13

Toen Rolandina Scheepers met een hautain lachje om haar mond uit de grote recherchekamer was vertrokken, keek Vledder zijn oudere collega verschrikt aan.

‘Aan die mogelijkheid hebben wij nog niet gedacht,’ sprak hij somber.

‘Welke mogelijkheid?’

Vledder zwaaide.

‘Dat de oude mevrouw Van Borsele ergens een huis heeft gekocht en nu bezig is om daarin de mensen die haar dierbaar zijn, te verzamelen.’

De Cock glimlachte.

‘Het zou een aardige stunt zijn van de oude mevrouw. Een stiekeme leefgemeenschap van mensen die als vermist te boek staan.’

Vledder trok zijn hoofd tussen zijn schouders.

‘Onmogelijk?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Zeker niet. Als men financieel onafhankelijk is, kan men zich gemakkelijk groepsgewijs aan het maatschappelijk verkeer onttrekken. Daarvan kent het verleden voorbeelden genoeg.’

Vledder lachte schamper.

‘Zou dat die vreemde spoorloze verdwijningen kunnen verklaren? Vandaag of morgen voegt de oude mevrouw Van Borsele een nieuw lid aan haar leefgemeenschap toe… een nieuwe verdwijning en voor ons weer een telexbericht met opsporing verzocht.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ik geloof er niet in… in dit geval niet.’

‘Waarom niet?’

‘Oudere mensen hechten zich aan voorwerpen die voor hen een sentimentele waarde hebben. Daar doen ze niet vrijwillig afstand van. Uit niets blijkt dat men dergelijke voorwerpen heeft verzameld. Mevrouw Van Borsele nam alleen haar kat mee. Martijn Schuitema liet zelfs zijn geliefde parkietje thuis.’

Vledder kneep zijn lippen op elkaar.

‘Hoewel ik die Rolandina Scheepers een verschrikkelijk mens blijf vinden, voel ik toch wel wat voor haar theorie,’ riep hij opstandig. ‘Waarom nam haar vriend zijn parkiet niet mee? Simpel, omdat hij wist dat mevrouw Van Borsele haar zwarte kater had meegenomen.’

De Cock trok een bedenkelijk gezicht.

‘En dat deed Martijn Schuitema zonder voor zijn nichtje Evelien van Ursum een briefje achter te laten met het vriendelijk verzoek om in het vervolg voor zijn parkietje te zorgen?’ De grijze speurder schudde zijn hoofd en in zijn stem trilde ongeloof. ‘Dat doen oude mensen niet.’

Vledder snoof. ‘Zijn oude mensen beter dan jonge?’

De Cock antwoordde niet en er viel een korte stilte.

Vledder ademde diep.

‘Die samenhang die jij opperde, sprak mij wel aan. Ik ben er ook van overtuigd geraakt, dat er een relatie moet bestaan tussen het verdwijnen van de oude mevrouw Van Borsele, van Martijn Schuitema en Mariska Scheepers. Ik begrijp alleen nog niet hoe.’

De Cock wreef zich achter in zijn nek.

‘Ik heb mij suf gepiekerd of mogelijk de volgorde enig licht op de verdwijningen kon werpen.’

Vledder keek hem peinzend aan.

‘Je bedoelt… eerst de oude mevrouw Van Borsele, dan haar vriend Martijn Schuitema en vervolgens de jonge Mariska Scheepers?’

De Cock knikte.

‘Als men van de volgorde uitgaat,’ sprak hij zacht, nadenkend, ‘dan zouden de verdwijningen van Martijn Schuitema en de jeugdige Mariska Scheepers een min of meer logisch uitvloeisel zijn van het verdwijnen van de oude mevrouw Van Borsele.’

Vledder spreidde zijn handen.

‘Wat is een min-of-meer-logisch-uitvloeisel?’

De Cock boog zijn hoofd.

‘Ik probeer mijn gedachten te formuleren,’ antwoordde hij afwerend. ‘Ik ben op zoek naar een motivering… een zinvol antwoord op de vraag van het waarom van de volgorde.’

Vledder keek naar hem op. ‘Als we ervan uitgaan,’ reageerde hij kalm, ‘dat het initiatief van de verdwijningen bij de oude mevrouw Van Borsele ligt… zoals Rolandina Scheepers vanavond suggereerde… dan is er wel degelijk sprake van een logisch uitvloeisel.’

De Cock grinnikte. ‘Een logisch uitvloeisel,’ sprak hij schamper, ‘de oude zieke mevrouw Van Borsele wil de laatste dagen van haar leven niet in eenzaamheid slijten… bedoel je dat?’

‘Precies.’

De Cock grijnsde. ‘En na haar overlijden komen Martijn Schuitema en Mariska Scheepers gewoon weer tevoorschijn en vertellen met tranen in hun ogen, dat zij aan het sterfbed van de oude mevrouw Van Borsele hebben gestaan.’

Vledder negeerde het cynisme en glimlachte.

‘Zo eenvoudig is het.’

De Cock woelde met de vingers van zijn beide handen door zijn grijze haren. De theorie zinde hem niet. De oude mevrouw Van Borsele had, zo meende hij, Martijn Schuitema en haar nichtje Mariska ook in haar flatje in Purmerend aan zich kunnen binden. De oude rechercheur schudde mistroostig zijn hoofd.

‘Ik heb nog nooit,’ verzuchtte hij, ‘zo’n bizarre zaak onder handen gehad. En als het geluk niet keert, vrees ik dat dit de eerste keer wordt dat…’

Vledder onderbrak hem heftig.

‘Daar geloof ik niet in… daar wil ik niet in geloven. Jij hebt in je lange rechercheleven al zoveel bekokstoofd met ceeooceekaa, dat je ook nu wel weer een oplossing zult vinden.’

De Cock keek hem dankbaar aan. Het vertrouwen van zijn jonge collega bemoedigde hem.

‘Ik zal mijn best doen,’ sprak hij glimlachend.

Voor zich op zijn bureau rinkelde de telefoon. Vledder boog zich naar voren, nam de hoorn op en meldde zich. Na ruim een halve minuut te hebben geluisterd, zei hij: ‘Bedankt’, en legde de hoorn op het toestel terug.

De Cock keek hem gespannen aan. ‘Wie was dat?’

‘Egbert Rutjes.’

‘En?’

‘Hij heeft de fiets van Mariska Scheepers gevonden.’

‘Waar?’

‘Op slot… in Purmerend… bij het station Purmerend-Overwhere.’


De Cock beet op zijn onderlip. ‘Richting Hoorn?’

Vledder knikte traag. ‘Daar lijkt het op. Egbert Rutjes zal proberen of hij dat nog kan achterhalen, maar hij is bang dat op het station Purmerend-Overwhere niemand zich Mariska Scheepers zal herinneren. De huidige tieners lijken wat hun kleding betreft precies op elkaar… een verschoten spijkerbroek en een jack.’

‘Met GIANTS in witte geblokte letters.’

Vledder keek hem argwanend aan.

‘Ik… eh, ik ga geen treinreisjes meer maken richting Enkhuizen,’ sprak hij hoofdschuddend. ‘Daar heb ik mijn buik vol van.’

De Cock glimlachte.

‘Dat zal ik ook niet van je verlangen,’ reageerde hij kalm. ‘Het heeft geen zin. Een oude dame met haar kat in een rieten mandje, in de trein van kwart voor zeven, gaf mogelijkheden voor succes. Van een dergelijke aanpak voor een tiener met GIANTS op haar jack en op een onbekend tijdstip, verwacht ik niets.’

De oude rechercheur krabde zich in zijn nek.

‘Het zou overigens interessant zijn om te weten of ook Martijn Schuitema op het station Purmerend-Overwhere in de trein is gestapt.’

‘Richting Hoorn?’

‘Exact.’

Vledder knikte nadrukkelijk. ‘Daar ben ik van overtuigd.’

‘Een spontane opwelling?’

Vledder schudde zijn hoofd. ‘Weloverwogen.’

De Cock boog zich naar voren.

‘Wie gaf hen dan instructies? Ik bedoel, wie fluisterde Martijn Schuitema en Mariska Scheepers in het oor, dat zij op het station Purmerend-Overwhere de trein naar Hoorn moesten nemen?’

‘Dat is niet moeilijk,’ grijnsde Vledder. ‘De man of de vrouw die hen in Hoorn opwachtte.’

De Cock gebaarde voor zich uit. ‘Rigobert?’

Vledder trok een grimas. ‘De oude mevrouw Van Borsele?’

De Cock trok zijn kin iets omhoog. Zijn markant gezicht werd een strak masker. ’De oude mevrouw Van Borsele is dood.’

Vledder keek hem verward aan. ‘Hoe kom je daarbij?’ riep hij verrast. ‘Heb jij haar lijk gezien?’

De Cock schudde zijn hoofd. ‘Dat hoeft niet,’ antwoordde hij gelaten. ‘Men kan de zekerheid hebben dat iemand is overleden, zonder zijn lijk te hebben gezien.’

Vledder snoof. ‘Die zekerheid heb jij?’

In zijn stem trilde ongeloof.

De Cock klopte met de toppen van zijn vingers een paar maal tegen zijn borst. ‘Als ik hier vanbinnen niet de zekerheid had, dat de oude mevrouw Van Borsele iets was overkomen, dan had ik dit onderzoek allang gestaakt.’

‘Gestaakt?’

De Cock knikte. ‘Ik ga toch niet voor joker achter een oude vrouw aan hollen, die spelletjes speelt met mensen… zoals Rolandina Scheepers ons wil doen geloven?’

Vledder boog beschaamd zijn hoofd.

‘Ik geloof daar ook in,’ antwoordde hij zacht. ‘Het is, mijns inziens, de enige verklaring voor het verdwijnen van die drie.’

De Cock keek naar hem op. ‘Heb je die huisarts in Nibbixwoud al gebeld?’

‘Ja.’

‘En?’

Vledder schudde zijn hoofd. ‘Het leverde niets op,’ antwoordde hij triest. ‘De arts kende geen oude dame van de beschrijving die ik hem gaf. En de naam Van Borsele zei hem niets.’

De jonge rechercheur maakte een moedeloos gebaar.

‘Zullen we zelf naar Nibbixwoud gaan?’ opperde hij. ‘Het aantal boeren met caravans op hun erf zal toch niet zo groot zijn.’

De Cock keek op de grote klok boven de toegangsdeur van de grote recherchekamer.

‘Daar is het nu te laat voor. Als we daar aankomen is het donker. We kunnen veel beter morgenochtend een truc uithalen.’

‘Een truc?’

De Cock knikte.

‘We gaan morgen met onze Golf naar Nibbixwoud en bellen vandaar Rigobert van Borsele met de vraag waar hij zijn caravan heeft staan.’

Vledder trok zijn wenkbrauwen samen.

‘En doen voorkomen of wij vanuit het politiebureau aan de Warmoesstraat bellen?’

De Cock knikte instemmend.

‘En als Rigobert van Borsele ons een verkeerd erf opgeeft, dan hebben we genoeg tijd om dat ter plekke te verifiëren voor hij eventueel vanuit Amsterdam naar Nibbixwoud komt om zijn gegijzelde moeder ergens anders onder te brengen.’

De ogen van Vledder begonnen te glinsteren.

‘Als hij ons een verkeerd erf opgeeft,’ sprak hij enthousiast, ‘dan is dat toch een bewijs dat hij iets voor ons heeft te verbergen.’

De Cock plukte aan zijn onderlip.

‘Zijn oude moeder?’

In de stem van de grijze speurder vibreerde de twijfel.


De deur van de grote recherchekamer werd zonder kloppen opengedaan. In de deuropening stond een vrouw. De Cock herkende haar onmiddellijk. Hij stond van zijn stoel op en liep op haar toe.

‘Mevrouw Van der Vennen.’ Hij keek op de klok boven de deur. ‘Zo laat nog in Amsterdam?’

De oude rechercheur leidde haar naar de stoel naast zijn bureau.

‘U… eh, u had al op uw bed moeten liggen.’

Mevrouw Van der Vennen keek naar hem op.

‘U ligt toch ook niet op uw bed?’ riep ze verongelijkt.

De Cock ging glimlachend zitten.

‘Sommige rechercheurs kunnen pas van hun nachtrust genieten, als de zaak die zij onder handen hebben, is opgelost.’

‘Zo’n rechercheur bent u?’

De Cock maakte een afwerend gebaar.

‘Ik heb per dag wel een paar uur slaap nodig.’ De grijze speurder keek haar scherp onderzoekend aan. ‘U ook,’ sprak hij ernstig. ‘En ik heb het vermoeden dat u zich daar niet aan houdt.’

Mevrouw Van der Vennen schudde haar hoofd.

‘Het wil niet,’ verzuchtte ze. ‘Ik kan de dood van Bobbejaan niet verwerken. Ik ben zelfs nog niet aan een rouwproces toe. Ik heb geen echt verdriet. Ik zit alleen vol opgekropte haat jegens de man of vrouw die mijn man uit mijn leven heeft weggerukt. Daar ben ik dag en nacht mee bezig. Ik word overspoeld… verteerd door gevoelens van wraak en vergelding.’

De Cock kauwde op zijn onderlip.

‘Ik was als jochie een opvliegend kereltje… gauw klaar met mijn vuisten, of ik sloeg er met mijn klomp op los. Mijn oude moeder had dan altijd een paar bijbelteksten bij de hand. Gij zult niet wraakzuchtig of haatdragend zijn! riep ze dan bestraffend. En als ik mij opstandig verweerde en mij erop beriep, dat ik uit gevoelens van rechtvaardigheid had gehandeld, dan zei ze: Mij komt de wrake, spreekt de Heere.

Mevrouw Van der Vennen trok een nors gezicht.

‘De wraak van de Heer is mij niet goed genoeg… en duurt mij te lang.’

De Cock schudde afkeurend zijn hoofd en liet het onderwerp rusten.

‘Bent u toevallig in Amsterdam?’ vroeg hij voorzichtig.

‘Nee.’

De Cock keek haar schattend aan.

‘U bent vanavond uit Wervershoof gekomen alleen om mij te bezoeken?’

Mevrouw Van der Vennen knikte.

‘Met de auto. Ik heb hem in de binnenstad geparkeerd, en als ze hem stelen, dan reken ik erop dat u mij thuisbrengt.’

De Cock glimlachte.

‘Die belofte doe ik.’

Mevrouw Van der Vennen knipte het lederen tasje op haar schoot open.

‘Ik ben nu al dagen de administratie van mijn man aan het uitspitten. Ik leef nog steeds met het idee dat ik zelf de raadsels rond zijn dood kan oplossen. Tot mijn stomme verbazing vond ik tussen zijn papieren een aanslagbiljet onroerendgoedbelasting van de gemeente Medemblik.’

De Cock keek haar verrast aan.

‘U woont toch in Wervershoof?’

Mevrouw Van der Vennen knikte.

‘Mijn man en ik hebben niets in Medemblik.’ Haar mond gleed half open. ‘Toch had mijn man die belastingaanslag betaald.’

De Cock gebaarde in haar richting.

‘Voor welk onroerend goed in Medemblik was die belasting dan opgelegd?’

‘Een woonhuis in het uitbreidingsplan Radboud.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘En dat bezit u niet?’

Mevrouw Van der Vennen schudde haar hoofd.

‘Niet dat ik weet. Bobbejaan heeft met mij nooit over een woonhuis in het plan Radboud gesproken. Vanmorgen ben ik met die aanslag naar het stadhuis in Medemblik gegaan. Daar werd mij gezegd dat het huis wel degelijk op naam van mijn man stond.’

De Cock keek haar gespannen aan.

‘En toen?’

‘Ik ben dat woonhuis in het uitbreidingsplan Radboud in Medemblik gaan opzoeken. Het bleek een kapitale villa met witgeglazuurde gevelstenen… onmiskenbaar de zwierige bouwstijl van mijn man.’

‘Was de villa bewoond?’

Mevrouw Van der Vennen sloot even haar ogen.

‘Ik heb gebeld… een paar maal. Niemand reageerde. Ik kon ook niet horen of er binnen inderdaad een bel overging. Daarna heb ik geprobeerd om via de ramen naar binnen te gluren, maar ik kon niets zien. De gordijnen waren dicht.’

Ze zweeg even. Zonder iets te hebben laten zien, knipte ze met trillende vingers haar handtasje weer dicht.

‘Ik heb meer dan een halfuur naar de hoofdingang staan kijken,’ lispelde ze.

‘Waarom?’

Mevrouw Van der Vennen sloot opnieuw haar ogen. Haar boezem gleed op en neer.

‘Naast de deur,’ sprak ze zacht, ‘was een grote koperen naamplaat met zwarte verzonken letters… Bobbejaan Van der Vennen, stond er… architect.’

Загрузка...