8

Vledder steunde met zijn ellebogen op de elektronische schrijfmachine.

‘Ik heb Egbert Rutjes van de recherche in Purmerend aan de lijn gehad.’

‘Wanneer?’

‘Toen jij boven bij de administratie zat.’

De Cock wreef zich achter in zijn nek.

‘Ik ben samen met Afra Molenkamp de lijst van vermiste personen van de afgelopen jaren eens nagegaan.’ De oude rechercheur schudde zijn hoofd. ‘Tevergeefse moeite. Er zat geen vergelijkbare verdwijning bij.’

Vledder keek hem verwonderd aan.

‘Vermoedde je dat er meer dames op gevorderde leeftijd plotseling van de aardbodem waren verdwenen?’

De Cock schoof zijn onderlip naar voren.

‘Ik wil geen enkele mogelijkheid uitsluiten,’ sprak hij ernstig. ‘Waarom zou een of andere verknipte figuur het niet op oudere dames hebben voorzien. In Amerika lopen de vreemdste seriemoordenaars rond.’

Vledder grijnsde.

‘En wat in Amerika gebeurt waait op den duur ook naar ons over.’

De Cock wuifde het onderwerp weg.

‘Heeft rechercheur Rutjes ter plekke een onderzoek ingesteld?’

‘Ja.’

‘Aanwijzingen?’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘De inbraak was in ieder geval geen subtiel vakwerk volgens het recept van Handige Henkie. De deur van het flatje was met veel ruw geweld opengewrikt. Verbrijzelde sponningen.’

‘Geklungel van een amateur.’

Vledder knikte.

‘Het flatje van de oude mevrouw Van Borsele was grondig doorzocht. Volgens rechercheur Rutjes was er een enorme ravage aangericht. Alle kasten en laden waren overhoopgehaald. Haar spulletjes lagen overal door het flatje verspreid.’

‘Sporen?’

‘Er zijn wel vingerafdrukken gevonden, maar die staan niet geregistreerd.’

De Cock grijnsde.

‘En nu de oude mevrouw Van Borsele spoorloos van de aardbodem is verdwenen, valt er niet vast te stellen of er iets wordt vermist.’

Vledder knikte.

‘Rechercheur Rutjes vroeg of wij familieleden kenden, die namens de oude mevrouw Van Borsele aangifte van de inbraak wilden doen en bereid waren om op korte termijn de schade te laten herstellen… een nieuwe deur, sponningen en een nieuw slot.’

‘Wat heb je gezegd?’

‘Dat ik hem terug zou bellen.’

‘En?’

Vledder maakte een hulpeloos gebaar.

‘Ik heb mij in verbinding gesteld met Roderick van Borsele. Dat leek mij het beste. Ik heb eerst dat fileerbedrijf van hem in IJmuiden gebeld. Daar was hij niet. Ik trof hem thuis.’

‘Wat zei hij?’

‘Roderick van Borsele was woest… in alle staten. Of wij dat flatje van zijn moeder in Purmerend niet hadden laten bewaken… of wij überhaupt nog iets aan het verdwijnen van zijn moeder deden… of we al resultaten hadden geboekt.’

De Cock keek hem met gefronste wenkbrauwen aan.

‘Hoe reageerde jij?’

Vledder trok zijn gezicht in een ernstige plooi.

‘Ik wilde hem eerst vriendelijk en onderdanig zeggen dat wij wel degelijk ons best hadden gedaan… dat wij sinds zijn melding bijna onafgebroken aan de verdwijning van zijn moeder hadden gewerkt. Toen dacht ik opeens: Barst, vent!’

De Cock schonk hem een blijde glimlach.

‘Een spontane gedachte.’

Vledder knikte nadrukkelijk.

‘Ben je alle vezels in je lijf bezig om dat mens op te sporen en dan…’

De Cock onderbrak hem.

‘Wat heb je gedaan?’

Vledder snoof.

‘Ik heb hem ontboden… botweg gezegd dat hij onmiddellijk naar ons bureau aan de Warmoesstraat moest komen voor overleg.’

De Cock lachte vrijuit.

‘Dick,’ sprak hij glunderend, ‘je wordt steeds beter.’

Vledder kleurde.


In zijn wijde mosgroene houtje-touwtje-jas liep Roderick van Borsele in de grote recherchekamer met een slepende tred op De Cock toe.

‘Welke idioot heeft er bij het flatje van mijn moeder ingebroken?’ riep hij kwaad.

De Cock antwoordde niet. Hij gebaarde naar de stoel naast zijn bureau.

‘Gaat u zitten.’

Roderick van Borsele friemelde zijn jas los en liet zich op de stoel zakken.

‘Welke idioot,’ herhaalde hij iets kalmer, ‘heeft bij mijn moeder ingebroken?’

De Cock stak zijn handen afwerend omhoog.

‘Ik weet niet of het een idioot was. Ik ken de motieven van de inbreker niet. Ik weet niet waarnaar de inbreker heeft gezocht.’

‘Dat oude mens heeft nooit geld in huis,’ bromde Roderick hoofdschuddend. ‘Nog geen stuiver. Haar boodschappen betaalt ze met haar pincode. En als iemand per se in haar flatje had willen rondneuzen, dan had hij de sleutel bij mij kunnen ophalen.’

Het klonk cynisch.

De Cock negeerde de opmerking.

‘Nu uw moeder,’ sprak hij ambtelijk, ‘de officiële bewoonster van de flat, niet aanwezig is, bent u bereid om namens haar aangifte van inbraak te doen… de schade aan deuren, sloten en sponningen te laten herstellen?’

Roderick van Borsele knikte.

‘Doe ik aangifte bij u?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Rechercheur Rutjes van de recherche in Purmerend behandelt de inbraak. Het lijkt mij beter dat u zich met hem in verbinding stelt.’

‘Waarom?’

De Cock zuchtte.

‘Ik vrees anders moeilijkheden met de recherche van Purmerend. Wij waren gisteren al op verboden terrein. Wij hebben in hun territorium een onderzoek ingesteld.’

Roderick van Borsele keek hem ongelovig aan.

‘Mag dat niet?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘In wezen had ik de zaak van uw verdwenen moeder niet in behandeling mogen nemen.’

De mond van Roderick van Borsele zakte half open.

‘Laat u de zaak vallen?’

De Cock keek met een verholen blik in de richting van Vledder en slikte.

‘Wij… eh, wij zullen het onderzoek naar uw moeder voortzetten.’

Roderick van Borsele knikte hem dankbaar toe.

‘Daar ben ik blij om. Naar mijn mening bent u de enige die…’

De Cock maakte een afwerend gebaar.

‘Gisteravond kregen wij bezoek van Mariska… Mariska Scheepers. Zij vertelde ons dat zij zich eerst bij u had gemeld en dat u haar had aangeraden om zich met ons in verbinding te stellen.’

Roderick van Borsele toonde enige onrust.

‘Mariska,’ formuleerde hij voorzichtig, ‘is een moeilijk kind… in het begin van haar puberteit… een meisje dat al sinds haar jongste jaren zo grondig door haar grootmoeder is verwend, dat zij voor haar eigen moeder onhandelbaar is geworden.’

De Cock strekte zijn hand naar hem uit.

‘Wat denkt u van haar verhaal?’

Roderick van Borsele verschoof iets op zijn stoel.

‘Het… eh, het is voor mij zo moeilijk,’ antwoordde hij hakkelend.

‘Wat?’

‘Haar geloofwaardigheid vast te stellen. Daarom heb ik haar naar u gestuurd.’

De Cock boog zich iets naar hem toe.

‘U hebt toch wel enig inzicht in het gedrag van uw eigen broer en zus?’

Roderick van Borsele maakte een hulpeloos gebaar.

‘Ik zeg altijd, dat mijn vader op het moment van mijn verwekking zijn beste kruit had verschoten. De latere producten zijn van mindere kwaliteit.’

De Cock lachte.

‘Dat klinkt grappig, maar het is geen antwoord op mijn vraag.’

Roderick van Borsele zuchtte.

‘Ik schat ze niet zo hoog. Ik heb ook weinig contact met ze. Als kind trokken die twee al nauw met elkaar op… hielden mij buiten hun activiteiten.’

De Cock keek hem strak aan.

‘De beschuldigingen van Mariska lijken mij ernstig genoeg. Het kind is totaal in de war. Ze verdenkt haar eigen moeder en haar oom Rigobert ervan, dat zij beiden haar grootmoeder hebben laten verdwijnen.’

Roderick van Borsele staarde voor zich uit.

‘Mariska is erg op haar oma gesteld.’

‘Wat denkt u van haar beschuldiging?’

Roderick van Borsele verschoof iets op zijn stoel.

‘Rolandina en Rigobert zijn beiden geldwolven… aasgieren. Dat hebben ze al bewezen bij de afwikkeling van de nalatenschap van onze vader. Ze hebben moeder toen letterlijk het huis uitgezet.’

Hij schudde zuchtend zijn hoofd.

‘Maar het idee, dat zij omwille van moeders nalatenschap het zieke oude mens zouden hebben gegijzeld, wijs ik van de hand. Daarin kan ik niet geloven.’

De Cock keek hem schuins aan.

‘Wist u dat uw broer Rigobert ergens op de Wallen een sekstent exploiteert?’

Roderick van Borsele knikte.

‘Een paar maanden geleden kreeg ik een uitnodiging van mijn broer om de opening van zijn nieuwe zaak bij te wonen. Toen ik op het vermelde adres kwam, bleek het een ordinaire hoerenkast te zijn.’

De Cock gniffelde.

‘U was zijn eerste klant?’

Roderick van Borsele keek hem vernietigend aan.

‘Een ongepaste opmerking.’

De Cock maakte een verontschuldigend gebaar.

‘Het was als grapje bedoeld.’

Roderick van Borsele schudde zijn hoofd.

‘Ik ben niet naar binnen gegaan. Rigobert heeft feitelijk nooit gedeugd, maar dat hij nog eens een hoerenkast zou beginnen…’

‘Met geld van uw moeder.’

Roderick van Borsele keek geschokt op.

‘Geld van moeder?’

De Cock knikte.

‘Ze heeft hem geld geleend zonder dat ze wist waarvoor Rigobert dat nodig had.’

De donkere ogen van Roderick van Borsele sperden wijd open en op de bruingetinte huid van zijn gezicht lagen roze koortsblosjes.

‘De schuldbekentenis,’ sprak hij toonloos. ‘Moeder leende nooit geld zonder schuldbekentenis.’ Hij strekte zijn hand bevend naar De Cock uit. ‘Die inbraak in de flat van moeder… broer Rigobert heeft naar zijn schuldbekentenis gezocht.’


Toen Roderick van Borsele was vertrokken, viel er een stilte. Beide rechercheurs overdachten de nieuwe verwikkelingen. De stilte was niet intens. Van buiten drong het straatrumoer de recherchekamer binnen. Het toeteren van auto’s, flarden muziek en het krijsen van een jonge hoer.

Vledder greep met zijn handen naar zijn hoofd.

‘Wat een wespennest.’

De Cock keek naar hem op.

‘Wil je ermee stoppen?’

De jonge rechercheur schudde zijn hoofd.

‘Ik denk er niet aan,’ sprak hij ferm. ‘Dat komt onze eer te na. Ik wil nu weten hoe het zit.’

Hij blikte schuin omhoog naar de grote klok boven de toegangsdeur.

‘Straks gaan we opnieuw naar Purmerend. Achttien-uur-vijfenveertig. Wij maken dat treinreisje van Purmerend-Overwhere naar Enkhuizen. Misschien dat het geluk ons eindelijk eens toelacht.’

De Cock knikte.

‘Iemand moet de oude mevrouw Van Borsele toch met haar kat hebben gezien. Misschien heeft iemand met haar in dezelfde coupé gezeten.’

Vledder wreef zich over zijn kin.

‘Wat doen we met de beschuldiging van Roderick van Borsele?’

‘Je bedoelt, dat zijn broer Rigobert in het flatje van zijn moeder naar een schuldbekentenis heeft gezocht… en die misschien heeft gevonden?’

Vledder knikte.

‘Dat is toch inbraak.’

De Cock trok een somber gezicht.

‘Ik had het wel verwacht. Roderick van Borsele beroept zich op zijn verschoningsrecht. Rigobert, zijn broer, is een bloedverwant in de tweede graad. Hij weigert een verklaring tegen hem af te leggen. En dat is zijn goed recht.’

Vledder maakte een wrevelig gebaar.

‘Kunnen we dan helemaal niets met de uitspraak van Roderick van Borsele doen?’

De Cock vouwde zijn handen.

‘De enige mogelijkheid die wij nog hebben,’ verzuchtte hij, ‘is de oude mevrouw Van Borsele vinden. Ik ben ervan overtuigd dat zij wel een klacht tegen haar zoon Rigobert zal indienen.’

‘En als wij Rolandina benaderen?’

De Cock grijnsde.

‘Verwacht jij dat zij iets tegen haar broer Rigobert zal ondernemen?’

Vledder maakte een moedeloos gebaar. Hij boog zich naar voren en keek De Cock onderzoekend aan.

‘Heb jij nog geen moeie voeten?’

De Cock lachte vrijuit.

‘Daar ben ik blijkbaar nog niet aan toe. Maar als het zover is…’

De grijze speurder maakte zijn zin niet af. Er werd zachtjes op de deur van de recherchekamer geklopt en Vledder riep: ‘Binnen!’

De deur ging langzaam open en in de deuropening verscheen de gestalte van een kleine, gedrongen vrouw. De Cock schatte haar op voor in de veertig. Ze droeg een lange vormloze mantel van grijze tweed. Weerbarstig peenkleurig haar plukte vanonder een witzijden hoofddoekje.

Ze trok het doekje van haar hoofd en slofte op haar korte laarsjes naderbij.

‘Ik kom uit Purmerend,’ sprak ze met een zangerig West-Fries accent. ‘Ik ben daar bij de politie geweest, maar ik had niet de indruk dat ze veel belangstelling hadden.’

De Cock kwam overeind. Glimlachend wees hij naar de stoel naast zijn bureau.

‘Gaat u zitten.’

De vrouw nam plaats en knoopte haar mantel los.

‘Ze hebben nauwelijks naar mij geluisterd.’

De Cock liet zich weer in zijn stoel zakken.

‘Wie bent u?’ vroeg hij vriendelijk.

Ze schoof een pluk haar uit haar gezicht.

‘Evelien… Evelien van Ursum.’

De grijze speurder toonde haar zijn beminnelijkste glimlach en boog zijn hoofd op en neer.

‘Mijn naam is De Cock. De Cock… met ceeooceekaa.’ Hij gebaarde recht voor zich uit. ‘En dat is mijn jonge collega Vledder.’

De blik van Evelien van Ursum verhelderde.

‘De Cock, ja, die moet ik net hebben.’

De oude rechercheur trok zijn wenkbrauwen op.

‘U moet mij hebben?’

Evelien van Ursum knikte.

‘Oom Martijn heeft het over u gehad. Hij was bij u geweest. Hier aan de Warmoesstraat.’

De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.

‘Oom Martijn… Martijn Schuitema?’

Evelien van Ursum glimlachte.

‘Precies… oom Martijn. Hij was bij u in verband met het verdwijnen van Maria.’

‘Mevrouw Van Borsele?’

Evelien van Ursum wees voor zich uit.

‘Zo heet ze… mevrouw Van Borsele. Oom Martijn scharrelde een beetje met haar.’

‘Scharrelen?’

Evelien van Ursum wiebelde op haar stoel.

‘Nou ja… scharrelen is misschien niet zo’n goed woord. Ze hielden het met elkaar… hadden zelfs trouwplannen.’

De Cock boog zich iets naar haar toe.

‘Wat… eh, wat weet u van die trouwplannen?’

Evelien van Ursum grinnikte.

‘Dat heeft oom Martijn mij verteld. Ik kom een paar maal in de week even bij hem in zijn flatje om het schoon te houden. Als je zo’n oude man alleen laat rommelen… komt hij om in zijn vuil.’

De Cock gniffelde.

‘En dat wilt u niet.’

Evelien van Ursum schudde haar hoofd.

‘Oom Martijn is het enige nog levende familielid van mij… broer van mijn moeder.’

De Cock keek haar nadenkend aan.

‘Waarom ging u naar de politie in Purmerend?’

‘Om het te melden.’

‘Wat?’

‘Dat hij weg is.’

De Cock keek haar niet-begrijpend aan.

‘Oom Martijn is weg?’ vroeg hij ongelovig.

Evelien van Ursum knikte nadrukkelijk.

‘Verdwenen. Ik heb een sleutel van zijn flat… voor het geval hij er niet is. Maar meestal is hij er wel. Ik kwam vanmiddag en belde. Niemand deed open. Toen ben ik met mijn sleutel naar binnen gegaan.’

‘En?’

‘Hij was er niet.’

De Cock trok zijn schouders iets op.

‘Misschien even een boodschap doen?’ opperde hij voorzichtig.

Evelien van Ursum schudde haar hoofd.

‘Ik heb een paar uur op hem zitten wachten. Hij kwam niet. Toen ben ik wat gaan neuzen en ik ontdekte dat zijn bed niet was beslapen. Het lag er nog net zo bij als toen ik het een dag tevoren had opgemaakt.’

De Cock kauwde nadenkend op zijn onderlip.

‘Zijn parkietje… lichtblauw met een witte bef met zwarte stippen?’

‘Dat zat er… zoals altijd op de rand van de staande schemerlamp. Ik heb wel eens tegen oom Martijn gezegd: dat moet je niet toestaan. Dat beest schijt de hele zijden kap onder.’

De Cock glimlachte.

‘En de krant… lag die er?’

Evelien van Ursum schudde haar hoofd.

‘Die was er niet. Ik ben wezen kijken. Hij had hem niet uit de brievenbus gehaald.’ Ze verschoof op haar stoel en boog zich vertrouwelijk naar De Cock. ‘En dan was er nog iets geks.’

‘Wat?’

‘In de badkamer, op de spiegel, stonden woorden.’

De Cock voelde de spanning in zich tintelen.

‘Woorden?’ vroeg hij hees.

Evelien van Ursum knikte.

‘Ik ben niet dood.

Kom naar mij kijken.

Maria.’

Загрузка...