4

Ze reden met hun Golf uit het Reigerspark in Purmerend weg. Vledder hield de snelheid laag… reed bijna stapvoets. Hij duimde over zijn schouder.

‘Rolandina Scheepers woont met man en kinderen in een mooi huis.’ In zijn stem trilde bewondering. ‘Ik schat dat stulpje op minstens vier ton.’

De Cock glimlachte.

‘Misschien is het een huis met gouden balken.’

Vledder keek hem verrast aan.

‘Gouden balken?’ vroeg hij niet-begrijpend.

De Cock knikte.

‘Zo noemde men dat vroeger als er een zware hypotheek op een huis rustte.’

Vledder fronste zijn wenkbrauwen.

‘Je bedoelt, dat de familie Scheepers ondanks dat mooie huis in het Reigersbos best in financiële moeilijkheden kan verkeren?’

‘Precies.’

Vledder grijnsde.

‘En dat een bevrijdend erfenisje van moeder Van Borsele hartelijk welkom zou zijn?’

De Cock knikte instemmend.

‘Misschien rekenen ze daar in stilte wel op.’

Vledder grinnikte.

‘In stilte? Volgens mij hebben ze de buit al verdeeld.’

De Cock trok een bedenkelijk gezicht.

‘Als moeder Marrigje Catharina van Borsele,’ sprak hij traag, ‘nog kort voor haar dood in gemeenschap van goederen trouwt met haar vriend Martijn Schuitema, dan lopen Rolandina en haar beide broers door dat huwelijk aardig wat duiten mis.’

Vledder keek hem van terzijde aan.

‘Wil je geloven,’ sprak hij ernstig, ‘dat ik dat in stilte hoop?’

De Cock lachte.

‘Waarom?’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Ik vind die Rolandina Scheepers een onuitstaanbaar mens. Verschrikkelijk. Ik ben blij dat ik niet zo’n zuster heb. Wat een creatuur.’

De Cock grinnikte.

‘Vrouwen zijn óf engelen óf hellevegen… iets daartussen ken ik niet.’

De jonge rechercheur blikte opzij.

‘Ik heb je bewonderd. Je bleef zo vriendelijk tegen haar. Ik zat op hete kolen. Als ik het verhoor had geleid, dan had dat zeker een klacht opgeleverd.’

De Cock schoof zijn onderlip vooruit.

‘Ze was in ieder geval openhartig.’

Vledder klemde zijn lippen op elkaar.

‘Ik acht haar er toe in staat,’ reageerde hij fel, ‘om haar oude moeder stiekem te ontvoeren, zodat ze niet met die Martijn Schuitema kan trouwen.’

De jonge rechercheur zweeg even. Ineens keek hij De Cock met grote ogen aan.

‘Dat is het… dat is het motief.’

‘Waarvoor?’

Vledder gebaarde heftig.

‘Voor het spoorloos verdwijnen van moeder Van Borsele,’ riep hij opgewonden. ‘Ze wordt ergens vastgehouden tot de voortschrijdende kanker zijn vernietigend werk heeft gedaan.’

De Cock knikte traag voor zich uit.

‘Ik begrijp je,’ sprak hij somber. ‘Een dode moeder Van Borsele kan niet meer trouwen en haar gehele vermogen blijft in de familie.’

Het gezicht van Vledder werd rood van emotie.

‘Er zijn er maar twee die er belang bij hebben dat moeder Van Borsele ongehuwd blijft: die Rolandina en haar broer Rigobert.’

De Cock draaide zich half naar hem toe.

‘Jij sluit broer Roderick uit?’

Vledder knikte.

‘In tegenstelling tot Rolandina is Roderick erg op zijn moeder gesteld. Hij praat ook heel anders over haar. Bovendien heeft Roderick haar geld niet nodig. Hij heeft een groot bedrijf.’

De Cock kauwde op zijn onderlip.

‘Wat voor een bedrijf?’

Vledder trok zijn schouders op.

‘Dat weet ik niet.’

De Cock wreef zich in zijn nek.

‘Informeer eens hoe rendabel zijn bedrijf is. Als ook hij een fikse financiële injectie heel goed kan gebruiken, dan mogen wij hem niet uitsluiten.’

Vledder knikte begrijpend.

‘Maar Roderick,’ ging hij onverstoord verder, ‘was van de drie kinderen van moeder Van Borsele de enige die er op tegen was, dat omwille van de erfenis haar kapitale villa in het Gooi werd verkocht.’

‘Dat pleit voor hem.’

‘Dat bedoel ik. Hij is volgens mij niet zo’n aasgier als zijn zuster Rolandina.’

De Cock kauwde nadenkend op zijn onderlip.

‘De moeilijkheid voor ons is, dat men zo’n ziek oud mens overal kan verstoppen… in een kamertje, een zomerhuis, een boot, een caravan.’

Vledder knikte instemmend.

‘Dat lijkt mij inderdaad vrij eenvoudig. De oude mevrouw Van Borsele zal de kracht en inzet missen om zichzelf te bevrijden.’

De Cock staarde voor zich uit.

‘Monsterlijk, als het waar is.’

Vledder klapte uit pure woede met zijn vuist op het stuur. Zijn neusvleugels trilden.

‘Ik geef op dit moment,’ brieste hij, ‘de helft van mijn maandsalaris voor een ogenblikkelijk bevel tot huiszoeking in dat stulpje van die Rolandina Scheepers in het Reigersbos.’

De Cock schudde afkeurend zijn hoofd.

‘Je moet je in dergelijke zaken nooit door je emoties laten leiden.’

Vledder liet de woede uit zich wegzakken. Hij parkeerde de Golf aan de rand van de weg en plukte een notitie uit het borstzakje van zijn colbert.

‘Gaan we nu naar de Schippersstraat?’

‘Wat is daar?’

Vledder gebaarde voor zich uit.

‘Daar woont die Rigobert. Als ik het goed heb begrepen… aan het water van de Where.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ik heb,’ verzuchtte hij, ‘voor vandaag aan die Rolandina genoeg van de familie Van Borsele. Ik stel voor dat wij nu naar dat flatgebouw aan de Burgemeester D. Kooimanweg gaan. Ik ben er vrijwel zeker van dat Martijn Schuitema een sleutel heeft van de flat van zijn vriendin. Zo intiem schat ik de relatie wel. Misschien vinden we daar een spoor… een aanwijzing die enig licht werpt op haar verdwijning.’

De grijze speurder staarde even peinzend voor zich uit.

‘Bovendien heeft onze Martijn Schuitema ons vanmorgen helemaal niet verteld dat hij trouwplannen had met zijn Maria.’


Martijn Schuitema liet zijn hoofd iets zakken.

‘Het is juist,’ antwoordde hij beschaamd. ‘Ik heb er met u niet over gesproken. Ik dacht niet dat het terzake deed. Maar Maria en ik hadden inderdaad trouwplannen. Ik heb haar formeel ten huwelijk gevraagd. En ze leek heel erg blij met mijn aanzoek.’

De Cock keek hem schuins aan.

‘Leek?’

Martijn Schuitema knikte.

‘We hadden al een trouwdag vastgesteld… uitgezocht wat wij die dag zouden dragen… toen Maria plotseling met bezwaren kwam. Als je met mij trouwt, zei ze, ben je binnen de kortste keren opnieuw weduwnaar. Je weet dat ik niet lang meer te leven heb.’

De Cock plukte aan zijn onderlip.

‘Dat klinkt redelijk,’ sprak hij instemmend. ‘Hoe reageerde u?’

Martijn Schuitema ademde diep.

‘Ik zei dat haar ziekte voor mij geen enkel verschil maakte. Ik ben een ouderwets man… misschien niet meer van deze tijd. Ik ben nog behept met de romantische gedachte, dat het onze opgave is om een ander gelukkig te maken.’

De Cock knikte hem bemoedigend toe.

‘Een nobele gedachte.’

Martijn Schuitema spreidde zijn beide handen.

‘Ik zag een huwelijk tussen Maria en mij als de bevestiging van onze liefde voor elkaar.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Golden haar bezwaren alleen haar ziekte?’

Martijn Schuitema maakte een hulpeloos gebaar.

‘Aanvankelijk wel. Later bleek dat ook haar kinderen een bezwaar vormden.’

‘Hoezo?’

‘Die wilden niet dat Maria nog eens in het huwelijk trad.’

De Cock keek hem onderzoekend aan.

‘Vanwege de erfenis?’

Martijn Schuitema knikte.

‘Maria bezit een vermogen. Ze heeft mij nooit precies verteld hoe groot dat vermogen is, maar alleen al haar pakket aandelen vormt een indrukwekkend kapitaal.’ Hij zwaaide om zich heen. ‘Ze zou een veel grotere staat kunnen voeren dan zo’n nietig flatje aan de Burgemeester D. Kooimanweg in Purmerend.’

‘Beheerde ze dat geld alleen?’

Martijn Schuitema knikte nadrukkelijk.

‘Maria is heel kien… beslist geen achterlijk oud vrouwtje. Zij verbaast mij altijd met haar zakelijk inzicht.’

De Cock hield zijn hoofd iets schuin.

‘Leefde ze zo bescheiden om haar kinderen een grotere erfenis te kunnen nalaten?’

Martijn Schuitema schudde zijn hoofd.

‘De verhouding tussen Maria en haar kinderen Rigobert en Rolandina was niet zo best. Die twee waren bang dat zij een groot deel van hun erfenis zouden kwijtraken bij een huwelijk tussen Maria en mij.’

‘Was die vrees ongegrond?’

‘Hoe bedoelt u?’

‘Waren Maria en u van plan om in gemeenschap van goederen te trouwen, zodat u van haar vermogen zeker de helft en een kindsdeel zou afsnoepen?’

Martijn Schuitema schudde zijn hoofd.

‘Dat is in het geheel niet mijn bedoeling… nooit geweest. Ik ben niet, zoals Rigobert en Rolandina steeds beweren, op haar geld uit.’

De Cock stak zijn rechterhand naar hem uit.

‘Het verwondert mij niets,’ sprak hij achteloos, ‘dat men zo denkt.’

Martijn Schuitema leunde iets achterover in zijn fauteuil.

‘Ik ben bijna veertig jaar als ingenieur in dienst geweest van een groot bouwbedrijf. Ik heb een redelijk pensioen… kan mij er best mee redden… zelfs met Maria tot mijn last.’

‘Hebt u dat aan de kinderen uitgelegd?’

‘Zeker.’

‘En?’

Martijn Schuitema schudde zijn hoofd.

‘Ze geloven mij niet. Ze zien in mij nog steeds een soort goudzoeker… een huwelijkszwendelaar. Roderick is best een aardige jongen, maar die andere twee waren soms zeer beledigend.’

‘En dat verdroeg u?’

Martijn Schuitema maakte een hulpeloos gebaar.

‘Ik heb Maria voorgesteld om naar een notaris te gaan om te laten vastleggen dat bij een huwelijk tussen Maria en mij haar kinderen bij de dood van hun moeder toch alles zouden erven.’

De Cock keek hem ongelovig aan.

‘U wilt niets van uw toekomstige vrouw erven?’

‘Absoluut niet. In ben niet geïnteresseerd in haar geld… alleen in haar… Maria.’

De Cock beluisterde de toon.

‘Bent u beiden naar een notaris gegaan?’

Martijn Schuitema schudde zijn hoofd.

‘Dat wilde Maria niet.’

De Cock reageerde verrast.

‘Wat wilde Maria niet?’

‘Dat haar kinderen… dus ook Rigobert en Rolandina… haar hele vermogen zouden erven.’

De Cock keek hem verwonderd aan.

‘Waarom niet?’

Martijn Schuitema zuchtte.

‘Het is een oud zeer. Rigobert en Rolandina hebben Maria na het overlijden van hun vader ronduit slecht behandeld. Ze hebben haar als het ware haar huis uitgejaagd. Maria bezat een kapitale villa in het Gooi. Om aan de erfrechten van die twee te voldoen, moest ze haar huis verkopen. Maria was heel erg aan die villa gehecht. Die verkoop heeft haar veel pijn gedaan.’

‘En sindsdien is er een verwijdering.’

‘Precies.’

De Cock boog zich iets naar voren.

‘Toch begrijp ik het niet,’ sprak hij geduldig. ‘Als Maria niet wilde dat haar kinderen Rigobert en Rolandina haar gehele vermogen zouden erven, waarom stapte ze dan niet gezellig aan uw arm naar het stadhuis en trouwde met u in gemeenschap van goederen?’

Martijn Schuitema antwoordde niet direct. Hij verborg zijn gezicht in zijn handen. Het duurde enige tijd voor hij zich weer had hervonden.

‘Maria… Maria was bang… doodsbang.’

‘Voor wie?’

Martijn Schuitema keek naar hem op. Zijn handen trilden en in zijn helblauwe ogen lag een hulpeloze blik.

‘Rolandina en Rigobert… ze dreigden haar en mij te vermoorden als wij het zouden wagen om samen een huwelijk aan te gaan.’


Vledder startte de motor van de Golf en reed van het flatgebouw weg.

‘Gaan we terug naar Amsterdam?’

‘Ja.’

Het gezicht van de jonge rechercheur zag rood.

‘Wat een ellendelingen,’ siste hij.

De Cock glimlachte.

‘Je bedoelt broer en zus… Rigobert en Rolandina.’

‘Precies. Hoe haal je het in je hoofd om een paar oude mensen zo onder druk te zetten? Die twee zijn van de ratten besnuffeld.’

De Cock klikte zijn veiligheidsgordel vast.

‘Als men op Urk van iemand zegt dat hij of zij best een aardig mens is, dan volgt steevast de vraag: Heb je wel eens met hem of haar geërfd?’

‘Waarom?’

‘Urkers zijn realisten. Zij weten dat juist bij het verdelen van erfenissen in de mens de boosaardigste eigenschappen losbarsten.’

Vledder nam even zijn handen van het stuur.

‘Dat kan wel waar zijn,’ sprak hij heftig gebarend, ‘maar dit grenst toch aan het ongelooflijke. Het liefst zou ik die Rolandina en Rigobert… wat een namen… zo achter slot en grendel zetten.’

De Cock keek hem van terzijde aan.

‘Op basis waarvan?’

Vledder grinnikte vreugdeloos.

‘Dreigen met geweld is toch strafbaar? Dit… eh, dit is misdadig.’

De Cock knikte.

‘Maar hoe wil je het bewijzen? Voorlopig hebben we alleen de verklaring van die Martijn Schuitema. En dat is onvoldoende.’

Vledder gebaarde heftig.

‘Rolandina heeft toch gezegd: “van dat huwelijk komt niets… al moeten we haar ontvoeren.” ’

‘Is dat strafbaar?’

Vledder zuchtte.

‘Alles bijeen… het verdwijnen van de oude mevrouw Van Borsele… de uitlatingen van haar dochter Rolandina en de verklaring van Martijn Schuitema… is er toch sprake van een redelijke bewijslast?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ik denk niet dat je een officier van justitie bereid vindt om op die basis iets te ondernemen.’

Vledder blikte opzij.

‘We kunnen het toch proberen?’ riep hij geëmotioneerd. ‘Ik ben onmiddellijk bereid om naar het Reigersbos terug te rijden om die Rolandina Scheepers bij haar kladden te vatten.’

De Cock trok gelaten zijn schouders op.

‘Wat heb ik aan een arrestatie als ik die twee na een enkel telefoontje met justitie weer moet laten lopen?’

Vledder maakte een gebaar van wanhoop.

‘Wat moeten we dan?’

De Cock liet zich iets onderuitzakken.

‘De oude mevrouw Van Borsele vinden,’ antwoordde hij kalm. ‘Met haar verklaring erbij, zie ik wel mogelijkheden.’

Vledder trok een bedenkelijk gezicht.

‘Impossibilium nulla obligatio est.’

De Cock keek zijn jonge collega verrast aan.

‘Sinds wanneer doe jij iets aan Latijn?’

Vledder grijnsde.

‘Sinds jij met Latijnse teksten schermt.’

‘Weet je wat het betekent?’

Vledder knikte.

‘Impossibilium nulla obligatio est… tot het onmogelijke kan niemand worden verplicht. Het vinden van de oude mevrouw Van Borsele is als het zoeken naar een naald in een hooiberg.’

Een tijdlang reden ze zwijgend voort. Toen ze Het Schouw voorbij waren en de IJtunnel in zicht kwam, drukte De Cock zich weer omhoog.

‘Heb jij in het flatje van de oude mevrouw Van Borsele nog aanwijzingen gevonden?’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Ik heb niets aangetroffen wat voor ons onderzoek van belang leek.’ De jonge rechercheur tastte naar de binnenzak van zijn colbert. ‘Op het dressoir stond een foto van een bejaarde vrouw. Die heb ik uit de lijst genomen en aan Martijn Schuitema laten zien. Volgens hem was het een foto van zijn Maria.’

De Cock glimlachte.

‘Je begint het vak te leren.’ Hij nam de foto van hem over. ‘Een knappe oude dame,’ stelde hij vast. De oude rechercheur bekeek de achterkant. ‘Het kiekje is van vorig jaar.’

De Cock borg de foto in zijn eigen binnenzak op.

‘Ben je ook in haar badkamer geweest?’

Vledder blikte opzij.

‘Daar was jij toch?’

De Cock knikte.

‘Ik had als kind al de neiging om wanneer ik langs een spiegel kwam, naar mijn evenbeeld te kijken. Mijn vader vond dat irritant en schreef met een stuk toiletzeep op alle spiegels in ons huis: memento mori… gedenk te sterven.’

‘Onaardig.’

De Cock glimlachte.

‘Ik moest aan hem denken toen ik in de badkamer van de oude mevrouw Van Borsele op de spiegel boven de wastafel een met zeep geschreven tekst las.’

Vledder keek hem gespannen aan.

‘Wat voor een tekst?’

De Cock antwoordde niet direct. Hij stak zijn hand in een zijzak van zijn regenjas en toonde Vledder een sleutel.

‘Van de flat van mevrouw Van Borsele,’ verduidelijkte hij. ‘Die heb ik Martijn Schuitema afgenomen.’

‘Waarom?’

‘Ik wil dat Bram van Wielingen, onze fotograaf, morgen een plaat van die spiegeltekst maakt.’

Vledder reageerde ongeduldig.

‘Wat voor een tekst?’ herhaalde hij dwingend.

De Cock draaide zich iets naar hem toe.

Roderick heeft gelijk, stond er in een fors handschrift, de hemel kan wachten.’

Загрузка...