10

De Cock liet zich op de stoel achter zijn bureau zakken. Secondenlang keek hij haar onderzoekend aan.

‘U ziet er slecht uit,’ stelde hij bezorgd vast.

Mevrouw Van der Vennen knikte.

‘Sinds de dood van mijn man heb ik bijna geen oog dichtgedaan. Ik kan het niet verwerken. Ik voel mij machteloos en opstandig. Dat tast mijn gestel aan. Ik heb het gevoel dat ik vanbinnen wordt uitgehold.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Dood is onomkeerbaar. Uw zorgen en gepeins brengen uw man niet tot leven.’

De rechterhand van mevrouw Van der Vennen streelde het zachte leer van haar handtasje op haar schoot.

‘Bobbejaan was een lieve, zachtaardige man… altijd bereid om iemand te helpen.’

De Cock keek haar glimlachend aan.

‘De keren dat ik met hem heb gesproken, maakte hij ook op mij een sympathieke indruk. Ondanks mijn bescheiden middelen, beloofde hij mij een paleisje.’

Mevrouw Van der Vennen zuchtte.

‘Zo was hij,’ sprak ze hoofdknikkend. ‘Bobbejaan gaf de mensen altijd het gevoel dat hij hen hoogachtte. Hij vond dat ieder mens het waard was om menswaardig te worden behandeld.’

De Cock gleed met zijn pink over de rug van zijn neus.

‘De mortuis nil nisi bene.’

Mevrouw Van der Vennen reageerde verward.

‘Dat is?’ vroeg ze onzeker.

De Cock gebaarde in haar richting.

‘Een Latijnse spreuk: Over de doden niets dan goeds. Had uw man geen vijanden?’

Mevrouw Van der Vennen schonk hem een meelijwekkend lachje.

‘Mijn Bobbejaan… mijn Bobbejaan had alleen maar vrienden… mensen die van hem hielden.’

De Cock maakte een wrevelig gebaar.

‘Toch moet er iemand zijn geweest, die de dood van uw man zo belangrijk vond, dat hij of zij daar een moord voor over had.’

Mevrouw Van der Vennen keek hem smekend aan.

‘Wie… wie haalt het in zijn misdadig brein om mijn man als een hond neer te schieten?’

De Cock negeerde de vraag.

‘Hebt u met de rechercheurs gesproken die de moord op uw man onderzoeken?’

Mevrouw Van der Vennen stak de wijsvinger van haar rechterhand omhoog.

‘Eén keer… een halfuurtje… bij mij thuis. Ze vroegen, net als u, of Bobbejaan vijanden had… of hij wel eens door iemand was bedreigd.’

De Cock keek haar ongelovig aan.

‘Meer niet? Ik bedoel: zijn ze later niet terug geweest om details met u te bespreken?’

Mevrouw Van der Vennen schudde haar hoofd.

‘Ik heb een paar maal naar het politiebureau gebeld om inlichtingen. Het enige antwoord dat ik kreeg, was dat de dood van mijn man nog alle aandacht had.’

De Cock maakte een hulpeloos gebaar.

‘Sommige onderzoeken,’ sprak hij sussend, ‘zijn nogal tijdrovend. Ik denk dat men over te weinig aanwijzingen beschikt om het onderzoek naar de moord op uw man snel en succesvol af te wikkelen.’

Mevrouw Van der Vennen trok haar gezicht strak.

‘Ik wil weten,’ sprak ze bits, ‘wie mijn man heeft vermoord en waarom!’

De Cock knikte instemmend.

‘Een redelijk verlangen.’

Mevrouw Van der Vennen boog zich iets naar hem toe.

‘U zou mij helpen zijn moordenaar te vinden.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ik kan en mag mij niet mengen in dat onderzoek. Dat heb ik u ook gezegd. Ik heb beloofd dat ik het onderzoek op afstand zou volgen… raad geven… als men daarnaar luisteren wil.’

Mevrouw Van der Vennen keek naar hem op.

‘Ik heb aan die rechercheurs uw naam genoemd. Hebben zij zich met u in verbinding gesteld?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ik verwacht ook niet dat zij dat zullen doen. Amsterdamse rechercheurs hebben buiten Amsterdam niet zo’n beste naam. Ze staan als hooghartig en eigengereid te boek.’ De grijze speurder glimlachte. ‘Ik zal eens informeren,’ sprak hij geruststellend, ‘of men al vorderingen heeft gemaakt.’

Mevrouw Van der Vennen verschoof iets op haar stoel. Ze legde vertrouwelijk haar hand op de arm van De Cock.

‘Ik wil weten wie mijn man heeft vermoord,’ sprak ze dwingend. ‘Ik wil dat aan mijn man recht wordt gedaan. Eerder heb ik geen rust.’

De Cock trok zijn gezicht in een ernstige plooi.

‘Ik besef dat volkomen… al tijdens ons eerste onderhoud na de dood van uw man, hebt u uw standpunt over recht en gerechtigheid duidelijk gemaakt. U hoeft mij daar niet steeds aan te herinneren.’

Mevrouw Van der Vennen trok haar hand terug.

‘Ik lig soms hele nachten in bed te piekeren.’

Ze knipte het lederen handtasje op haar schoot open.

‘Gisternacht,’ sprak ze, nerveus zoekend in haar tasje, ‘heb ik overwogen, dat de moord op mijn man wellicht verband houdt met een opdracht die hij kreeg als architect.’

De Cock knikte.

‘Dat is heel goed mogelijk.’

Mevrouw Van der Vennen plukte uit haar tasje een kleingevouwen A-viertje en overhandigde dat aan de oude rechercheur.

‘Bobbejaan was zeer nauwgezet,’ sprak ze verduidelijkend. ‘Hij noteerde alles. Ik heb de agenda’s van de laatste drie jaren van mijn man doorgesnuffeld en een lijst gemaakt van de namen van de mensen met wie hij een afspraak had.’

De Cock nam het A-viertje van haar over en vouwde het open.

‘Hebt u zo’n lijst,’ vroeg hij vriendelijk, ‘overhandigd aan de rechercheurs, die de moord op uw man onderzoeken?’

‘Nee.’

‘Waarom niet?’

Mevrouw Van der Vennen trok haar schouders op.

‘Dat weet ik niet,’ antwoordde ze onzeker.

De Cock keek haar bestraffend aan.

‘Wel doen,’ drong hij aan. ‘Het is een mogelijkheid die men niet mag verwaarlozen. Hebt u nog een kopie van deze lijst?’

‘Ja.’

De Cock liet zijn blik over het papier dwalen.

‘Kent u de mensen die op deze lijst staan?’

Mevrouw Van der Vennen knikte.

‘Met de meesten van hen heb ik gesproken… koffie of thee geserveerd… als mijn man met hen sprak. Ik had aanvankelijk ook uw naam op de lijst staan, maar die heb ik later geschrapt.’

De Cock glimlachte.

‘Ik was in uw ogen geen redelijke verdachte.’

Ineens keek de oude rechercheur verrast van de lijst op.

‘Bathmen,’ zei hij opgewonden. ‘Hier staat de heer W. Bathmen.’

Hij draaide zich met een ruk naar de vrouw toe. ‘Wie is de heer W. Bathmen?’

Mevrouw Van der Vennen maakte een achteloos gebaartje.

‘Een aardige, bescheiden man. Hij kwam met Bobbejaan praten over een bedrijfspand.’

De Cock trok zijn wenkbrauwen samen. ‘Een bedrijfspand?’

Mevrouw Van der Vennen knikte. ‘De heer Bathmen wilde op het industrieterrein in Medemblik een visfileerbedrijf op poten zetten. Met de havens van Den Helder en Den Oever dichtbij, leek de locatie hem bijzonder geschikt. Hij had, zo vertelde hij mij en mijn man, al een soortgelijk fileerbedrijf in IJmuiden.’


Het wolkenpak dat de Amsterdamse binnenstad omhulde, hing laag en wikkelde de toppen van de eeuwenoude geveltjes in grijze wollen dekens. Grote natte sneeuwvlokken dwarrelden traag omlaag.

Vanaf het Stationsplein, waar hij uit de tram was gestapt, slenterde De Cock langs het Victoriahotel naar het brede trottoir van het Damrak. Hij trok de kraag van zijn regenjas wat omhoog en drukte zijn vilten hoedje naar voren. Vanonder de gebogen rand keek hij naar de sombere gezichten, die aan hem voorbijgleden. De sneeuwbrei waarin ze voortsjokten, scheen alle blijheid te hebben verdrongen.

De grijze speurder verkeerde zelf in een puike stemming.

Een korte, maar intense nachtrust, had zijn geest verkwikt. Hij verheugde zich op een tocht naar de havens van IJmuiden… op een pittig onderhoud met de aardige, en zo bescheiden heer W. Bathmen, die ruim anderhalf jaar geleden in Wervershoof met architect Bobbejaan van der Vennen de plannen had besproken voor een bedrijfspand in Medemblik.

En die aardige en zo bescheiden heer Bathmen was samen met Roderick van Borsele directeur en mede-eigenaar van een visfileerbedrijf in IJmuiden.

Architect Bobbejaan van der Vennen was dood. Iemand joeg hem in Wervershoof onverhoeds drie kogels door zijn lijf. Roderick van Borsele had een paar dagen geleden bij hem aan de Warmoesstraat aangifte gedaan van de vermissing van zijn lieve moeder. Hoewel beide zaken in geen enkel verband met elkaar leken te staan, prikkelden ze de fantasie van De Cock.

Bij de Oudebrugsteeg stak hij abrupt de rijbaan van het Damrak over, huppelde vrolijk aan een aanstormende tram voorbij, liet ongewild een vrachtwagen schielijk stoppen en bereikte uiteindelijk heelhuids de overkant, waar hij een paar bekende nachthoertjes, op weg naar huis, uitbundig groette.

De Cock had er zin in. Hij sjokte blijmoedig naar de Warmoesstraat, negeerde de pislucht uit de Heintje Hoekssteeg en stapte het bureau binnen.

Omdat Jan Kusters even niet keek, glipte hij half gebukt aan de balie voorbij en besteeg de twee trappen naar de recherchekamer.

Toen hij binnenstapte, zag hij Vledder al ijverig achter zijn elektronische schrijfmachine zitten. Pas toen De Cock tegenover hem in zijn stoel plofte, keek hij op.

‘Je bent alweer laat.’

De grijze speurder keek op zijn horloge.

‘Het is pas halftien.’

Vledder bromde.

‘Ik ben al een paar uur bezig.’

De Cock gniffelde.

‘Braaf, m’n jong, heel braaf. De morgenstond heeft goud in de mond.’

Vledder keek hem vernietigend aan. Met De Cock in een jolige bui was, zo wist hij, niets te beginnen.

‘Ik heb die Bathmen nagetrokken.’

‘En?’

‘Niets aan de hand.’

‘Hoe bedoel je?’

Vledder gebaarde voor zich uit.

‘Hij komt in onze administratie niet voor en volgens de politie in IJmuiden is hij een nette visinkoper, die nog nooit moeilijkheden heeft veroorzaakt.’

De Cock trok zijn schouders op.

‘Dat zegt niets. De charmante Henri-Désiré Landru gold ook als een nette man, tot men erachter kwam, dat hij de lijken van de vele vrouwen die hij had vermoord, in zijn fornuisje opstookte.’

‘Dat is lang geleden.’

De Cock knikte.

‘Maar een les voor het heden.’

Vledder negeerde de opmerking.

‘Commissaris Buitendam heeft al een paar maal naar je gevraagd.’

De Cock spreidde zijn handen.

‘Problemen?’

Vledder knikte.

‘Hij zeurde over een declaratie.’


Commissaris Buitendam, de lange, statige chef van politiebureau Warmoesstraat, wenkte met een slanke hand.

‘Kom binnen, De Cock,’ sprak hij geaffecteerd, ‘en ga zitten.’ Hij kwam achter zijn bureau vandaan en gebaarde uitnodigend naar het zitje van stalen meubelen bij het raam, waar de commissaris slechts zijn prominente gasten ontving.

De grijze speurder trok zijn gezicht in een onwillige, norse plooi. Toenaderingen van zijn chef wees hij in de meeste gevallen koel en hooghartig van de hand. Hij had geen hekel aan zijn commissaris, maar leefde met hem toch op enigszins gespannen voet.

De Cock hield dat graag zo… beducht voor elke inmenging in zijn wijze van onderzoek.

‘Als het u hetzelfde is… blijf ik liever staan.’

Op het bleke gezicht van de commissaris kwam een lichte blos. ‘Zoals je wilt.’ Hij liep terug naar zijn bureau en nam wat stijfjes plaats.

‘Jij en Vledder,’ opende hij voorzichtig, ‘zijn een paar maal in Purmerend gesignaleerd. Wat hadden jullie daar te zoeken?’

De Cock schonk hem een beminnelijke glimlach.

‘Wie… wie heeft ons gesignaleerd?’

Commissaris Buitendam wuifde de vraag weg.

‘Wat hadden jullie in Purmerend te zoeken.’

De Cock grijnsde breed.

‘Wij… zoeken? Een vrouw… een bejaarde vrouw, die naar haar oudste zoon in Amsterdam zou komen, maar plotseling van de aardbodem verdween.’

Commissaris Buitendam strekte zijn handen voor zich uit en drukte zijn vingertoppen tegen elkaar.

‘Een bejaarde vrouw?’

De Cock knikte.

‘Drieënzeventig jaar… niet onbemiddeld… lijdt al geruime tijd aan kanker… heeft vermoedelijk niet lang meer te leven.’

Commissaris Buitendam keek hem verwonderd aan.

‘Dat is alles?’

‘Hoe bedoelt u?’

Commissaris Buitendam wuifde met beide handen.

‘Een… eh, een… eh, een doodgewone vrouw,’ riep hij stotterend. ‘Geen Madame Curie… geen Moeder Teresa… geen Lady Thatcher… geen geacht lid van het Koninklijk Huis?’

De Cock reageerde verrast.

‘Waarom zo cynisch?’ vroeg hij verbaasd. ‘De bejaarde mevrouw Van Borsele is inderdaad een doodgewone vrouw en sinds kort is ook haar bejaarde vriend verdwenen. Een doodgewone man… geen Albert Einstein… geen president van de Verenigde Staten en ook geen geacht lid van het Koninklijk Huis.’

Commissaris Buitendam grinnikte vreugdeloos.

‘De Cock,’ sprak hij hoofdschuddend, ‘dat kan niet. Je zult prioriteiten moeten stellen. Je kunt als rechercheur niet domweg je tijd verdoen aan de simpele vermissing van een bejaarde vrouw.’

De Cock veinsde onbegrip.

‘Waarom niet?’

Commissaris Buitendam wond zich zichtbaar op.

‘Als we achter alle vermiste personen zouden aan hollen dan…’

Hij maakte zijn zin niet af. Met een ruk boog hij zich voorover en tikte met zijn wijsvinger op een vel papier voor zich op zijn bureau.

‘Een declaratie,’ sprak hij smalend, ‘voor speelse treinreisjes van Purmerend naar Enkhuizen… vice versa.’ Hij keek grijnzend op.

‘Waar zijn jullie in godsnaam mee bezig?’

De Cock voelde hoe de woede in zijn aderen sloop.

‘Wij zijn,’ sprak hij met ingehouden emotie, ‘op zoek naar twee spoorloos verdwenen mensen… doodgewone mensen, die er gewoon recht op hebben dat ik een onderzoek naar hun verdwijning instel. En indien u, als mijn directe chef, daar bezwaar tegen hebt… en ik niet in uw naam bezig mag zijn… juist, dan ben ik in godsnaam bezig.’

Het duurde even. Enkele seconden. Toen werd het gezicht van commissaris Buitendam lijkbleek. Traag kwam hij achter zijn bureau omhoog. Met een gebaar van ingehouden woede strekte hij zijn rechterarm trillend naar de deur.

‘Eruit!’

De Cock ging.

Загрузка...