een bezoek aan mijn moeder… nog een telefoontje van iemand die zei dat hij een mooi antiek stuk te koop had. Of wij interesse hadden.’ De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Werd er gezegd om wat voor een mooi stuk antiek het ging?’ Mevrouw Harfsen schudde haar hoofd.

‘Ik ben er ook niet op ingegaan. Ik zei dat mijn man op vakantie was en dat hij over een paar dagen maar eens moest terugbellen.’

‘Het was een man?’

‘Ja, zeker.’

‘Heeft hij zijn naam genoemd?’

Mevrouw Harfsen schudde haar hoofd.

‘Daar heb ik ook niet naar gevraagd. Het was maar een kort gesprek.’

‘Kunt u zijn stem herkennen?’

Mevrouw Harfsen knikte nadrukkelijk.

‘Zeker. Ja, zeker.’

De Cock glimlachte.

‘Dat klinkt overtuigend. Was die stem zo bijzonder?’ Mevrouw Harfsen gebaarde naar de telefoon.

‘Ik heb die stem later nog eens opnieuw gehoord.’

De Cock keek haar verrast aan.

‘Opnieuw?’

Mevrouw Harfsen knikte.

‘Op ons antwoordapparaat. De man had zich die avond al eerder gemeld.’


Vledder stapte achter het stuur van de Golf. Hij hield een kleine cassette omhoog.

‘Wat moet ik met dat bandje uit het antwoordapparaat?’ De Cock kroop naast hem.

‘Wees er voorzichtig mee. Ik wil niet dat het beschadigt.’ Vledder reageerde geprikkeld.

‘Wat moet ik ermee?’

‘Je brengt mij terug naar de Kit. Ik moet nog wat uitzoeken. Jij gaat met dat bandje naar het hoofdbureau en je vraagt of men daar een expert kent die de stem van dit bandje kan vergelijken met de stem van de tap op de telefoon van wijlen Adriaan Goederijke.’

‘Kan dat?’

‘Zeker.’

‘Verwacht je daar wat van?’

De Cock knikte.

‘Als de stem gelijk is, zijn we een stuk verder.’

‘Hoe?’

De Cock antwoordde niet. Hij stak gebarend zijn rechterwijsvinger omhoog.

‘Ook ontbied je,’ ging hij gebiedend verder, ‘Helen van Haaksbergen aan het hoofdbureau van politie en laat haar naar zowel de slechte opname van de tap als naar de stem op het bandje van het antwoordapparaat van Eduard Harfsen luisteren.’

‘En dan?’

‘Dan meld je mij het resultaat.’

Vledder startte de motor van de Golf en reed van het Linnaeushof weg. Het regende nog steeds. Vette druppels kletterden op de voorruit. De jonge rechercheur staarde mokkend voor zich uit op de weg. Het ergerde hem dat hij de gedachtegang van De Cock niet kon volgen. Maar hij voelde zich te trots om een nadere uitleg te vragen. Grommend zette hij de ruitenwissers aan.

‘Vind je het niet vreemd,’ probeerde hij, ‘dat Eduard Harfsen plotseling op vakantie is gegaan?’

‘Wat is daar voor vreemds aan?’

Vledder keek hem van terzijde verwonderd aan.

‘Jij sprak zelf van een vlucht?’

De Cock knikte.

‘Ik was benieuwd naar de reactie van mevrouw Harfsen.’ Een tijdje reden ze zwijgend verder. Voor het stoplicht aan het eind van de Muiderstraat keek Vledder opzij naar De Cock, die voor de zwiepende ruitenwissers onderuit was gezakt. ‘Denk je werkelijk dat Eduard Harfsen net als Arthur van Wateringen en Adriaan Goederijke gevaar loopt om vermoord te worden?’

‘Dat denk ik.’

‘Waarom?’

‘Daarover heb ik nog geen absolute zekerheid.’

‘Weet… of vermoedt Eduard Harfsen dat hij gevaar loopt?’

‘Daar ben ik vrijwel zeker van.’

‘Wij behoeven ons over hem geen zorgen te maken. Hij zit veilig in Goslar.’

De Cock keek naar hem op.

‘Zit hij daar?’

Vledder toonde verwondering.

‘Natuurlijk. Jij hebt zelf die ansichtkaart van hem in je zak gestoken.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Dat is een oude truc.’

‘Truc?’

De Cock knikte.

‘Men schrijft hier in Amsterdam een ansichtkaart uit met de naam en het adres van iemand die men op een dwaalspoor wil brengen en geeft die kaart aan een of andere vriend of kennis mee met het verzoek om die in Goslar te posten.’

De oude rechercheur grinnikte vergenoegd.

‘Daar trap ik niet meer in.’

Загрузка...