9

De Cock kneep even zijn beide ogen dicht.

‘Ik ben-niet-dood… kom-naar-mij-kijken… Maria.’

De grijze speurder proefde de woorden op het puntje van zijn tong. De diepe haarwortels op zijn kruin trilden pijnlijk. Pal onder zijn schedeldak zochten zijn getrainde hersenen onder hoogspanning naar een zinnige verklaring van de tekst. Hij vond die niet. De verlossende vonk bleef uit. ‘Ik ben niet dood,’ lispelde hij opnieuw, ‘kom naar mij kijken.’

Evelien van Ursum knikte.

‘Dat moet zij op de spiegel hebben geschreven.’

‘Wie?’

‘Maria… mevrouw Van Borsele. Volgens oom Martijn Schuitema deed ze dat wel meer… met zeep op spiegels schrijven.’

De Cock boog zich iets naar haar toe.

‘Wat hebt u met die tekst gedaan?’

Evelien van Ursum schudde haar hoofd.

‘Niets.’

‘U hebt de woorden niet weggeveegd?’

Evelien van Ursum schonk hem een matte glimlach.

‘Ik ben aan schoonmaken niet toegekomen. Ik maakte mij zorgen om het feit dat oom Martijn er niet was. En dat doe ik nog. Sinds tante Emmy… zijn vrouw, is gestorven, is hij nooit een nacht van huis geweest.’

De Cock spreidde zijn handen.

‘Lag er nergens een briefje, waarin oom Martijn zijn afwezigheid verklaarde?’

Evelien van Ursum schudde haar hoofd. ‘Ik ben nergens een kattebelletje tegengekomen. En dat zie je toch gauw. Als oom Martijn wat van mij wilde, dan legde hij zo’n briefje altijd op de tafel onder de glazen asbak. En daar lag nu niets.’

‘Hebt u de recherche in Purmerend verteld van die woorden op de spiegel?’

Evelien van Ursum knikte.

‘Ik heb ze de tekst laten opschrijven… met de uitleg wie Maria was.’

‘En?’

‘Ze lachten erom.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Om de tekst?’

Evelien van Ursum schudde haar hoofd.

‘Dat twee oude mensen iets moois met elkaar hadden, vonden ze bijzonder grappig.’

De Cock kneep zijn lippen op elkaar. Het was niet de eerste keer dat de grijze speurder bemerkte dat zelfs ervaren rechercheurs de liefde tussen oudere mensen niet serieus namen.

De Cock wreef nadenkend over zijn kin.

‘Hebt u met oom Martijn ook over de verdwijning van Maria gesproken?’

Evelien van Ursum knikte.

‘Oom Martijn was er erg verdrietig onder. Hij was ervan overtuigd dat zij niet uit vrije wil was weggegaan. Volgens hem waren de twee jongste kinderen van mevrouw Van Borsele bij haar verdwijning betrokken. Hij vreesde zelfs voor haar leven. “Als de recherche niets doet,” zei hij tegen mij, “ga ik zelf op onderzoek.”’

‘Hoe?’

Evelien van Ursum trok haar schouders op.

‘Dat heeft hij mij niet gezegd. Ik denk dat het grootspraak van hem was… misschien wel wanhoop. Waar moet zo’n oude man gaan zoeken?’

De Cock glimlachte.

‘Had Maria… mevrouw Van Borsele, een sleutel van de flat van uw oom Martijn?’

Evelien van Ursum knikte.

‘En oom Martijn Schuitema had een sleutel van de flat van Maria.’

De Cock gebaarde in haar richting.

‘Kent u de garderobe van uw oom?’

‘Zeker. Ik kijk het zo nu en dan na of er nog iets naar de stomerij moet. Oom Martijn let zelf niet zo goed op dat soort dingen.’

‘Wat heeft hij aan?’

Evelien van Ursum verzonk even in gepeins.

‘Zijn beste jas… die met dat astrakan kraagje… en zijn zondagse pak… grijs met een krijtstreepje.

‘Wanneer droeg hij die kleren?’

‘Alleen bij bijzondere gelegenheden.’

‘Zoals?’

‘Een feestje, een bruiloft en dat soort zaken. Voor de kerkgang en begrafenissen had hij een stemmig donker pak met een bijpassende stropdas.’

‘Naar zijn kleding te oordelen,’ sprak De Cock achteloos, ‘is oom Martijn Schuitema dus op weg naar een feestelijke gelegenheid.’

Evelien van Ursum schonk hem een wrange glimlach.

‘Daar lijkt het op.’

‘Is u van een bijzondere gelegenheid… een festiviteit waarvoor uw oom Martijn zich zo in de puntjes zou kleden, iets bekend?’

‘Nee.’

‘Heeft oom Martijn buiten u nog andere familie… kinderen?’

Evelien van Ursum schudde haar hoofd.

‘Zijn huwelijk met tante Emmy is kinderloos gebleven.’

De Cock leunde achterover in zijn stoel.

‘Ik-ben-niet-dood… kom-naar-mij-kijken… Maria. Als u ons belooft dat wij die tekst op de spiegel in de badkamer van uw oom Martijn mogen zien, brengen wij u terug naar Purmerend.’

Op het gezicht van Evelien van Ursum verscheen een brede glimlach. Ze kwam van haar stoel overeind en wreef haar handen over elkaar.

‘Daar ben ik voor in,’ riep ze opgewekt. ‘Het spaart mij een strippenkaart.’


De Cock liet zijn blik door de kamer dwalen. Het flatje van Martijn Schuitema was sober gemeubileerd. Voor de ramen, die uitzicht gaven op het balkon, stonden twee rieten fauteuils en een tweezitsbankje om een ronde tafel met een matglazen blad.

Links was vanonder een bruin gedrapeerd gordijn in een aangrenzend vertrek een ijzeren ledikant zichtbaar. Op het nachtkastje gloeiden de rode cijfers van een digitale sluimerwekker.

Het wollen bontgebloemde tapijt vertoonde voor de deur en nabij een van de rieten fauteuils lichte slijtvlekken.

De grijze speurder wees naar een kleine eikenhouten secretaire rechts aan de muur.

‘Is die afgesloten?’

Evelien van Ursum schudde haar hoofd.

‘Oom Martijn heeft nooit iets op slot.’

De Cock liep op haar toe.

‘Maria… mevrouw Van Borsele,’ formuleerde hij voorzichtig, ‘is… zo wordt beweerd… een schatrijke weduwe. Heeft uw oom Martijn wel eens met u over haar rijkdom gesproken?’

Evelien van Ursum grinnikte.

‘Ik plaagde oom Martijn wel eens. Dan maakte ik hem complimenten dat hij een rijke vrouw aan de haak had geslagen.’

‘Hoe reageerde hij?’

‘Oom Martijn zei altijd dat haar rijkdom hem niet kon schelen. Hij vond het alleen jammer dat zij niets met haar geld deed.’

De Cock veinsde onbegrip.

‘Wat bedoelde hij daarmee?’

‘Een mooie villa met een verwarmd zwembad… fraaie kleren… verre dure reizen… ge-nie-ten. Maria had heel veel aandelen, obligi… eh.’

‘Obligaties,’ vulde De Cock aan.

Evelien van Ursum knikte.

‘Dat bedoel ik. Ze had ook zat geld op de bank, maar gaf voor haarzelf geen cent uit.’

‘Deed oom Martijn wel eens zaken voor haar? Had hij volmachten? Ik bedoel, mocht hij van haar geld van de bank halen?’

Evelien van Ursum trok haar schouders op.

‘Dat weet ik niet. Ik kom hier om te werken… om zijn boeltje schoon te houden. Verder bemoei ik mij nergens mee.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Betaalt oom u goed?’

Evelien van Ursum keek argwanend naar hem op.

‘Bent u van de belastingen?’

De Cock draaide zich lachend om.

‘Wijs mij de badkamer.’

Evelien van Ursum dribbelde voor hem uit naar een kleine hal. Ze maakte de deur van de badkamer open en deed het licht aan. De Cock volgde haar. Midden in de badkamer bleef hij staan.

Op de spiegel boven de wastafel stond in een fors handschrift:

Ik ben niet dood.

kom naar mij kijken.

Maria.

De oude rechercheur nam de tekst minutenlang in zich op. Het bijna fotografische geheugen van de grijze speurder deed zich gelden. Zijn hartslag kreeg een hoger ritme en zijn markant gezicht verstarde.


De beide rechercheurs reden met hun Golf van het station Purmerend-Overwhere weg. Er viel natte sneeuw, die tegen de voorruit kleefde. Vledder zette de ruitenwissers aan en blikte opzij.

‘Ik vind het een stompzinnig gedoe om aan alle reizigers in de trein te vragen of ze een paar dagen geleden een oude dame met een kat in een mandje hebben gezien.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Het is niet stompzinnig,’ reageerde hij nukkig.

Vledder duimde over zijn schouder.

‘Hoe vaak wil jij dat treinreisje naar Enkhuizen nog maken?’

De Cock bromde.

‘Tot het succes oplevert.’

‘Daar geloof jij in?’

‘Absoluut.’

Vledder grinnikte.

‘Het heeft toch geen zin meer.’

‘Wat niet?’

Vledder keek hem niet-begrijpend aan.

‘Wil je dan nog doorgaan met het onderzoek naar de verdwenen mevrouw Van Borsele?’

De Cock reageerde verwonderd.

‘Waarom vraag je dat?’

Vledder liet het stuur van de Golf even los en spreidde zijn beide handen.

‘We weten in ieder geval dat ze nog in leven is. Het stond op de spiegel: Ik ben niet dood.’

De Cock liet zich onderuitzakken.

‘Dat stond op de spiegel,’ sprak hij toonloos.

Vledder grijnsde.

‘En oom Martijn Schuitema is op weg gegaan om naar haar te kijken.’

De Cock drukte zich weer omhoog en keek hem scherp aan.

‘Waar?’

‘Wat bedoel je?’

‘Waar is oom Martijn Schuitema heen om naar zijn Maria te kijken?’

Vledder haald zijn schouders op.

‘Weet ik veel,’ riep hij geprikkeld. ‘Het interesseert mij ook niet. Nu we weten dat de oude mevrouw Van Borsele leeft… dat haar niets is overkomen… kunnen wij de zaak sluiten.’

‘Sluiten?’ vroeg De Cock ongelovig.

‘Ja… sluiten. Men kan moeilijk zeggen dat we er niet voldoende aandacht aan hebben besteed.’

‘Je bedoelt dat de zaak rond is?’

‘Ja.’

De Cock maakte een theatraal gebaar.

‘En de oude verliefde Martijn Schuitema,’ sprak hij hatelijk en op een cynisch toontje, ‘heeft de hartenkreet van zijn aanbeden Maria op de spiegel begrepen.

In zijn zondagse pak en zijn mooiste jas met een sierlijk astrakankraagje, is hij op zijn vurig paard in galop naar haar toe gereden… en ze leefden daarna samen nog lang en gelukkig.’

Vledder draaide zich met een ruk naar hem toe. Het bijtend sarcasme van zijn oude collega trof hem.

‘Wat heb je?’ vroeg hij verrast.

De Cock draaide zich half naar hem toe.

‘Heb jij eergisteren,’ vroeg hij ernstig, ‘die tekst op de spiegel in de badkamer van de oude mevrouw Van Borsele gezien?’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Ik niet. Ik ben niet in die badkamer geweest. Jij hebt die tekst toch ontdekt?’

De Cock snoof.

‘En ik heb die woorden,’ antwoordde hij hoofdknikkend, ‘toen verrekt goed bekeken. Intuïtief wist ik dat die tekst belangrijk was.’

De oude rechercheur schudde mismoedig zijn hoofd.

‘Maar nog voordat wij kans hadden gezien om die tekst door Bram van Wielingen fotografisch te laten vastleggen, heeft iemand de woorden op de spiegel bekwaam uitgewist.’

Vledder fronste zijn wenkbrauwen.

‘Was dat de feitelijke reden van de inbraak?

‘Mogelijk.’

‘Waarom?’

De Cock ademde diep.

‘Om ons de mogelijkheid te ontnemen om de tekst op de spiegel in de badkamer van de oude mevrouw Van Borsele door deskundigen te laten vergelijken met de tekst op de spiegel in de badkamer van Martijn Schuitema.’

Vledder keek hem wazig aan.

‘Dat begrijp ik niet.’

De Cock kauwde op zijn onderlip.

‘Het handschrift op de spiegel in de badkamer van Martijn Schuitema lijkt in vele opzichten op het handschrift van de oude mevrouw Van Borsele. Dezelfde forse aanzet. Ik werd er bijna door misleid.’

De oude rechercheur ademde hoorbaar.

‘Maar het is haar handschrift niet.’

Vledder keek hem verbijsterd aan.

‘Haar handschrift niet?’ herhaalde hij.

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Het lijkt erop, maar er zijn minimale, maar toch duidelijk herkenbare verschillen.’

De blik van Vledder verhelderde.

‘Iemand heeft haar handschrift nagebootst.’


Even voorbij het Schouw bracht Vledder de Golf op de vluchtstrook tot stilstand en liet voor en achter de veiligheidslichtjes knipperen.

De Cock keek hem verwonderd aan. ‘Hebben we panne?’

Vledder sloeg zijn handen voor zijn gezicht.

‘Ik… eh, ik… eh,’ stamelde hij, ‘ik moet dit even verwerken. Rustig. Anders maak ik straks brokken op de weg.’

De Cock grijnsde. ‘Denk aan mijn pensioen,’ riep hij spottend. ‘Ik heb er lang genoeg voor betaald.’

Na enkele minuten nam de jonge rechercheur zijn handen voor zijn gezicht weg en zuchtte diep.

‘De tekst in de badkamer van Martijn Schuitema,’ formuleerde hij weifelend, ‘is niet door de oude mevrouw Van Borsele op de spiegel gezet?’

‘Nee.’

‘Het is een nagebootst handschrift?’

‘Precies.’

‘De woorden op de spiegel Ik ben niet dood hebben geen enkele betekenis?’

De Cock maakte een schouderbeweging.

‘Ik weet niet welke betekenis men aan die vier simpele woorden moet hechten. Men mag er mijns inziens niet uit concluderen dat de oude mevrouw Van Borsele ook inderdaad nog leeft.’

Vledder liet zijn hoofd zakken.

‘Dat deed ik.’

De Cock knikte.

‘Voorbarig… vandaar mijn… eh, mijn nogal sarcastische reactie. Het was om je te prikkelen.’

Vledder maakte een verontschuldigend gebaar.

‘Ik wist toch niet,’ sprak hij timide, ‘dat die woorden op de spiegel in de badkamer van Martijn Schuitema niet door de oude mevrouw Van Borsele waren geschreven.’

De Cock knikte hem bemoedigend toe.

‘Je hebt gelijk,’ sprak hij sussend. ‘Dat kon jij niet weten.’

De jonge rechercheur zweeg enige tijd. Op zijn voorhoofd verscheen na een poosje een diepe denkrimpel.

‘Wie is dan verantwoordelijk voor die tekst?’

De Cock grijnsde.

‘Iemand die haar handschrift goed kent.’

‘Zo goed, dat hij of zij dat handschrift bijna feilloos kan nabootsen,’ zei Vledder.

De grijze speurder schonk de jonge rechercheur een milde glimlach en wees voor zich uit.

‘Gaan we nu verder?’


Vledder parkeerde de Golf op de gladde houten steiger achter het bureau. De Cock zette voorzichtig zijn rechtervoet in de sneeuw. Zich vasthoudend aan het portier van de wagen bracht hij zijn tweede voet naar buiten. ‘Levensgevaarlijk,’ bromde hij, ‘aan de rand van het water. Ik heb geen zin in een nat pak.’

Vledder lachte.

‘Ik zal een loper voor je uitleggen.’

De Cock reageerde niet. Zachtjes schuifelend liep hij de steiger af.

Via de Oudebrugsteeg bereikten ze de Warmoesstraat. Het was er druk en het wegdek was vies. De witte sneeuw was tot een bruine brei vertrapt.

Een jong hoertje klemde zich aan De Cock vast.

‘Je moet die pooier van mij eens onder handen nemen,’ snauwde ze met een grogstem.

‘Zwarte Harry?’

Ze knikte.

‘Viezerik.’

‘Waarom… viezerik?’

‘Hij vangt van mij poen en voost met een ander.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Kom morgen maar even bij mij langs.’

Toen de oude rechercheur de hal van het politiebureau binnenstapte, wenkte Jan Kusters hem vanachter de balie.

De Cock liep op hem toe.

‘Problemen?’ vroeg hij vriendelijk.

De wachtcommandant trok een vreemde grimas.

‘Die ouwe was vanavond hier.’

‘Welke ouwe?’

‘De commissaris… Buitendam.’

De Cock grinnikte.

‘Zomaar… buiten kantoortijd?’

Jan Kusters knikte.

‘Hij had een gezicht van oude lappen en vroeg naar jou. Het schijnt dat hij thuis is gebeld door het hoofd van de politie in Purmerend.’ De wachtcommandant keek hem onderzoekend aan. ‘Heb jij wat met Purmerend?’

De Cock maakte een wegwerpgebaar.

‘Buitendam,’ riep hij wrevelig, ‘moet rustig gaan slapen.’ De oude rechercheur veranderde van toon. ‘Verder nog nieuws?’

Jan Kusters wees omhoog.

‘Er zit boven nog een vrouw op je te wachten.’

De Cock hield zijn hoofd iets scheef.

‘Wie?’

‘Ik heb haar naam niet opgenomen. Het was druk aan de balie toen ze kwam.’

‘Jong… oud?’

Jan Kusters tuitte zijn lippen.

‘Veertig… vijfenveertig jaar.’

‘Zit ze daar al lang?’

Jan Kusters raadpleegde zijn horloge.

‘Bijna een uur.’

De Cock draaide zich om en besteeg de stenen trappen naar de tweede etage.

Vledder volgde soepel.

Op de bank naast de toegangsdeur van de grote recherchekamer zat een vrouw. Toen ze de grijze speurder in het oog kreeg, stond ze op en liep op hem toe.

De Cock bleef verbaasd staan.

‘Mevrouw Van der Vennen,’ riep hij verrast. ‘Wat komt u hier doen?’

Ze keek hem strak aan. Haar gezicht zag vaal. Langzaam schudde ze haar hoofd.

‘Ze hebben hem nog niet.’

‘Wie?’

‘De moordenaar van mijn man.’

Загрузка...