Vledder keek zijn oudere collega met glinsterende ogen aan. \
‘Gaan we hem arresteren?’
‘Wie?’
‘Die Iwan Terborch.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Voorlopig niet. Er is geen sprankje bewijs. We hebben alleen de beschuldiging van de jonge vrouw van de antiquair, dat haar ex-man wel eens bedreigingen had geuit.’
Vledder knikte berustend.
‘Ik begrijp het. Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren.’
De Cock glimlachte.
‘Van de Vlaamse schrijver Willem Elsschot… dat heb je goed onthouden. Er gaapt inderdaad een kloof tussen woord en daad. Gelukkig.’
De oude rechercheur maakte een triest gebaar.
‘Zij waren in ieder geval geen vrienden van elkaar. Arthur van Wateringen vond de ex van zijn vrouw maar een ijdele, verwaande kwast. En Iwan Terborch kon het niet goed verwerken dat Helen van Haaksbergen resoluut en onwrikbaar de zijde had gekozen van een lelijke, corpulente en veel oudere man.’ Vledder keek hem even niet-begrijpend aan. ‘Wie is Helen van Haaksbergen?’
De Cock grinnikte.
‘Het zou goed zijn als vrouwen ook na een huwelijk hun eigen naam behielden. Die naamsveranderingen werken vaak verwarrend. Helen van Haaksbergen is de meisjesnaam van mevrouw Van Wateringen.’
‘Wat doet ze?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Heeft ze een baan?’
‘Ze is een veelgevraagd fotomodel… zegt ze. Verschijnt op de covers van modebladen. Ook speelt ze zo nu en dan een gastrolletje in een of andere soap op de televisie.’
Vledder bromde.
‘Ik kijk nooit naar soap. In ons beroep lukt het je nooit om een spannende soap te volgen.’
De Cock negeerde de opmerking.
‘Helen van Haaksbergen,’ ging hij rustig verder, ‘voelde zich aanvankelijk aangetrokken tot de jonge, knappe Iwan Terborch, een bodybuilder met een parelend gebit en een prachtig lijf.’
‘En sexy?’
De Cock glimlachte.
‘Dat facet van Iwan Terborch heeft ze niet aangeroerd. Ze trouwde met hem omdat ze dacht dat zij met haar schoonheid bij hem paste. Een sprankelend paar. En alles leek in het begin ook rozengeur en maneschijn. Maar het huwelijk hield niet lang stand. Nog geen jaar. Iwan Terborch bleek al spoedig meer belangstelling te hebben voor zijn eigen lijf dan voor het lijf van zijn jonge vrouw.’ Vledder lachte vrijuit.
‘Een mooie manier om uit te drukken dat ze zich door hem verwaarloosd voelde.’
‘Het zijn haar eigen woorden. Ik geef ze ongecensureerd aan je door.’
‘Hoe kwam ze aan die antiquair?’
De Cock leunde in zijn bureaustoel achterover.
‘Helen van Haaksbergen, toen nog mevrouw Terborch, zag in de etalage van de antiquair in de Oude Vensterstraat een beeldje staan dat haar aandacht trok.’
‘Een beeldje?’
De Cock knikte.
‘Om precies te zijn: een houten ushabti.’
Vledder trok een vies gezicht.
‘Een wat?’
De Cock lachte.
‘Toen mevrouw Terborch,’ ging hij verklarend verder, ‘gebiologeerd door dat beeldje in de etalage, de antiekwinkel binnenging om inlichtingen en prijs, kreeg ze van Van Wateringen uitleg. Ushabti’s zijn beeldjes van hout, steen of aardewerk, zo tussen de tien en vijfentwintig centimeter hoog. Vaak hebben ze gereedschap in hun armen: een schoffel of een bezem. Rijke en belangrijke personen in het oude Egypte kregen na hun dood ushabti’s mee in hun graf. De bedoeling was dat de ushabti’s het werk zouden doen dat de goden aan hun dode eigenaren zouden opdragen. Bijzonder belangrijke doden kregen zelfs voor iedere dag van het jaar een ushabti mee. Per tien ushabti’s was er dan een opzichter, waarvan ook een beeldje, iets groter dan de gewone ushabti’s.’
Vledder fronste zijn wenkbrauwen.
‘Dat hele verhaal over die ushabti’s heeft ze jou gisteravond verteld?’
In zijn stem trilde ongeloof.
De Cock knikte nadrukkelijk
‘Ze vond het belangrijk om haar affectie voor de niet zo aantrekkelijke en niet meer zo jonge antiquair uit te leggen.’
‘Had jij zo’n uitleg nodig?’
De Cock zuchtte.
‘Dat doet niet terzake. Ze wilde dat verhaal aan mij kwijt. En ik heb geduldig geluisterd.’
Vledder snoof.
‘Dat ken ik van je.’
De Cock strekte zijn wijsvinger naar hem uit.
‘Ze vertelde dat verhaal omdat zij juist via die ushabti, dat magische beeldje, belangstelling kreeg voor de antiquair… voor de man Arthur van Wateringen. Om hem beter te leren kennen, toonde ze interesse voor antiek en ontdekte in de antiquair een totaal andere man dan de grove, onbenullige Iwan Terborch, met wie ze was getrouwd. De antiquair was voorkomend, lief, galant, las de verlangens van haar gezicht en bleek later, ondanks hun leeftijdsverschil, een uitbundige minnaar.’ Vledder knikte begrijpend.
‘Dus switchte ze.’
De Cock keek hem aan en schudde zijn hoofd.
‘Ik vind switchen in dit verband geen mooi woord. Ze vond in Arthur van Wateringen een beter passende levenspartner. Dat klinkt beter. Ze scheidde van Iwan Terborch en trouwde hem.’
‘Hoe groot is dat leeftijdsverschil?’
‘Vijfendertig jaar.’
Vledder floot tussen zijn tanden.
‘A llemensen.’
‘Arthur van Wateringen was negenenvijftig. Zij is vierentwintig.’
‘Hoe reageerde zij op zijn dood?’
De Cock zuchtte.
‘Aanvankelijk heel geëmotioneerd. Bijna panisch. Na enige tijd lukte het mij om haar wat te kalmeren. Ik heb toen de broeders van de Geneeskundige Dienst het lijk uit de kelder laten halen. Op de brancard heb ik haar alleen het gezicht van haar dode man laten zien. Ze kuste hem op zijn voorhoofd en zei: ’Arthur, vaarwel.”’
‘Meer niet.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Het was een lief gebaar. Ik was eerst bang dat ze zou gaan janken of krijsen. Maar ze had zich snel van de schok hersteld en ik heb het aangedurfd om haar alleen met haar autootje naar haar huis in Amstelveen te laten rijden, zonder begeleiding.’ De oude rechercheur zweeg even en dacht na. Daarna keek hij naar Vledder op.
‘Ik… eh, ik heb er gisteravond niets van gezegd,’ opende hij voorzichtig, ‘maar ik vond dat het heel lang heeft geduurd voordat jij van de Herenmarkt naar de Oude Vensterstraat terugkwam. Wat heb je al die tijd met de mooie Elisa van Oldekerke uitgespookt?’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Ik spook in diensttijd niets uit met mooie vrouwen. Dat wordt niet van mij verwacht.’
De Cock grinnikte.
‘Misschien verwachtte zij wat.’
Vledder keek hem verwijtend aan.
‘Zij verwachtte niets,’ reageerde hij snibbig. ‘We hebben nog eens gesproken over de vloek die op de verdwenen sarcofaag zou rusten.’
‘En?’
Vledder trok zijn schouders op.
‘Elisa had geen idee wat haar oudoom Pieter daarmee bedoelde. We hebben oude brieven die ze van hem in het verleden heeft ontvangen nog eens doorgenomen. Daarin hebben we niets over een vloek kunnen ontdekken. Wel het memoreren van haar groene ogen en de verwijzing naar de slang uit het paradijs. Verder vele ernstige aanmaningen van oudoom Pieter aan Elisa om vooral haar kuisheid te bewaren.’
De Cock lachte.
‘Kuisheid… sinds de pil een verloren begrip.’ Hij gebaarde voor zich uit. ‘En een polis… een verzekering?’ Vledder schudde zijn hoofd.
‘Elisa van Oldekerke zegt dat zij zelf geen verzekering heeft afgesloten, omdat ze de waarde van de sarcofaag aanvankelijk niet inzag. In verband met de vloek wilde ze dat ding zo snel mogelijk kwijt.’
De Cock knikte. ‘Dat weten we.’
‘Elisa was ervan overtuigd dat de sarcofaag door haar oudoom Pieter was verzekerd. Oudoom Pieter verzekerde volgens haar elk verzamelobject. Ze zou zich voor opheldering in verbinding stellen met de executeur-testamentair.’
De Cock knikte begrijpend.
‘De executeur-testamentair van oudoom Pieters nalatenschap.’
‘Precies.’
‘Heb je zijn naam?’
Met een brede grijns op zijn gezicht trok Vledder zijn notitieboek uit de binnenzak van zijn colbert.
‘Ik wist dat je ernaar zou vragen.’ Hij sloeg het boekje open. ‘Het is Pieter-Jan van Oldekerke, kleinzoon van oudoom Pieter, Wassenaarseweg 1317 in ’s-Gravenhage.’
De Cock glimlachte.
‘Bel hem eens op, vraag wat hij weet van de bronzen ibis en de vloek die daarop zou rusten, probeer of hij bereid is om ons een afschrift van het bewuste testament te sturen. Ga verder eens na of Iwan Terborch een strafblad heeft en…’
De oude rechercheur stokte. Er werd op de deur van de recherchekamer geklopt en Vledder riep:
‘Binnen.’
In de deuropening verscheen een lange, forsgebouwde man. De Cock schatte hem op achter in de dertig. Hij droeg een slobberig lichtgrijs kostuum met een te opzichtige rode stropdas. De schaduw van een doorbrekende baard kleurde zijn gezicht asgrauw. Met soepele tred liep hij op de grijze speurder toe en bleef bij zijn bureau staan.
‘U bent rechercheur De Cock?’
De grijze speurder knikte.
‘De Cock met… eh, met ceeooceekaa,’ reageerde hij wat vermoeid. ‘Wat kan ik voor u betekenen?’
De man gebaarde naar de stoel naast zijn bureau.
‘Kan ik erbij gaan zitten?’
De Cock knikte geschrokken.
‘Zeker, zeker. Neemt u plaats.’
De man liet zich op de stoel zakken en boog zich iets naar hem toe.
‘Ik ben Kees… of feitelijk Cornelis… Cornelis van der Graft. Ik werk bij het veilinghuis De Hoop aan het Karthuizersplantsoen in de Jordaan. Vanmorgen ben ik gebeld door dat vrouwtje Van Oldekerke van de Herenmarkt. Ze vertelde dat men uit het magazijn van de antiquair aan de Oude Vensterstraat haar sarcofaag had gestolen.’
De Cock knikte.
‘Ze heeft gisteravond bij ons aangifte gedaan van diefstal.’ Cornelis van der Graft verschoof iets op zijn stoel.
‘Ik… eh, ik voel mij een beetje schuldig. Ziet u… ik heb haar naar die antiquair gestuurd.’
De man zweeg even en krabde achter in zijn nek.
‘Ze kwam met dat ding bij mij om het door ons huis te laten veilen. Dat heb ik haar afgeraden. Het is dan maar net wat de gek ervoor geeft. Ik heb er niet zoveel verstand van, maar volgens mij is die sarcofaag een vermogen waard. Dus adviseerde ik haar om de sarcofaag door een erkend antiquair te laten taxeren.’
‘Dat werd Van Wateringen aan de Oude Vensterstraat.’ Cornelis van der Graft knikte.
‘Er schoot me niet zo gauw een andere antiquair te binnen. In ons wereldje kom je die luitjes nog wel eens tegen. Als we iets leuks in de aanbieding hebben, staan ze vooraan.’
De Cock kneep zijn lippen opeen.
‘Hij is dood,’ sprak hij strak.
Het gezicht van Cornelis van der Graft versomberde.
‘Dat heb ik gehoord. Dat vrouwtje vertelde het mij. Vermoord. Jullie vonden hem onder aan de trap van zijn kelder. Een dolk in zijn rug.’
De Cock keek hem quasi bewonderend aan.
‘U bent goed geïnformeerd.’
Cornelis van der Graft zuchtte.
‘Jammer voor de man. Ik ken hem wel niet zo goed, maar je wilt toch niet dat iemand op zo’n rottige manier aan zijn eind komt. Een beetje onchristelijk.’
De Cock gniffelde om het taalgebruik van de veilingman. Hij keek hem vragend aan.
‘Ik ken nog niet de reden van uw komst,’ sprak hij vriendelijk. ‘Wat hebt u ons te vertellen?’
Cornelis van der Graft boog zich nog verder naar voren. Zijn ellebogen steunden op het bureau van De Cock.
‘Ik geloof niet in diefstal.’
De oude rechercheur trok zijn wenkbrauwen op.
‘U gelooft niet dat de sarcofaag is gestolen?’ vroeg hij verwonderd.
Cornelis van der Graft schudde zijn hoofd.
‘Ik geloof er geen barst van. Zal ik jullie tweetjes nu eens precies vertellen hoe het is gegaan?’
De Cock glimlachte.
‘Ik ben benieuwd.’
‘Kijk, die Van Wateringen heeft het niet aangedurfd om een schatting te maken… bang dat hij er totaal naast zat. Toen is hij om advies met de sarcofaag naar een andere antiquair gegaan. Misschien een man die hij als een goed collega of vriend beschouwde.’
De Cock luisterde geïnteresseerd.
‘Verder.’
‘Die andere antiquair zag onmiddellijk dat die sarcofaag iets bijzonders was en kwam op een ideetje.’
‘Wat voor een ideetje?’
‘Hij zei tegen die Van Wateringen dat hij het ding eerst nog eens goed wilde bekijken voor hij tot een oordeel kwam.’ De Cock keek hem nadenkend aan.
‘Je bedoelt: hij bracht Van Wateringen ertoe om de sarcofaag bij hem achter te laten?’
‘Precies. Daarna maakte hij een afspraak, ging naar die zaak van Van Wateringen en stak hem in de kelder een dolk in zijn rug.’ De Cock kneep zijn ogen half dicht.
‘Waarom?’
Cornelis van der Graft keek hem ongelovig aan.
‘Dat… dat,’ stamelde hij, ‘dat is toch logisch. Van Wateringen was de enige die wist waar en bij wie hij de kostbare sarcofaag had gebracht.’
Toen Kees Cornelis van der Graft uit de recherchekamer was vertrokken, keken de rechercheurs elkaar verbouwereerd aan. Een tijdlang zwegen zij. Eenieder verdiept in zijn eigen gedachten. Het was Vledder die het zwijgen verbrak.
‘Ik vind het een prachtige theorie,’ sprak hij bedachtzaam. ‘Ik ben bang dat wij zelf niet op dat idee waren gekomen. Het is een knappe gedachte van de veilingman. Nu onze onbekende antiquair zijn collega Van Wateringen heeft vermoord, kan hij zich rustig in het bezit van de bronzen sarcofaag verheugen.’ De Cock trok denkrimpels in zijn voorhoofd.
‘Een motief voor moord?’
‘Hoe kostbaar is dat ding? Er zijn om geringere zaken moorden gepleegd. Ik kan het bezit van die sarcofaag echt wel als een motief zien. Vermoedelijk is dat ding heel exclusief.’ De Cock kauwde peinzend op zijn onderlip.
‘Laten we eens bezien,’ sprak hij nadenkend, ‘of de theorie van Cornelis van der Graft kan kloppen.’
‘Natuurlijk kan die kloppen.’
De Cock wuifde de opmerking weg.
‘Mevrouw Van Wateringen wist dat haar man een sarcofaag in consignatie had.’
‘In consignatie?’
De Cock knikte.
‘Zo noemde ze dat. Volgens haar zeggen verliet Arthur van Wateringen om kwart over negen, half tien, hun woning in Amstelveen voor een afspraak in zijn zaak met iemand die belangstelling voor de sarcofaag had. Een paar uur later werd ze gebeld door een man aan de overkant van de winkel, die haar zegt dat voor de winkel van haar man een ambulancewagen staat en…’ De oude rechercheur kwam plotseling met een ruk uit zijn stoel omhoog en beende naar de kapstok.
Vledder kwam hem geschrokken na.
‘Waar ga je heen?’
De Cock wuifde voor zich uit.
‘Naar de Oude Vensterstraat. Als die man gisteravond de ambulancewagen heeft zien komen, dan heeft hij wellicht ook gezien wie er bij Van Wateringen op bezoek kwam.’
Vledder keek hem met grote ogen aan.
‘Zijn moordenaar.’
De Cock wurmde zich in zijn oude regenjas en greep naar zijn hoedje.
De telefoon op zijn bureau rinkelde. Vledder liep terug en pakte de hoorn op. De oude rechercheur bleef staan en lette op het gezicht van zijn jonge collega.
Na enkele seconden legde Vledder de hoorn op het toestel terug.
De Cock liep op hem toe.
‘Wie was dat?’
‘De wachtcommandant.’
‘En?’
‘Beneden aan de balie staat Iwan Terborch. Hij wil met je spreken.’