14

Met mevrouw Van der Vennen in hun midden verlieten de beide rechercheurs het bureau Warmoesstraat. Ondanks het kille winderige weer was het druk op straat. Prostitutie kent geen jaargetijden, geen malaise. Ze wurmden zich door de voortschuifelende menigte in de richting van het hotel Krasnapolsky.

De Cock blikte opzij.

‘Staat daar uw wagen?’

Mevrouw Van der Vennen knikte.

‘Ik vond gelukkig aan de rechterkant nog een plekje waar ik hem kwijt kon. Ik hoop dat hij daar nog staat… onbeschadigd.’

‘Wat is het voor een auto?’

‘Een zilverkleurige Mitsubishi Galant.’

De Cock wipte op zijn tenen. Toen hij de zilverkleurige wagen verderop in het oog kreeg, bleef hij staan en wendde zich tot Vledder.

‘Ga terug,’ gebood hij vriendelijk, ‘naar de steiger achter het bureau en pak onze Golf. Ik stap bij mevrouw Van der Vennen in de auto. Wij komen naar je toe en jij volgt ons vanaf de Oudebrugsteeg.’

Vledder keek hem verwonderd aan.

‘Wat wil je dan?’

‘Naar Medemblik.’

Vledder keek op zijn horloge.

‘Nu nog?’

De Cock knikte nadrukkelijk.

‘Ik wil die villa zien.’

Vledder trok zijn neus iets op.

‘Je bedoelt die onmogelijke villa,’ vroeg hij schamper, ‘waarvan mevrouw Van der Vennen sprak… met de naam van haar man op een koperen naambord?’

De Cock trok zijn gezicht strak.

‘Ik wil die villa van binnen bekijken. Daar moet iets mee aan de hand zijn.’

‘Waarom… een villa is een villa… welke plaat er ook naast de deur hangt.’

De grijze speurder antwoordde niet.

Mevrouw Van der Vennen mengde zich in het gesprek.

‘We kunnen er niet in,’ sprak ze opgewonden. ‘Ik heb geen sleutels.’

De Cock schonk haar een geheimzinnig lachje.

‘Dat is geen probleem.’

Vledder keek zijn oude collega even aan in de stille hoop dat hij van gedachten zou veranderen. Toen hij besefte dat daarop geen kans was, draaide hij zich om en sjokte met zichtbare tegenzin naar de steiger achter het bureau.

Mevrouw Van der Vennen en De Cock liepen verder. De vrouw van de vermoorde architect opende het portier van haar Mitsubishi Galant en nam achter het stuur plaats. De Cock schoof naast haar.


Mevrouw Van der Vennen bestuurde haar fraaie wagen met vaste hand. De Cock nestelde zijn rug in de stoelleuning. Van terzijde bezag de oude rechercheur de scherpe lijnen van haar gezicht… de opgeheven kin, de smalle lippen en de neerhangende mondhoeken. Het profiel, stelde hij vast, van een vrouw op middelbare leeftijd, door het leven gelouterd en gedreven door een onbreekbare wil. Ze staarde strak voor zich op de weg… toonde weinig animo voor een conversatie.

Na het knooppunt Zaandam werd het aardedonker op de snelweg A7. Gejaagd door een felle wind joegen donkere wolken langs de hemel. Zo nu en dan brak de maan even door en toverde zilveren stroken in het landschap. Nabij Hoorn nam de wind nog toe.

De Cock gebaarde voor zich uit.

‘Stormt het altijd in West-Friesland?’

Mevrouw Van der Vennen negeerde zijn opmerking. De situatie, zo meende zij, leende zich niet voor een onschuldig babbeltje over het weer.

‘Bobbejaan,’ sprak ze zacht, ‘bewaarde alle tekeningen van zijn ontwerpen. Hij had daarvoor een speciale kast met laden. Hij gebruikte ook wel oude ontwerpen om daar nieuwe varianten aan toe te voegen.’

Ze reed enige honderden meters zwijgend verder.

‘Ik heb alles overhoopgehaald. De tekeningen van die villa in het uitbreidingsplan Radboudpark in Medemblik waren er niet bij.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Die moeten er toch zijn geweest?’

Mevrouw Van der Vennen knikte instemmend.

‘Absoluut. Anders was er geen bouwvergunning voor de villa verleend. Bobbejaan moet die tekeningen daarna hebben vernietigd of laten vernietigen. Ik begrijp dat niet… vraag mij af… waarom?’

De Cock draaide zich half naar haar toe.

‘Is het mogelijk om een bouwvergunning op naam van een ander aan te vragen?’

‘Hoe bedoelt u dat?’

‘Is het denkbaar, dat een opdrachtgever… een man of een vrouw, die een villa wenst… aan uw man verzoekt om op zijn eigen naam… de naam van de architect… een bouwvergunning aan te vragen?’

Mevrouw Van der Vennen trok haar schouders op.

‘Het is heel ongebruikelijk. Waarom zou men dat doen? Ik zie er het nut niet van in.’

De Cock spreidde zijn handen.

‘Is het onmogelijk?’

Mevrouw Van der Vennen maakte een hulpeloos gebaar.

‘Dat weet ik niet,’ sprak ze onzeker. ‘Ik heb wel ontdekt dat ook de grond van de villa, ruim duizend vierkante meter, op naam van mijn man staat.’

De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.

‘De overdracht van de grond geschiedt toch bij een notaris?’

Mevrouw Van der Vennen knikte.

‘Dat moet volgens de wet.’

‘En de notaris verlangt voor de overdracht deugdelijke legitimatiebewijzen.’

‘Inderdaad.’

‘Die moet uw man hebben getoond.’

‘Zeker.’

De Cock strekte zijn rechterhand naar haar uit.

‘Heeft uw man nooit met u over de grond en de villa gesproken?’

Mevrouw Van der Vennen schudde haar hoofd.

‘Onbegrijpelijk.’

De Cock ademde diep.

‘Ik vermoed,’ verzuchtte hij, ‘dat uw man zich bewust in een wespennest heeft gestoken.’

Mevrouw Van der Vennen kneep haar dunne lippen samen.

‘Bobbejaan,’ reageerde ze fel, ‘moet zich door edele motieven hebben laten leiden… een andere mogelijkheid is er niet.’

‘Toch was hij jegens u niet openhartig.’

‘Daarvoor zal hij zijn reden hebben gehad.’

De Cock glimlachte.

‘Het beeld van uw man blijft onbeschadigd?’

‘Absoluut.’

Bij de afslag Medemblik verlieten ze de snelweg. De Cock keek of Vledder nog volgde. Tot zijn geruststelling draaiden de koplampen van de Golf met de afslag mee.

Ze reden verder over een smalle tweebaansweg met rechts weilanden en links een dijk.

De Cock drukte zich iets omhoog.

‘Kunt u het vinden in het donker?’

Mevrouw Van der Vennen knikte.

‘Ik ben in deze streek geboren en getogen. Een echte West-Friezin. Ik heb voor mijn huwelijk met Bobbejaan in het centrum van Medemblik gewoond. De villa ligt niet ver van de nieuwe begraafplaats Zorgvlied.’

De Cock keek haar van terzijde aan.

‘Bobbejaan van der Vennen,’ sprak hij strak, maar niet onvriendelijk, ‘begaafd architect… over de doden niets dan goeds.’

Mevrouw Van der Vennen staarde door de voorruit. Haar mond bleef gesloten.

Na een tocht door stille en verlaten straten draaide mevrouw Van der Vennen de auto een smal pad op en bracht de wagen tot stilstand. Vledder stopte met zijn Golf achter hen.

De maan brak even door en scheen luttele seconden zacht glanzend op een fraai ogende witte villa met een dak van zwarte, geglazuurde pannen.

Mevrouw Van der Vennen strekte haar handen voor zich uit… de handpalmen omhoog. Het was een devoot gebaar.

‘De stijl van mijn Bobbejaan.’

Haar stem trilde en haar ogen glansden.

Een donkere wolk schoof voor de maan en drukte de betovering weg.

Ze stapten uit en Vledder voegde zich bij hen. Behoedzaam liepen ze op de toegangsdeur toe. Het grove grind knarste onder hun voeten.

De Cock bekeek de zware koperen naamplaat. Hij wendde zich tot Vledder.

‘Als ons onderzoek hier vanavond niets oplevert, probeer dan uit te vinden wie de opdracht heeft gegeven om deze plaat te maken.’

Mevrouw Van der Vennen keek naar hem op.

‘Dat was mijn man. Ik heb de rekening voor deze plaat in zijn administratie gevonden.’

De Cock vroeg niet verder. Hij diepte vanuit zijn broekzak het apparaatje op dat hij eens, lang geleden, van zijn vriend en ex-inbreker Handige Henkie had gekregen toen die besloot om voortaan het smalle pad der deugd te volgen. Het was een koperen houdertje met uitschuifbaar een keur van sleutelbaarden.

De Cock bekeek het slot en koos met kennersblik de juiste sleutelbaard.

Vledder tikte op zijn rug.

‘Zou je niet eerst bellen?’ vroeg hij afkeurend.

De Cock draaide zich half om.

‘Wij hebben zojuist van mevrouw Van der Vennen het verzoek gekregen haar behulpzaam te zijn om toegang tot haar eigen woning te verkrijgen.’ Het klonk wat spottend. Hij keek schuins hoofdknikkend naar de vrouw.

‘Dat is toch zo?’

Mevrouw Van der Vennen bromde.

‘Dit is mijn woning niet,’ reageerde ze verbeten.

De Cock veinsde ongeloof.

‘De naam van uw man staat naast de deur.’

Mevrouw Van der Vennen gromde kwaadaardig.

‘Het is bedrog,’ siste ze. ‘Puur bedrog.’

De Cock stoorde zich niet aan haar kreet. In enkele seconden had hij de toegangsdeur van het slot en drukte die langzaam open. Voorzichtig, op zijn hoede voor elk gevaar, stapte hij de hal binnen.

Vledder en mevrouw Van der Vennen volgden, botsten in het donker tegen zijn rug.

De Cock liet het licht van zijn zaklantaarn dwalen en begon een speurtocht door de villa. Tot zijn verbazing hingen er wel zware pluchen gordijnen voor de ramen, maar waren de vertrekken verder niet gemeubileerd. Er was zelfs geen bed. Alleen in de keuken stond een tafel met vier stoelen.

De Cock bleef bij de tafel staan. Mevrouw Van der Vennen schoof naar hem toe.

‘De villa,’ fluisterde ze, ‘is niet bewoond.’

Bij de keukendeur gleed haar hand tastend langs de muur naar de schakelaar voor het licht. Toen het aanfloepte, knipperde ze met haar ogen.

De Cock keek haar bestraffend aan.

‘Heb ik u gevraagd om het licht aan te doen?’ vroeg hij streng.

‘De villa is niet bewoond,’ herhaalde ze luider. ‘Het heeft geen zin om langer in het donker rond te scharrelen.’

De Cock bleef wijdbeens staan. Langzaam bewoog hij zijn hoofd van links naar rechts. Zijn scherp gehoor had een zacht geluid opgevangen. Ergens in de villa klonk het gezoem van een generator.

De Cock bracht zijn beide wijsvingers omhoog en hield die bij zijn oren. ‘Doe het licht weer uit,’ gebood hij dwingend. ‘Luister.’

Mevrouw Van der Vennen draaide zich onwillig om en deed het licht uit.

De Cock bleef nog enige tijd staan om de richting van het geluid te bepalen. Toen hij meende te weten waar het vandaan kwam, verliet de oude rechercheur de keuken.

Vledder en mevrouw Van der Vennen volgden in zijn kielzog.

Hij liep terug naar de hal en luisterde opnieuw. In de brede gang naar de inpandige garage was het zachte zoemen heel goed waarneembaar. Het leek op het geluid van een vliegtuig dat van heel ver aanvloog.

Voor de garagedeur ontdekte De Cock in de vloer van de gang een groot vierkant luik. Het was aanmerkelijk groter dan gebruikelijk voor de toegang tot een kruipruimte van een huis.

De oude rechercheur liet het licht van zijn zaklantaarn langs de randen van het luik glijden en bemerkte dat het scharnierend kon worden opgetrokken. Zijn rechterhand omklemde een verzonken hengsel en trok het zware luik omhoog tot het rustte tegen de deur naar de garage. Tot zijn verbazing gaf het luik toegang tot een brede houten trap.

De Cock aarzelde even. De trap was vrij lang en leidde naar een donker gat. De oude rechercheur overwon een gevoel van angst en liet zich langs de trap zakken. Zijn hart pulseerde tot in de toppen van zijn vingers. Stapje voor stapje ging hij omlaag. De houten treden kraakten onder zijn gewicht.

De trap eindigde in een grote ruimte met een betonnen vloer. Het was er kil. De grijze speurder huiverde in zijn regenjas.

Een ogenblik bleef De Cock nahijgend staan en liet de duisternis op zich inwerken. Toen pakte hij zijn zaklantaarn. Het lichtovaal dwaalde door de ruimte. Het belichtte een aantal ovale koepels van dik doorschijnend plexiglas.

Achter hem hoorde hij de treden van de houten trap kraken. De hijgende ademhaling van Vledder en mevrouw Van der Vennen leerde hem dat die twee hem naar de donkere kelder volgden.

De Cock stapte naar links op de eerste koepel af. Vledder en mevrouw Van der Vennen liepen hem achterna. Hun voetstappen klonken hol, weerkaatsten tegen de kale witgesauste muren.

De oude rechercheur liet het ovaal van zijn lantaarn rusten op een verchroomd bedieningspaneel met een reeks zwarte hendels. De grijze speurder boog zich naar voren om de aanwijzingen bij de schakelaars te lezen. Rechts van het midden was een schakelaar met de aanduiding verlichting. Met ingehouden adem wipte De Cock de schakelaar over.

Het koude, steriele licht van een halogeenlamp viel over het gezicht van een oude vrouw. Haar fijnbesneden gelaat zag inbleek… had geen kleur… maar de grauwe sluier van de dood ontbrak.

Haar magere handen lagen gevouwen op haar borst. Onder die gevouwen handen, op haar buik, lag opgerold haar grote zwarte kater.

Vledder ademde in zijn nek.

‘De oude mevrouw Van Borsele,’ hijgde hij. ‘Ik herken haar van de foto. Is… eh, is ze dood?’

De Cock antwoordde niet. Hij liep naar het verchroomde bedieningspaneel van de tweede koepel van plexiglas en trok de schakelaar van het licht over.

In zijn beste jas… met astrakankraagje… en in zijn zondagse pak… grijs met een krijtstreepje… lag sluimerend de oude Martijn Schuitema. Zijn lippen waren geplooid in een stille glimlach van verbazing.

De Cock bleef minutenlang naar hem kijken. Het was alsof hij verwachtte dat de oude man elk moment zijn ogen zou openen om hem aan te staren.

In trance… in een toestand van opperste verwarring, sjokte de grijze speurder naar de derde koepel en beroerde de schakelaar verlichting. Het koele halogeen belichtte het lieve gezichtje van Mariska Scheepers. De jonge vrouw scheen als een modern doornroosje van dromen vervuld te wachten op de prins die haar met een kus zou wekken.

Haar dikke zwarte haar in ponykapsel stak fel af tegen het witte satijn van het kussen waarop haar hoofd rustte.

Haar verschoten spijkerbroek stak slobberig onder haar brede groene jack met GIANTS uit, dat bijna tot haar kin was gesloten.

Vledder stond achter De Cock. Opnieuw gleed de hete adem van de jonge rechercheur langs zijn nek.

‘Zijn ze dood?’

De adamsappel van De Cock danste op en neer.

‘Ingevroren,’ sprak hij toonloos.

Загрузка...