Toen De Cock in de grote recherchekamer terugkwam, schoof Vledder de schrijfmachine van zich af en keek hem schuins onderzoekend aan.
‘Ben je weer weggestuurd?’ vroeg hij dwingend.
De Cock knikte, een brede grijns op zijn gezicht.
‘Die man leert het nooit,’ sprak hij hoofdschuddend. ‘Hij lokt mij eerst uit om iets onaardigs tegen hem te zeggen en als ik dat dan uiteindelijk doe, stuurt hij mij zijn kamer af.’
Vledder zwaaide afwerend. ‘Volgens mij doe je het met opzet… schep jij er een kinderlijk behagen in om die man dwars te zitten. Ik kan mij niet herinneren dat jij ooit een normaal gesprek met de commissaris hebt gevoerd.’
De Cock grinnikte jongensachtig.
‘Je hebt gelijk. Het wordt altijd heibel.’
Vledder maakte een misnoegd gebaar.
‘Twee volwassen mensen, die elkaar al tientallen jaren kennen…’
De jonge rechercheur maakte zijn zin niet af.
De grijze speurder liet zich in zijn stoel zakken.
‘Hij moet zich ook niet met mijn zaken bemoeien,’ riep hij geprikkeld. ‘Dat moet hij toch onderhand weten. Ik meen, dat ik in mijn lange carrière als rechercheur genoegzaam heb bewezen in staat te zijn om mijn onderzoeken succesvol af te ronden… zonder zijn inmenging.’
Vledder zuchtte.
‘Hij is jouw directe chef,’ formuleerde hij braaf, ‘commissaris van dit bureau en medeverantwoordelijk voor jouw gedrag.’
De Cock keek hem aan in de mening dat hij schertste. Maar het gezicht van de jonge rechercheur stond ernstig.
De grijze speurder ademde diep.
‘Hij moet mij mijn gang laten gaan,’ sprak hij. ‘Ik heb zijn toezicht niet nodig. Daar word ik alleen maar narrig van.’
Vledder negeerde de opmerking.
‘Wat was er met die declaratie?’
De Cock keek op. ‘Heb jij die treinkaartjes gedeclareerd?’
Vledder knikte. ‘Die hoeven wij toch niet uit eigen zak te betalen!’
In zijn stem trilde verontwaardiging.
De Cock trok een grimas. ‘Commissaris Buitendam deed er nogal neerbuigend over. Hij sprak van speelse treinreisjes van Purmerend naar Enkhuizen… vice versa.’
Vledder keek hem verwonderd aan.
‘Zei hij dat? Speelse treinreisjes?’
De Cock knikte.
‘Alsof ik voor mijn plezier in een boemeltje ga zitten.’
Vledder boog zich ver over zijn schrijfmachine heen. Het gezicht van de jonge rechercheur glunderde.
‘Ik heb een verrassing voor je,’ sprak hij geheimzinnig.
De Cock keek hem argwanend aan.
‘Een aangename?’
‘Terwijl jij bij commissaris Buitendam was, ben ik gebeld door een vrouw… een vrouw uit Stede Broec.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Stede Broec? Dat ligt toch in West-Friesland, pal voor Enkhuizen?’
Vledder knikte en raadpleegde de aantekeningen voor zich op zijn bureau.
‘Ze heet Agatha van Kapelle… is zevenendertig jaar… woont in Stede Broec. Ze werkt een paar dagen per week tot ’s avonds zes uur op een accountantskantoor in Purmerend en rijdt dan met de trein van kwart voor zeven van het station Purmerend-Overwhere terug naar huis.’
De ogen van De Cock begonnen te glinsteren.
‘Heeft zij de oude mevrouw Van Borsele gezien?’ vroeg hij opgetogen.
Vledder knikte.
‘Gisteravond hoorde ze van medereizigers, dat wij in de trein naar Enkhuizen aan eenieder hadden gevraagd of hij of zij een bejaarde vrouw met een kat in een rieten mandje had gezien. Mevrouw Van Kapelle herinnerde zich die oude vrouw heel goed. Ze zat met haar kat op schoot tegenover haar.’
De Cock klapte in zijn handen.
‘Fantastisch.’
Het gezicht van Vledder versomberde.
‘Die Agatha van Kapelle heeft ook met de oude mevrouw Van Borsele gesproken.’
‘En?’
‘Ze vertelde dat ze met haar kat in Hoorn bij het station zou worden afgehaald.’
De Cock kneep zijn wenkbrauwen samen.
‘Afgehaald?’
‘Ja.’
‘Door wie?’
Vledder likte aan zijn droge onderlip.
‘Haar zoon.’
Na de rondweg om Amsterdam stuurde Vledder de Golf bij het knooppunt Badhoevedorp de A9 op in de richting van Haarlem, Zandvoort en IJmuiden. Het sneeuwde niet meer, maar de lucht zag nog grauw. De jonge rechercheur blikte opzij naar De Cock, die wat onderuitgezakt naast hem zat.
‘De oude mevrouw Van Borsele,’ opperde hij, ‘heeft twee zoons.’
De grijze speurder knikte gelaten.
‘Roderick en Rigobert. Wij hebben met beiden kennisgemaakt.’
Vledder gebaarde voor zich uit.
‘Een van die twee moet haar met haar kat in Hoorn van het station hebben afgehaald.’
De Cock reageerde niet direct. Die simpele vaststelling bevredigde hem niet. ‘Een moeder, bepeinsde hij, die een afspraak heeft met een zoon in Amsterdam, reist met de trein in tegenovergestelde richting om in Hoorn een afspraak te hebben met… een zoon?’
‘Dat gesprek,’ vroeg de oude rechercheur na een poosje, ‘dat gesprek, dat die Agatha van Kapelle uit Stede Broec met haar voerde, leverde dat niet meer gegevens op, dan dat de oude mevrouw Van Borsele in Hoorn door haar zoon zou worden afgehaald?’
Vledder maakte een verontschuldigend gebaar.
‘Ik was zo blij met dat telefoontje, dat ik feitelijk heb verzuimd om nader op dat gesprek in te gaan. Ik heb niet naar details gevraagd.’
De Cock spreidde zijn handen.
‘Het feit dat zij die avond haar kat in een mandje meenam, duidt er mijns inziens op, dat de oude mevrouw Van Borsele zich voorbereidde op een langer verblijf… waar dan ook.’
Vledder trok zijn schouders op.
‘Maar voor zo’n langer verblijf,’ sprak hij aarzelend, ‘had ze niets bij zich… geen toiletartikelen… geen koffertje met een nachthemd.’
De Cock wreef zich achter in zijn nek.
‘Heeft Agatha van Kapelle nog verteld welke indruk de oude vrouw op haar maakte?’
Vledder knikte.
‘Opgewekt, bijna vrolijk… niet neerslachtig of timide. Volgens Agatha van Kapelle kwebbelde de oude mevrouw Van Borsele honderduit.’
‘Was ze alleen?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Was er iemand in gezelschap van de oude dame?’
Vledder liet zijn hoofd iets zakken.
‘Daar heb ik niet naar gevraagd. Maar ik neem aan dat zij niemand bij zich had. Anders had die Agatha van Kapelle mij daar wel iets over gezegd.’
De Cock kauwde nadenkend op zijn onderlip.
‘Het lijkt mij best zinvol om Agatha van Kapelle uit Stede Broec eens voor een onderhoud uit te nodigen. Misschien heeft de kwebbelende mevrouw Van Borsele toch iets opgemerkt dat voor ons onderzoek van belang kan zijn.’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Ik begrijp er zo langzamerhand niets meer van,’ sprak hij jammerend. ‘Waarom lopen wij altijd tegen bijna onoplosbare raadsels op?’
De Cock glimlachte. ‘We kunnen er in ieder geval van overtuigd zijn, dat de oude mevrouw Van Borsele op de rit naar haar verdwijning niet bang of angstig was… geen gevaar vreesde.’
Vledder fronste zijn wenkbrauwen. ‘Moet dat? Is er gevaar te duchten als je zoon je aan het station komt ophalen?’
De Cock streek met zijn pink over de rug van zijn neus. ‘Was het haar zoon?’
Vledder keek hem verrast aan. ‘Ik begrijp je niet.’
De Cock draaide zich half naar hem toe. ‘Is het niet mogelijk dat een ander haar in Hoorn aan het station kwam ophalen?’
‘Je bedoelt, in plaats van haar zoon?’
De Cock grijnsde. ‘In opdracht van een zoon?’
Het visfileerbedrijf van de firma Bathmen & Van Borsele bleek gevestigd in een modern gebouw van rode baksteen, voor de aanvoer gunstig gelegen op een steenworp afstand van de rijksvisafslag.
Vledder reed de parkeerplaats op en vond een bescheiden plekje tussen twee enorme witte vrachtwagens waarop in een vloeiende schrijfstijl met zwarte letters Bathmen & Van Borsele stond.
De beide rechercheurs stapten uit.
De Cock keek langs de vrachtwagens omhoog. ‘De vis wordt duur betaald,’ mompelde hij.
Vledder lachte. ‘De tijd van Kniertje is voorbij.’
Ze slenterden naar de ingang van het gebouw. Via glazen tochtdeuren bereikten ze een brede hal. Achter een halfronde balie zat een jonge blonde vrouw. Ze droeg een strak hemelsblauw pakje met een spierwit opstaand kraagje en witte manchetten aan de mouwen.
De grijze speurder nam beleefd zijn hoedje af. ‘Mijn naam is De Cock… met… eh, met ceeooceekaa.’ Hij duimde opzij. ‘Dat is mijn collega Vledder. Wij zijn rechercheurs van het politiebureau aan de Warmoesstraat in Amsterdam. Wij hadden graag een onderhoud met de heer Bathmen.’
De jonge vrouw kwam van haar stoel overeind.
‘Bent u meneer De Cock?’
De oude rechercheur knikte. ‘Dat ben ik.’
De jonge vrouw straalde. ‘Mijn verloofde heeft alle boeken die Baantjer over u heeft geschreven.’
De Cock grijnsde breed. ‘Vertel aan uw verloofde, dat Baantjer altijd schromelijk overdrijft.’
‘Ik zal het hem zeggen,’ sprak de jonge vrouw timide. Ze ging weer zitten en pakte de telefoon. Na een kort gesprek kwam ze achter de balie vandaan en ging de beide rechercheurs voor naar een witbetegelde gang. Aan het einde van de gang opende ze een deur en trok zich toen bescheiden terug.
Achter een immens groot bureau zat een breedgeschouderde man in een donkerblauw kostuum. De Cock schatte hem op achter in de vijftig. Hij had een vriendelijk rond, bol gezicht, met daarin een paar heldere blauwe ogen. Door vlassig blond haar schemerde een kalende schedel.
Hij kwam uit zijn stoel overeind en schudde de rechercheurs de hand.
‘Bathmen,’ stelde hij zich voor. ‘Willem Bathmen. Wat verschaft mij het genoegen van een bezoek van de Amsterdamse recherche?’ Hij wees uitnodigend naar de stoelen voor zijn bureau. ‘Ga zitten. Zal ik iets te drinken bestellen?’
De Cock schudde zijn hoofd. Hij knoopte zijn regenjas los, nam tegenover de directeur plaats en legde zijn hoedje naast zich op de vloer.
‘Wij zijn,’ opende hij voorzichtig, ‘bij toeval… zijdelings… betrokken geraakt bij de moord op de architect Bobbejaan van der Vennen in Wervershoof. Uit ons onderzoek is gebleken, dat u zo’n anderhalf jaar geleden de heer Van der Vennen heeft benaderd voor de bouw van een bedrijfspand in Medemblik.’
De heer Bathmen knikte. ‘Dat klopt. Roderick en ik waren van plan om in Medemblik een soort filiaal van ons visverwerkingsbedrijf te vestigen. Met Den Helder en Den Oever als aanvoerhavens in de nabijheid, leek Medemblik ons een gunstige locatie. Bovendien beloofde het gemeentebestuur van Medemblik ons aantrekkelijke faciliteiten.’
De Cock keek demonstratief om zich heen. ‘Is de heer Roderick van Borsele niet aanwezig?’
De heer Bathmen blikte op zijn goudkleurige bureauklok. ‘Hij kan elk ogenblik hier zijn.’
De Cock gebaarde voor zich uit. ‘Hoe kwam u met architect Van der Vennen in contact?’
De heer Bathmen glimlachte. ‘Relaties… recommandaties. De heer Van der Vennen stond als een uitstekend vakman te boek. Hij had moderne frisse ideeën.’
‘Is dat bedrijfspand gebouwd?’
De heer Bathmen schudde zijn hoofd. ‘De Europese Economische Gemeenschap,’ sprak hij somber, ‘besloot om ons land visvangstbeperkingen op te leggen. Vanuit Brussel werden quota vastgesteld. Minder vis… voor een visfileerbedrijf dodelijk.’
‘Het ging niet door?’
De heer Bathmen trok een grijns. ‘Roderick van Borsele en ik hebben ons over de gewijzigde omstandigheden beraden en besloten om het plan Medemblik te schrappen.’
‘Jammer voor de werkgelegenheid in Medemblik.’
De heer Bathmen knikte. ‘Het plan is nog niet helemaal van de baan. Wanneer de biologen vaststellen dat de visstand zich heeft hersteld en er ruimere vangstmogelijkheden komen, zouden wij de plannen alsnog kunnen uitvoeren.’
De Cock keek hem strak aan. ‘Zonder architect Van der Vennen.’
Het gezicht van de heer Bathmen betrok. ‘Ik las enige dagen geleden van de moord in de krant. Een kort berichtje. Ik heb nog overwogen om mevrouw Van der Vennen een condoleance te sturen, maar daar is niets van gekomen.’
De Cock schonk hem een matte glimlach. ‘De dood van Van der Vennen,’ sprak hij vermoeid, ‘is ook voor mij een tegenslag. De architect zou voor mij een huisje ontwerpen.’
‘Voor u?’
De Cock knikte. ‘Een beetje prematuur… voor na mijn pensionering. Ik had het plan om…’
De oude rechercheur stokte. De deur van de directiekamer gleed open en in de deuropening verscheen de imposante gestalte van Roderick van Borsele. Verward staarde hij van De Cock naar Vledder en terug.
‘Wat… eh, wat doet u hier?’
De Cock wees voor zich uit. ‘Wij brengen een bezoekje aan de heer Bathmen.’
‘Waarom?’
De Cock glimlachte beminnelijk. ‘De heer Bathmen heeft anderhalf jaar geleden contact gehad met architect Van der Vennen uit Wervershoof. Die architect is een paar dagen geleden vermoord.’
Roderick van Borsele kneep zijn wenkbrauwen samen. ‘Onderzoekt u die moord?’
De Cock schudde zijn hoofd. ‘Wij schenken bijna al onze aandacht aan het spoorloos verdwijnen van uw moeder.’
Roderick van Borsele schoof een stoel bij en ging daarop zitten.
‘Hebt u al vorderingen gemaakt?’
De Cock knikte. ‘We hebben ontdekt, dat uw moeder op de dag dat zij u in Amsterdam zou bezoeken, op het station Purmerend-Overwhere op de trein naar Enkhuizen is gestapt.’
Roderick van Borsele toonde verbazing. ‘Op de trein naar Enkhuizen… was ze zo in de war?’
De Cock schudde zijn hoofd. ‘Die indruk hadden we niet. We hebben een vrouw opgespoord, die tijdens die treinreis in de richting van Enkhuizen met uw moeder heeft gesproken. Volgens die vrouw maakte uw moeder een zeer montere indruk. Ze babbelde honderduit en vertelde dat zij in Hoorn aan het station zou worden afgehaald… door haar zoon.’
Roderick van Borsele verbleekte. ‘Rigobert,’ stamelde hij. ‘Rigobert heeft niet ver van Hoorn… in Nibbixwoud… al jaren een caravan staan… bij een boer op het erf.’