15

De Cock schoof de mouw van zijn regenjas iets terug en keek op zijn horloge. Hij had nog ruim een uur om de nodige voorbereidingen te treffen. De oude rechercheur voelde hoe de spanning bezit van hem nam. De diepe haarwortels trilden op zijn schedel en zijn hart klopte in een hogere versnelling.

Hij had zich verzekerd van de hulp van Fred Prins en Appie Keizer, twee collega’s op wie hij altijd een beroep kon doen en die een onvoorwaardelijk vertrouwen stelden in zijn acties.

De Cock keek om zich heen. De twee wagens waarmee ze uit Amsterdam naar Medemblik waren gereden, waren op het parkeerterrein van de begraafplaats Zorgvlied gestationeerd. Door het struikgewas waren ze van de weg af bijna aan het oog onttrokken.

Op en rond de begraafplaats was het aardedonker. Een dik wolkenpak gaf de maan geen kans om er even door te prikken.

Vanuit de richting van het IJsselmeer woei een straffe wind. Fred Prins huiverde in zijn leren jack.

‘Waar wachten we op?’ vroeg hij rillend.

‘Ons lokaas.’

Fred Prins grinnikte.

‘Wie of wat is ons lokaas?’

‘De vrouw van een architect die een paar dagen geleden in Wervershoof werd neergeschoten. Heb je een extra kogelvrij vest meegenomen?’

Fred Prins knikte.

‘Het ligt nog achter in de wagen.’ De jonge rechercheur keek hem niet-begrijpend aan. ‘Wat heeft die vrouw ermee te maken? Ik dacht dat het ging om drie als vermist opgegeven personen.’

De Cock glimlachte.

‘Dat klopt,’ sprak hij ontwijkend. ‘Ik zal je straks wat laten zien.’

Een zilverkleurige Mitsubishi Galant gleed zacht zoemend het parkeerterrein op. De Cock dirigeerde de wagen met handgebaren naar een verscholen plek.

Toen mevrouw Van der Vennen was uitgestapt, drukte hij haar de hand en stelde Fred Prins en Appie Keizer aan haar voor. Daarna keek hij de vrouw scherp onderzoekend aan.

‘U kent mijn voorwaarden.’

Mevrouw Van der Vennen knikte. ‘Fouilleert u mij maar,’ sprak ze gelaten. ‘Ik heb geen vuurwapen bij me.’

De Cock liet zijn handen tastend langs haar lichaam glijden en vond niets.

Daarna gaf hij Fred Prins een wenk. De jonge rechercheur pakte het kogelvrije vest achter uit zijn wagen en hielp mevrouw Van der Vennen het vest onder haar mantel aan te trekken.

Zwijgend, als in een devote processie, trokken ze door de donkere nacht van het parkeerterrein naar de witte villa. De Cock liep enkele meters voor hen uit.

Hij maakte de toegangsdeur open en ging het gezelschap via de hal voor naar het luik en de brede trap naar de kelder.

De kille halogeenlampen in de dikke plexiglaskoepels had De Cock na de ontdekking laten branden.

Als gehypnotiseerd bleef het gezelschap beneden aan de trap staan en staarde lange seconden naar de verstilde lichamen.

Appie Keizer sloeg van verbijstering zijn beide handen voor zijn gezicht. Fred Prins kwam als eerste in beweging. Hij liep van de ene koepel naar de andere en weer terug. Zijn gezicht had een vreemde expressie.

Bij De Cock bleef hij staan. ‘Zijn ze geconserveerd?’

De Cock knikte.

‘Diepgevroren.’

‘Dood?’

De Cock wreef zich achter in de nek.

‘Ik heb mij telefonisch in verbinding gesteld met onze patholoog-anatoom, dokter Rusteloos, en heb hem de situatie uitgelegd. Volgens dokter Rusteloos bestaat er geen enkele twijfel. Geen mens kan lange tijd extreem lage temperaturen verdragen.’

Fred Prins zuchtte.

‘Ze zijn dus gestorven?’

De Cock maakte een weifelend gebaar.

‘Ik heb meer het idee dat ze sluimeren.’

‘Tijdelijk niet-actief.’

De Cock glimlachte om de formulering.

‘Zo zou je het kunnen noemen.’

Fred Prins boog zich naar hem toe.

‘Wat ben je van plan met hen te doen?’

De Cock kauwde peinzend op zijn onderlip.

‘Daar heb ik diep over nagedacht,’ sprak hij ernstig. ‘En ik ben tot de conclusie gekomen dat ik in feite maar één mogelijkheid heb.’

‘En die is?’

De Cock gebaarde voor zich uit.

‘Ik zal die drie lichamen in hun koepels laten en het vriesproces niet onderbreken. Ik heb daar naar mijn mening het recht niet toe. Ik mis ook de kennis om daar een gefundeerd oordeel over te vellen. Ik zal na afloop van dit onderzoek de moderne vriesinstallaties in deze kelder in beslag nemen en ter beschikking stellen van de officier van justitie in het arrondissement Alkmaar. Hij zal tot een bevoegd oordeel moeten komen.’

Fred Prins gebaarde naar de koepels.

‘Met deze drie lichamen als inzet kan het best een aardig juridisch steekspel worden.’

De Cock keek hoofdschuddend naar hem op.

‘Ik vind het woord aardig in dit verband niet toepasselijk.’

Fred Prins glimlachte.

‘Je hebt gelijk,’ sprak hij instemmend. ‘Het onderwerp is niet aardig… eerder gruwelijk.’ De jonge rechercheur zwaaide opnieuw naar de koepels. ‘Wie is hiervoor verantwoordelijk?’

De Cock keek hem schuins aan.

‘Je wilt weten wie deze mensen heeft ingevroren?’

Fred Prins knikte.

‘Dat bedoel ik.’

De Cock keek op zijn horloge.

‘Dat antwoord hoop ik je binnen een halfuur te kunnen geven.’

Mevrouw Van der Vennen zat in het volle licht in de kale keuken aan de enige tafel die in de villa was te vinden. Vanuit de bijkeuken kon De Cock haar goed observeren. Door het kogelvrije vest zat haar mantel te strak. De oude rechercheur kon aan haar rug zien dat ze zich niet op haar gemak voelde.

Naast hem in de bijkeuken stond Vledder. Het gezicht van de jonge rechercheur zag bleek. Zijn dienstpistool hield hij schietklaar in zijn rechterhand.

De Cock had Fred Prins, die een uitstekend schutter was, geposteerd in een zijkamer waarvan de deur naar de hal open stond. Appie Keizer lag ergens bij de ingang van de villa achter een bosschage verscholen.

De grijze speurder hoopte dat zijn plan zou slagen. Hij had mevrouw Van der Vennen naar alle betrokkenen laten telefoneren dat zij de lichamen in de kelder van de villa had ontdekt en dat zij vannacht om exact twee uur in de villa over de condities van haar geheimhouding wilde onderhandelen.

De Cock was ervan overtuigd dat de mededeling van mevrouw Van der Vennen slechts voor één van de betrokkenen begrijpelijk was… de man of vrouw die van het bestaan van de villa met de kelder wist, en verantwoordelijk was voor het invriezen.

Het plan was om die persoon ongehinderd de villa te laten betreden en pas na een korte confrontatie met mevrouw Van der Vennen te arresteren.

Het was een gewaagd plan. Een plan ook vol risico’s.

De Cock was er vrijwel zeker van dat die persoon onmiddellijk het vuur op mevrouw Van der Vennen zou openen als de vrouw van de vermoorde architect binnen zijn of haar gezichtskring kwam.

De Cock kon de veiligheid van mevrouw Van der Vennen niet garanderen. Ondanks haar kogelvrije vest liep ze de kans om levensgevaarlijk gewond te worden.

Maar de oude rechercheur had geen keus. De vrouw van de vermoorde architect bleef bij haar standpunt… ze was alleen tot medewerking bereid als zij de man of de vrouw die haar Bobbejaan had vermoord, eerst enige ogenblikken in de ogen mocht kijken.

De Cock was bang dat mevrouw Van der Vennen de gelegenheid zou benutten om het recht in eigen hand te nemen, daarom had hij bedongen dat hij haar voor de operatie zou mogen fouilleren.

Na alles te hebben overwogen, had hij toegestemd, maar ook Fred Prins de opdracht gegeven om onmiddellijk in actie te komen, wanneer in de hal van de villa iemand aan hem voorbij zou trekken. Het was de enige mogelijkheid om het risico te beperken.

De oude rechercheur keek op zijn horloge. Nog enkele minuten, zag hij. Ze vergleden traag.

Ineens was er rumoer. Er klonk een schot en mevrouw Van der Vennen viel van haar stoel.

Er volgde een tweede schot.

Met Vledder achter zich, rende De Cock vanuit de bijkeuken naar de keuken en vandaar naar een grote woonkamer. Fred Prins worstelde daar met een man. Hij was groot, sterk en breedgeschouderd. De man wierp Fred Prins van zich af en strompelde naar de hal.

Vledder bracht zijn rechterhand omhoog en richtte zijn pistool. De oude rechercheur sloeg de hand van Vledder naar beneden en rende achter de man aan. Buiten klonken kort achter elkaar twee schoten.

Toen De Cock bij de buitendeur kwam, zag hij Appie Keizer wijdbeens aan het eind van de oprijlaan staan… zijn dienstpistool in de aanslag. De grote man deed nog een paar stappen in zijn richting, wankelde en viel toen languit in het grind.

Hijgend en in draf liep De Cock naar hem toe en knielde bij hem neer. De oude rechercheur tastte naar de borstzak van zijn colbert en stak een potlood[3] in de loop van de zware revolver, die uit de hand van de man was gegleden. Hij hield het wapen omhoog. Appie Keizer nam het van hem aan.

Vledder boog zich over hem heen en keek in het gezicht van de man op het grind.

‘Roderick,’ lispelde hij, ‘Roderick van Borsele.’

Загрузка...