8

Vledder grijnsde breed.

‘Eduard Harfsen!’ riep hij ongelovig. ‘Is die man een expert?’ De Cock knikte onbewogen. ‘Daar gaat hij voor door… expert op het gebied van Oudegyptische kunst.’

‘Dat klopt toch niet?’ sprak Vledder hoofdschuddend. ‘De maatschappij die de bronzen sarcofaag heeft verzekerd, is toch niet gek? Die stellen toch geen bedrag van ruim twee miljoen vast voor een object dat slechts tienduizend gulden waard is?’

‘Ik weet niet,’ antwoordde De Cock, ‘welke overwegingen de verzekeringsmaatschappij destijds heeft gemaakt. Maar je hebt het gehoord… Harfsen vond een bedrag van ruim twee miljoen gewoon absurd. Hij bleef erbij dat hij aan zijn collega en vooral goede vriend Arthur van Wateringen een juist advies had gegeven… een advies naar eer en geweten.’

‘Wat,’ vroeg Vledder spottend, ‘is de eer en het geweten van een antiquair?’

‘Ik heb mij nooit,’ antwoordde De Cock vrolijk, ‘met groepsethiek beziggehouden. Er zullen ongetwijfeld goede en slechte antiquairs zijn.’

Vledder staarde een tijdje voor zich uit. Een dwarse denkrimpel in zijn voorhoofd.

‘Zou… eh,’ vroeg hij weifelend, ‘zou Elisa van Oldekerke van dat advies van Harfsen hebben geweten?’

De Cock keek hem fronsend aan.

‘Ik… eh, ik dacht dat de mooie Elisa van Oldekerke voor jou als een betrokkene bij moord onbespreekbaar was?’

Vledder beet op zijn onderlip.

‘Ik ben realist.’

‘En dat betekent?’

Vledder gebaarde in zijn richting.

‘Als Arthur van Wateringen Elisa van Oldekerke heeft verteld dat hij voor de sarcofaag niet meer dan tienduizend gulden wilde geven… onder toevoeging dat hem bij informatie is gebleken dat tienduizend gulden een billijk bod was… dan kon Elisa met de gedachte aan ruim twee miljoen best in de verleiding zijn gekomen.’

De Cock knikte instemmend.

‘En op pad zijn gegaan om haar eigen sarcofaag te stelen?’

‘Dat bedoel ik. Met moord als een niet-bedoelde bijkomstigheid.’

‘Dat is inderdaad heel goed denkbaar. Het spijt me om dat te moeten zeggen. Maar die mogelijkheid heb ik al eerder overwogen.’

‘Als er geld in het spel is,’ vervolgde Vledder zijn betoog, ‘is er op het gedrag van mensen geen peil meer te trekken. Geld maakt de mensen gek, misdadig, onbetrouwbaar. Vooral als het veel is.’

De Cock leunde in zijn stoel achterover.

‘Er bestaat een onuitroeibare gedachte,’ verzuchtte hij, ‘dat geld geluk brengt.’

Vledder keek hem schattend aan.

‘Niet dus?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Het is een leugen… een leugen door exploitanten van loterijen en kansspelen in stand gehouden. De meeste rijken op aarde leiden een ongelukkig leven en ervaren hun rijkdom als een last.’ Vledder glimlachte.

‘Als ze van die last bevrijd willen worden?’ sprak hij jolig. ‘Ik heb een armetierige bankrekening.’

De Cock keek naar hem op.

‘Jij zou echt rijk willen zijn?’ vroeg hij met een zweem van ongeloof.

Vledder knikte nadrukkelijk.

‘Het lijkt mij enig. Ik kan wel een paar leuke dingen bedenken, dingen waar ik nu niet aan toe kom: een mooi huis, een snelle auto, een cruise.’

De jonge rechercheur raakte opgewonden.

‘Ik zou vrijwillige giften van die zo zielig belaste rijken accepteren zonder naar de herkomst te vragen. Pecunia non olet.’ De Cock knikte traag voor zich uit.

‘Het is waar, geld stinkt niet. En volgens een Oudhollands spreekwoord kan men voor geld zelfs de duivel laten dansen.’ Hij spreidde zijn handen boven zijn hoofd.

‘Maar wie heeft behoefte aan een dansende duivel?’ Vledder glimlachte.

‘Hoe je het ook wendt of keert, het is toch wel makkelijk als je ruim bij kas bent. Je behoeft je geen zorgen te maken over bepaalde uitgaven. En geld opent alle deuren.’

‘Alle deuren… behalve de hemelpoort. Daar heeft het rammelen met een buidel geld geen zin meer. Volgens mijn informatie is de gebaarde Petrus, de hemelse bewaker van die poort, beslist onomkoopbaar.’

Vledder keek hem spottend aan.

‘Dat weet je zeker?’

‘Absoluut.’

Vledder boog zich iets naar voren.

‘Waarom willen alle mensen rijk zijn?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Niet alle mensen… alleen de armen verlangen naar rijkdom. De rijken weten inmiddels dat rijkdom geen geluk brengt. In de bijbel staat een klein, bijna laconiek zinnetje: Ook de rijke stierf en werd begraven. Treffender kan men de betrekkelijkheid van rijkdom niet tot uitdrukking brengen.’

Vledder keek hem aan.

‘Je bent cynisch vanavond.’

De Cock knikte.

‘In de zaak van de vermoorde Arthur van Wateringen,’ sprak hij somber peinzend, ‘speelt de factor geld naar mijn gevoel een te overheersende rol. Daar word ik niet vrolijk van.’ De oude rechercheur kwam uit zijn stoel omhoog en slenterde naar de kapstok.

‘Waar ga je heen?’

De Cock draaide zich half om. Om zijn lippen dartelde een glimlach.

‘Ik word plotseling bevangen door hevige goudkoorts.’

‘Goudkoorts?’

De Cock knikte.

‘Mijn dorstige keel snakt naar het vloeibare goud van een cognackie.’

Vledder keek hem opgetogen aan.

‘Het café van Smalle Lowietje.’

De Cock en Vledder slenterden zij aan zij vanuit het politiebureau door de Warmoesstraat naar de Lange Niezel.

Het was warm en drukkend. De hitte van de dag hing nog tussen de gevels van de smalle straat en kleefde aan het asfalt. Loom trokken de rechercheurs verder via de Korte Niezel naar de Achterburgwal.

De Cock blikte verwonderd om zich heen. Het was voor het late avonduur ongewoon stil op de Wallen. Aanlokkelijk uitgedoste hoertjes zaten verveeld in hun zachtroze etalages. De al wat belegen prostituees hadden een breiwerkje op schoot en namen niet eens de moeite om de aandacht op zich te vestigen. De vraag was te gering en het aanbod groot.

De oude rechercheur blikte opzij.

‘Drukt hitte de potentie?’ vroeg hij verrast.

Vledder lachte.

‘Geen flauw idee.’

De Cock gebaarde om zich heen.

‘Het moet toch van invloed zijn? Anders bleven de hoerenkerels niet weg.’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Ik geloof niet dat onze hittegolf iets met verlaagde potentie heeft te maken. Volgens de statistieken worden er in tropische landen meer kinderen geboren dan in koudere streken.’ De Cock liet het onderwerp rusten. Beleefd lichtte hij zijn oude hoedje voor bekende hoertjes, die vrolijk naar hem wuifden. Op de hoek van de Achterburgwal en de Barndesteeg schoven de rechercheurs het etablissement van Smalle Lowietje binnen. Het was er intiem, schemerig en aangenaam koel.

Lowietje, wegens zijn geringe borstomvang in penozekringen steevast Smalle Lowietje genoemd, veegde zijn handjes langs zijn morsig vest en begroette de rechercheurs hartelijk. Zijn vriendelijk muizensmoeltje glom van pure genegenheid.

‘Een tijd niet gezien,’ kirde hij. ‘Dat is zeker veertien dagen geleden dat jullie voor het laatst bij mij waren. Konden jullie de weg naar mijn etablissement nog wel vinden?’

De Cock knikte.

‘We gingen op de lucht af.’

Smalle Lowietje glimlachte.

‘Zeker druk bij jullie aan de Kit?’

De Cock hees zich moeizaam op een kruk.

‘Zolang de misdaad loont,’ sprak hij somber, ‘kennen wij geen malaise.’

‘En… loont de misdaad?’

De Cock grijnsde.

‘Als nooit tevoren. Geen bedrijfstak is de laatste jaren zo winstgevend.’

Smalle Lowietje lachte.

‘Gelukkig dat er zoveel werk is. Anders hadden ze jou allang in de VUT geduwd.’

‘Dat heet,’ reageerde De Cock nukkig, ‘bij ons heel plechtig EfEl-O, Functioneel Leeftijds Ontslag. En daar ben ik naar mijn gevoel nog niet aan toe.’

Smalle Lowietje grinnikte.

‘Ik denk dat ze jou alleen nog met grof geweld uit de Amsterdamse politie kunnen verwijderen.’

‘Grof geweld is niet nodig,’ grinnikte De Cock. ‘Een gouden handdruk is voldoende.’

Vledder keek hem van terzijde verbaasd aan.

‘Ik dacht dat jij niets om geld gaf?’

De tengere caféhouder strekte zijn rechterwijsvinger naar de Cock uit.

‘Hetzelfde recept?’

Zonder op antwoord te wachten, dook hij aalglad onder de tapkast en kwam weer tevoorschijn met een fles verrukkelijke Franse cognac Napoleon, die hij met een gebaar van intense voldaanheid voor zich op de bar zette. Zijn vingertjes streelden de hals.

‘Het zal mijn ultieme streven zijn,’ sprak hij plechtig, ‘om tot in lengte van dagen zo’n heerlijke fles voor jou in voorraad te hebben.’

Zijn stem trilde van toewijding.

De Cock keek naar hem op.

‘Lowie,’ sprak hij plechtig, ‘je ontroert me.’

In een reeks routinegebaren zette de caféhouder drie diepbolle glazen op de bar en schonk klokkend in.

De Cock keek ernaar en genoot. Hij vertoefde graag in het café van Smalle Lowietje, een man die hij om zijn deugden, maar misschien meer nog om zijn ondeugden, als zijn vriend beschouwde.

Toen de caféhouder zijn ceremonie had voltooid, nam de grijze speurder het bolle glas op en warmde de cognac schommelend in de kom van zijn hand. Met gesloten ogen snoof hij de prikkelende geur en liet, met op zijn grof gezicht een expressie van opperste verrukking, het gouden vocht door zijn keel glijden.

‘Dit nu,’ oreerde hij, ‘zijn voor een dorstige ziel lavende momenten.’

Lowietje glunderde.

‘De Cock,’ sprak hij prijzend, ‘je bent een dichter… een poëet.’ De oude rechercheur negeerde de lof. Hij zette zijn glas neer, draaide zich op zijn kruk om en keek om zich heen. ‘Waar is iedereen?’ riep hij verwonderd. ‘Ik heb het bij jou nog nooit zo stil gezien.’

De tengere caféhouder spreidde zijn handjes.

‘Tijdens deze hittegolf begint iedereen hier in de buurt al vroeg aan de pils. Voor de verkoeling. Tegen de avond zijn ze zat, te verzadigd om nog een poot buitenshuis te zetten.’

‘Slecht voor de business.’

Smalle Lowietje knikte.

‘Het wordt voor de meiden op de Wallen tijd dat het ouwe wijven regent. Misschien krijgen de kerels er dan weer zin in.’ De caféhouder gebaarde om zich heen.

‘Het maakt voor mij niet veel uit,’ sprak hij achteloos. ‘Ik had hier vanmiddag al een volle bak. Genoeg omzet voor de hele dag.’ Hij wees naar het lege glas van De Cock. ‘Nog eens inschenken?’

De oude rechercheur knikte. Toen Smalle Lowietje zijn glas had gevuld, boog De Cock zich vertrouwelijk naar hem toe.

‘Als jij,’ opende hij vriendelijk, ‘vroeger, laat ik zeggen in je woelige jaren, een of ander kunstwerk had gejat, waar ging je er dan mee heen?’

Smalle Lowietje keek hem even aan en schudde toen zijn hoofd.

‘Het valt me van jou tegen,’ sprak hij verwijtend. ‘Jouw vraagstelling deugt niet. Ik heb nooit kunstwerken gejat. Ze kwamen wel eens op mijn pad.’

De Cock lachte.

‘Als er wel eens een kunstwerk op jouw pad kwam?’ verbeterde hij.

‘Ja?’

‘Aan welke heler bood je dat aan?’

Smalle Lowietje schudde opnieuw zijn hoofd.

‘Jij gebruikt in dergelijke zaken altijd van die zware woorden,’ reageerde hij wrevelig. ‘Ik ging niet naar een heler, maar naar een man die een kunstwerk van mij kocht zonder vragen te stellen.’ De Cock bekeek hem van over het randje van zijn glas. ‘En dat was geen heler?’

‘Nee.’

‘Wat dan?’

Smalle Lowietje antwoordde niet direct.

‘Vrijwel alle kunstminnaars,’ ging hij docerend verder, ‘kopen kunst zonder vragen te stellen. Waar denk je dat die vele, uit oude kastelen, musea en kerken ontvreemde schilderijen, beelden en andere kunstwerken blijven? Zelfs beroemde antieke werken, waarvan eenieder de afbeeldingen of omschrijvingen kent, komen nooit meer boven water… verdwijnen geruisloos in een privé-verzameling.’

‘Dat weet ik,’ sprak De Cock sussend. ‘Ik ken de problematiek. De lijst van vermiste beroemde kunstwerken is gigantisch lang. Ik vroeg je alleen aan wie jij de kunstwerken die, zoals jij dat noemt, toevallig op jouw pad kwamen, verkocht…’

Smalle Lowietje zuchtte.

‘Er was een vent op het Linnaeushof.’

De Cock kneep zijn ogen half dicht.

‘Eduard Harfsen?’

‘Je kent hem?’ De Cock knikte. ‘Sinds kort.’


Met de opwekkende gloed van twee cognackies in hun aderen liepen de beide rechercheurs over de walletjes terug naar de Kit. Het was er aanmerkelijk drukker dan een uurtje tevoren. De bevrijdende avondkoelte bracht eindelijk het koor van behoeftige mannen op de been. De vele toegeschoven gordijnen duidden op hoertjes in vol bedrijf en bij Sheila, een exotische schoonheid uit Somalië, stonden mannen in de rij.

Vledder blikte opzij.

‘Geen beste, die Eduard Harfsen.’

De Cock trok zijn schouders iets op.

‘Smalle Lowietje heeft gelijk. In de kunsthandel gelden ruime normen. De begeerte van kunstminnaars kent nauwelijks grenzen.’

Vledder klakte met zijn tong.

‘Handel in kunst, curiositeiten, antiek. Het lijkt mij zo’n schemerig wereldje.’

De jonge rechercheur bleef plotseling midden op straat staan.

‘Gesteld,’ begon hij met een strakke mond, ‘dat Arthur van Wateringen iemand kende, iemand met — hoe noemde jij dat ook weer? — de begeerte van een ware kunstminnaar, die op zoek was naar een bronzen sarcofaag met een gestileerde kromsnavelige ibis…’

De Cock liep door.

Vledder sprintte achter hem aan en hield hem bij zijn schouder vast.

‘Je moet naar me luisteren,’ riep hij kwaad.

De Cock schudde zijn hoofd. De dartele accolades rond zijn mond stonden strak.

‘Ik heb de laatste dagen genoeg theorieën gehoord,’ sprak hij afwijzend. ‘Dat brengt ons geen steek verder. Morgen beginnen we opnieuw. We nemen eerst Elisa van Oldekerke onder vuur, daarna Helen van Haaksbergen, de jeugdige weduwe van de vermoorde, en dan haar ex-man Iwan Terborch. Het wordt tijd dat het stel een paar kromme lijnen in hun verklaringen rechttrekt.’

Vledder liep mokkend naast hem voort.

Met een glans van verrukking stak De Cock zijn open hand naar voren.

‘Het regent,’ riep hij blij. Hij blikte opzij. ‘Dick, het regent.’ Vledder reageerde niet.

Toen ze de hal van het politiebureau binnenstapten, wenkte Jan Kusters hen met een kromme vinger.

De Cock monsterde het gezicht van de wachtcommandant. Hij liep behoedzaam op hem toe.

‘Is er wat?’ vroeg hij gespannen.

Jan Kusters knikte. Hij pakte een notitie van zijn bureau.

‘Ik kreeg net het bericht binnen… nog geen paar minuten geleden. Ik heb er al een paar jongens heen gestuurd. In een kraakpand aan de Marnixstraat heeft een junk een lijk gevonden… het lijk van een man.’

‘Vermoord?’

De wachtcommandant boog zijn hoofd.

‘Een stiletto in zijn rug.’

Загрузка...