14

Vledder gromde.

‘Wat ben je vreemd bezig.’

‘Hoezo?’

‘Dit is onze wagen niet.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Fred Prins rijdt met onze Golf. Deze wagen heb ik van het hoofdbureau geleend.’

De jonge rechercheur blikte om zich heen.

‘Waar zijn we hier?’

‘In de stad Medemblik.’

‘Stad?’

De Cock knikte.

‘Beledig de mensen hier niet en noem Medemblik geen dorp.’ Vledder duimde over zijn schouder.

‘En dat fraaie gebouw daar?’

De Cock glimlachte vertederd.

‘Het schitterend gerestaureerde kasteel Radboud, omgeven door een prachtige slotgracht. Floris de vijfde stichtte hier in 1288 een dwangburcht tegen de opstandige West-Friezen en schonk Medemblik in 1289 als eerste West-Friese plaats stadsrechten.’ Hij blikte opzij.

‘Heb jij op school geen geschiedenis gehad?’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Mijn meester zei dat hij geen zin had om oude koeien uit de sloot te halen.’

‘Een stomme meester. Door het verleden leer je het heden begrijpen.’

De jonge rechercheur reageerde niet. Hij zwaaide om zich heen.

‘Dit is een intiem parkeerplaatsje.’

De Cock knikte.

‘De enige parkeerplaats die ik ken, waar het gras tussen de stenen groeit. Maar het is een ideale plek. Onze wagen valt hier niet op en daar boven vanaf het bankje op de dijk heb je een prachtig uitzicht over het IJsselmeer en de mond van de haven van Medemblik. Ik kan mij geen betere ontmoetingsplaats voorstellen.’

‘Voor wie?’

‘Antiquair Louis Bovenkerk en zijn moordenaar.’

‘Gaan wij die hier ter plekke ontmaskeren?’

De Cock trok een grimas.

‘Dat hoop ik. Appie Keizer en Fred Prins verwacht ik hier elk ogenblik. Als zij met hun wagen de smalle dijk afsluiten, krijgt de moordenaar geen kans om te ontsnappen… tenzij hij te voet in de richting van het kasteel vlucht, maar dan komt hij niet ver.’ Vledder verzonk in gepeins.

‘Ken jij die Louis Bovenkerk?’

De Cock knikte.

‘Terwijl jij met de stemanalyses bezig was, heb ik hem opgezocht. Hij woont sinds kort op een boerderij in Oostwoud. Dat is hier pal bij. Zoals ik verwachtte, had ook Bovenkerk telefonisch een aanbod gekregen voor de aankoop van een bronzen sarcofaag met een gestileerde ibis. Ik heb hem geadviseerd om op het aanbod in te gaan en deze plek als ontmoetingsplek te kiezen.’

‘En daar ging hij op in?’

‘Na veel moeite.’

Niet ver van hen vandaan zette een man zijn fraaie rode Peugeot Break-406 op de parkeerplaats, stapte uit en liep via een houten trap naar de dijk en ging op een bankje zitten. Hij nam uit zijn zak een verrekijker en tuurde naar de zeilboten op het IJsselmeer.

Vledder wees door de voorruit.

‘Is dat hem?’

De Cock knikte.

‘Louis Bovenkerk.’

‘Als de moordenaar toesteekt… hoe kun je hem beschermen?’

‘Hij heeft een ijzeren plaat op zijn rug. Bovendien houden we hem in het zicht en kunnen als het nodig is direct ingrijpen.’ Appie Keizer schuifelde het parkeerplaatsje op en liep op hun wagen toe. De Cock draaide zijn raampje open.

‘Zijn we op tijd?’

De oude rechercheur blikte op zijn horloge.

‘We hebben nog minstens tien minuten.’

Schuin achter hen in de begroeiing die het parkeerplaatsje omgaf, stierf het ronkend geluid van een motor weg. Een man in het leer en een witte helm op zijn hoofd liep aan hun wagen voorbij en slofte naar de houten trap die naar de dijk voerde. Boven aan de dijk bleef hij even staan. Uit de rechtermouw van zijn lederen jack gleed een stiletto naar zijn hand.

Vledder stapte uit en gilde. Eén moment leek de man besluiteloos, toen stormde hij de trap af, wierp Vledder tegen de grond en rende langs de wagen van De Cock. Kort daarna startte een motor en reed van het intieme parkeerplaatsje naar de dijk. Vledder rende hem na en verdween uit het zicht.

Appie Keizer keek De Cock beteuterd aan.

‘Wat doen we?’

De Cock kwam uit de wagen.

‘Wachten. Vledder zal wel bij Fred Prins in de wagen zijn gestapt. Ze zullen hem op de dijk beslist inhalen en arresteren.’ Na een paar minuten werd De Cock onrustig.

‘We moeten toch maar even gaan kijken,’ sprak hij nerveus. Met Appie Keizer aan het stuur reden ze van het parkeerplaatsje weg de smalle dijk op. Bij de Vlietsingel reden ze verder in de richting van Wervershoof.

Plotseling riep De Cock:

‘Stop.’

Onder aan de dijk, half in een sloot, lag een verkreukelde Golf. Fred Prins krabbelde half dizzy op handen en voeten langs de dijk omhoog. De Cock stormde vanuit de wagen langs hem heen en liet zich in paniek op zijn kont langs de gladde steile dijk zakken. Aan de rand van de sloot lag Vledder met gesloten ogen. Over hem heen boog een motorrijder. Hij had zijn witte helm afgezet. De schaduw van een doorbrekende baard kleurde zijn gezicht asgrauw.

De oude rechercheur herkende hem.

‘Cornelis van der Graft,’ riep hij hijgend. ‘Wat doe jij hier?’ De motorrijder gebaarde naar de roerloze Vledder aan de rand van de sloot.

‘Moet ik die jongen laten verzuipen?’

Загрузка...