Toen de zwaargebouwde Roderick van Borsele uit de grote recherchekamer was vertrokken, keek Vledder De Cock onderzoekend aan.
‘Ga je er iets aan doen?’
‘Waaraan?’
‘Het verdwijnen van dat oude mens?’
De Cock plooide zijn lippen in een tuitje. ‘We zetten haar op de telex… opsporing verblijfplaats verzocht van Marrigje Catharina Stoffels, weduwe van Hendrik van Borsele, oud 73 jaar. Ze heeft gisteren haar woning aan de Burgemeester D. Kooimanweg in Purmerend verlaten en…’
Vledder grijnsde. ‘…een ongeluk wordt gevreesd,’ vulde hij schertsend aan.
‘Precies.’
Vledder schudde zijn hoofd. ‘Dat bedoel ik niet,’ riep hij zichtbaar geïrriteerd. ‘Ik wil weten of je buiten dat gebruikelijke telexbericht met die versleten tekst nog een echt onderzoek gaat instellen.’
De Cock knikte traag. ‘Als er snel resultaten zijn te boeken,’ antwoordde hij kalm. ‘Lukt dat niet… gaat het onderzoek te lang duren, dan kom ik in moeilijkheden met al dat werk dat ik nog in de lade van mijn bureau heb liggen.’
Vledder zwaaide geërgerd. ‘Dat is toch pure onzin, om aan zo’n onderzoek te beginnen,’ riep hij geëmotioneerd. ‘Er verdwijnen dagelijks mensen zonder een spoor na te laten. Existentiële onvrede noemen ze dat. Daar kun je toch geen tijd aan verprutsen. De meesten komen na een poosje vanzelf weer boven water.’
De Cock trok een grimas. ‘Sommigen niet… verdwijnen voor altijd.’
Vledder spreidde zijn beide handen. ‘Waarom nam je die aangifte van Van Borsele op?’ vroeg hij niet-begrijpend. ‘Waarom stuurde je die vent niet door naar de recherche van de politie in Purmerend. Daar woont ze… van daaruit is zijn moeder verdwenen. Wij aan de Warmoesstraat hebben met de verdwijning van die oude vrouw niets te maken.’
De Cock maakte een afwerend gebaar.
‘Die Roderick van Borsele,’ sprak hij met enige nadruk, ‘komt in zijn wanhoop en verdriet naar mij… heeft vertrouwen in mijn vaardigheden als rechercheur… als speurder. En een reputatie schept verplichtingen. Zo zie ik dat. Het zou toch onmenselijk zijn als ik hem niet te woord stond?’
Vledder snoof.
‘Iedereen kan wel naar je toe komen. Als die Baantjer over jou blijft schrijven, staan ze vandaag of morgen voor ons bureau in de rij.’
De Cock wuifde voor zich uit.
‘Larie.’
Vledder gniffelde.
‘Zoekt u oplossingen voor uw problemen?’ riep hij snierend. ‘Wilt u dat uw zaak goed wordt behandeld? Wendt u tot rechercheur De Cock van de Warmoesstraat in Amsterdam. Succes verzekerd.’
Het sarcasme ontging de oude rechercheur niet.
‘We kunnen eens,’ opperde hij kalm, ‘gaan praten met de broer en de zuster van Roderick van Borsele in Purmerend… proeven hoe de verhoudingen liggen. Sommige families maken een puinhoop van hun onderlinge relaties. Ik heb eens een geval behandeld van een dochter, die haar stervende moeder voor haar broers en zusters verborgen hield… omdat ze de anderen een bepaald erfstuk niet gunde.’
‘Denk je dat zoiets hier speelt?’
De Cock trok zijn schouders op.
‘Geen flauw idee. Het enige dat wij weten is dat moeder Van Borsele haar flatje in Purmerend heeft verlaten en vermoedelijk nooit Amsterdam heeft bereikt.’
De grijze speurder keek even nadenkend voor zich uit.
‘Ik wil ook weten wat voor kleding ze droeg… jas, hoedje… alles is belangrijk.’
‘Wie kan ons dat vertellen?’
De Cock zuchtte. ‘Misschien heeft iemand haar zien weggaan.’ De oude rechercheur pauzeerde even. ‘En je moet straks de taxicentrale bellen of er wellicht gisteravond een rit is geboekt van het Centraal Station naar de Keizersgracht bij de Amstel.’
Vledder knikte begrijpend. ‘We zullen ook de politie in Purmerend moeten inlichten.’
De Cock keek naar hem op. ‘Die krijgen toch een telex.’
Vledder schudde afkeurend zijn hoofd. ‘Als wij in Purmerend gaan wroeten, krijgen we onherroepelijk herrie met de plaatselijke politie. Je weet hoe gevoelig sommige politiechefs zijn.’
De Cock knikte berustend. ‘Licht ze in,’ sprak hij op vermoeide toon, ‘volledig… zeg dat wij van plan zijn om in hun geheiligd territorium een onderzoekje in te stellen en dat wij bij positief resultaat daarvan uitvoerig melding zullen maken.’
De oude rechercheur snoof verachtelijk. ‘Wat een flauwekul,’ vervolgde hij heftig. ‘Het wordt hoog tijd dat de Nederlandse politie landelijk wordt georganiseerd, dan kan men eindelijk al die plaatselijke potentaatjes de laan uit sturen.’
Vledder wees naar de grote klok boven de toegangsdeur.
‘Wil je er vanavond nog heen?’
‘Waarheen?’
‘Naar Purmerend. Het is al kwart over tien.’
‘En?’
Vledder grinnikte. ‘Purmerend is een slaapstad. Die broer en zuster van Van Borsele liggen misschien al in bed.’
Voordat De Cock kon antwoorden, rinkelde de telefoon op zijn bureau. Vledder reikte zich ver naar voren, nam de hoorn op en luisterde. Na enkele seconden stak hij De Cock de hoorn toe.
‘Het is voor jou.’
De oude rechercheur nam de hoorn over. Zijn gezicht versomberde. ‘Ik begrijp het,’ sprak hij mat. ‘Ik kom onmiddellijk.’ Met zijn linkerhand sloeg hij op het toestel en verbrak de verbinding.
Vledder keek hem gespannen aan. ‘Wie was dat?’
De Cock gleed met zijn tong langs zijn droog geworden lippen. ‘Een radeloze vrouw… de echtgenote van Bobbejaan van der Vennen.’
Vledder fronste zijn wenkbrauwen. ‘De vrouw van die… eh, architect uit Wervershoof, die voor jou in Medemblik een… eh, een… eh?’ Hij maakte zijn zin niet af.
De Cock knikte. ‘Haar man is gisteravond levensgevaarlijk gewond opgenomen in het streekziekenhuis in Hoorn… het Westfries Gasthuis. Hij is onmiddellijk geopereerd, maar sindsdien ligt hij daar in coma.’
‘Wat is er gebeurd?’
De Cock legde de hoorn op het toestel terug. ‘Iemand joeg hem drie kogels in zijn lijf.’
Vledder keek hem verbaasd aan. ‘Wie… waarom?’
De Cock stond op. Het markante gezicht van de grijze speurder werd een strak masker. ‘Op die vragen,’ sprak hij bitter, ‘wil ik het antwoord weten.’
Ze reden met hun Golf van de gladde houten steiger achter het politiebureau weg. Een krachtige storm uit het zuidwesten joeg de regen kletterend tegen de ruiten en op het dak.
De Cock keek opzij. ‘Heb je genoeg benzine?’
Vledder knikte. ‘Ik heb vanmiddag getankt.’ De jonge rechercheur zette de ruitenwissers aan. ‘Je wilt nu direct naar dat streekziekenhuis in Hoorn?’
‘Ja.’
‘Niet naar Purmerend?’
‘Nee.’
Vledder blikte opzij. ‘Werd er in Wervershoof op die architect geschoten?’
De Cock maakte een hulpeloos gebaar. ‘Dat neem ik aan,’ verzuchtte hij. ‘Mevrouw Van der Vennen gaf een onsamenhangend verhaal. Ze was totaal in de war. Het leek mij niet zinnig om naar bijzonderheden te vragen.’
Vledder blikte strak voor zich uit. ‘Sinds wanneer,’ vroeg hij achteloos, ‘bemoeien wij ons in Hoorn met het slachtoffer van een schietpartij in Wervershoof?’
De Cock klemde zijn lippen op elkaar. ‘Sinds ik in Wervershoof die Bobbejaan van der Vennen heb ontmoet,’ antwoordde hij geprikkeld, ‘en zijn lieve vrouw mij koffie serveerde.’
Vledder keek hem geschrokken aan. ‘Dat is toch geen motief,’ riep hij afkeurend.
De Cock bromde. ‘Voor mij wel.’
Vledder schudde zijn hoofd. ‘Wij zijn beiden,’ sprak hij geduldig, ‘als rechercheur in dienst van de Amsterdamse politie en dat houdt volgens mij niet in dat wij te hooi en te gras hand- en spandiensten verlenen aan mensen die jij aardig, lief of interessant vindt.’
Het klonk scherp en verwijtend.
De Cock reageerde niet. Met een somber gezicht liet de grijze speurder zich onderuitzakken. De terechte kritiek van zijn jonge collega raakte hem diep. Na enige tijd drukte hij zich weer omhoog.
‘Die vrouw,’ sprak hij verontschuldigend, ‘zit daar moederziel alleen in dat ziekenhuis aan het bed van haar bewusteloze man, op wie een of andere idioot een moordaanslag heeft gepleegd. Die vrouw zoekt steun. Is dat gek?’
Vledder zuchtte. ‘Als er steeds meer mensen voor allerlei zaken jouw hulp inroepen… en jij honoreert dat hulpgeroep… dan zijn wij op den duur als rechercheurs van de Warmoesstraat niet meer te handhaven. Begrijp dat toch.’
De Cock snoof. ‘Ik doe wat ik kan… wat mijn hart mij ingeeft.’
Vledder schudde zijn hoofd. ‘We kunnen beter samen een privé-detectivebureau oprichten.’
‘En de politie verlaten?’
‘Ja.’
‘Nooit.’
‘Wees dan wat selectiever. We kunnen niet overal op instappen.’
De Cock knikte instemmend.
‘Ik beloof beterschap… voor de toekomst… maar ik laat mevrouw Van der Vennen nu niet aan haar lot over.’
Op het gezicht van Vledder brak een glimlach door.
‘Oké,’ sprak hij berustend. ‘Ik rijd jou vanavond naar dat streekziekenhuis in Hoorn… via de Zeeburgertunnel, dat lijkt mij het snelst.’
Het Westfries Gasthuis in Hoorn maakte een verlaten indruk. De grote parkeerplaats was vrijwel leeg. Slechts enkele voor het personeel gereserveerde plaatsen waren bezet.
Vledder parkeerde de Golf zo dicht mogelijk bij de ingang. De beide rechercheurs stapten uit.
De wind plukte venijnig aan hun kleding… de felle storm leek nog aan te wakkeren. De Cock zette de kraag van zijn regenjas omhoog. Om te voorkomen dat zijn trouwe hoofddeksel gejaagd door de wind in Hoornse dreven verdween, trok hij met beide handen zijn vilten hoedje tot op zijn oren.
Hij blikte opzij naar Vledder.
‘De hoeveelste is het vandaag?’ brulde hij boven de storm uit.
‘De 31ste.’
Gebukt, tegen de wind in, sjokte De Cock naar de ingang.
‘Daar was ik al bang voor,’ bromde hij. ‘Op deze dag in januari braken in 1953 in Zuid-Holland en Zeeland de dijken door en verdronken bijna tweeduizend mensen.’
Vledder gromde.
‘In ’53… was ik er nog niet.’
Na brede draai- en tochtdeuren bereikten de rechercheurs een ruime hoge hal met gesloten bloemen-, bladen- en boekenstallen. Het was er behaaglijk warm. Palmen en andere exotische planten maakten van de hal een gezellige wintertuin.
De Cock trok zijn klemmende hoofddeksel weer omhoog en keek rond. De hal scheen verlaten. Behoedzaam liep hij verder. Zijn voetstappen klosten op de betegelde vloer en echoden tegen de wanden.
Vledder volgde.
Ineens ontdekte De Cock op een klein terras, zittend in een comfortabele rieten fauteuil, een bejaarde vrouw in een wijnrode kamerjas. Haar voeten staken in een paar grote pantoffels en haar grijze haren waren gevangen in een netje. De oude rechercheur stapte bedaard op haar af. ‘Waar kan ik hier inlichtingen krijgen?’ vroeg hij vriendelijk.
De bejaarde vrouw keek naar hem op.
‘U zult even geduld moeten hebben. De nachtzuster is bezig. Ze zal zo wel komen.’
De Cock boog zich glimlachend naar haar toe.
‘Moet u niet naar bed?’
De bejaarde vrouw grijnsde. Ze trok haar kamerjas iets dichter om zich heen. ‘Ik kon niet slapen en bij mij op de zaal snurken ze zo. Daar word ik gek van. Daarom ben ik maar hier gaan zitten.’
Een knappe verpleegster in een nauwsluitend, bijna doorzichtig wit pakje, stapte door de hal. De Cock lichtte zijn hoedje.
‘Wij zijn op zoek naar een patiënt… de heer Van der Vennen uit Wervershoof. Zijn vrouw zou hier ook zijn.’
Het gezicht van de verpleegster versomberde. ‘Bent u familie?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Wij zijn rechercheurs van het bureau Warmoesstraat in Amsterdam. Mevrouw Van der Vennen heeft ons gebeld en gevraagd of wij kwamen.’ De grijze speurder keek haar schuins aan en monsterde haar gezicht.
‘Is er iets gebeurd?’ vroeg hij bezorgd.
De verpleegster ontweek een antwoord. ‘U kunt hier op mevrouw Van der Vennen wachten,’ sprak ze zacht. ‘Ze zal zo wel komen. De dokter is nog even met haar bezig.’
De Cock keek haar strak aan. ‘Is er iets gebeurd?’ vroeg hij dwingender.
De verpleegster liet haar hoofd zakken. ‘De heer Van der Vennen is dood. Hij overleed een paar minuten geleden.’
Mevrouw Van der Vennen keek naar De Cock op. Ze tikte met de toppen van haar vingers op haar borst. Tranen vulden haar blauwe ogen. ‘Hier… eh, hier is niets meer,’ stamelde ze. ‘Ik ben leeg vanbinnen. Het is alsof elk gevoel in mij is gestorven… gelijk met hem.’
‘Ik begrijp het.’
Mevrouw Van der Vennen slikte. ‘Een hele nacht en een dag heb ik aan zijn bed gezeten… gewacht tot hij zijn ogen zou opslaan… zijn mond zou openen om mij iets te zeggen.’
‘Hij heeft niets meer gezegd?’
Mevrouw Van der Vennen schudde haar hoofd en snikte. ‘Ik heb niet eens afscheid van hem kunnen nemen… niet eens kunnen zeggen dat ik oprecht van hem hield.’
‘Gebeurde het in Wervershoof?’
‘Wat?’
‘Die moordaanslag?’
Mevrouw Van der Vennen knikte. ‘Mijn man zat beneden in zijn kantoor te werken.’
‘Hoe laat was dat?’
‘Zo rond tien uur. Hij heeft het altijd druk en maakt vaak lange dagen. Waarom hij naar buiten is gegaan, weet ik niet. Onze buurvrouw, een paar huizen verderop, had net de televisie uitgedaan toen ze schoten hoorde, gevolgd door het gierende geluid van een auto die snel wegreed. Ze is gaan kijken en zag Bobbejaan waggelend naar huis teruglopen. Na een paar stappen viel hij en bleef liggen. Buurvrouw boog zich over hem heen en zag bloed aan zijn borst. Ze heeft mij onmiddellijk gewaarschuwd en in het kantoor van mijn man heeft ze de politie en de ambulance gebeld.’
‘Was uw man onmiddellijk buiten bewustzijn?’
Mevrouw Van der Vennen maakte een hulpeloos gebaar.
‘Ik… eh, ik was in paniek. Ik riep steeds maar: “Bobbejaan… Bobbejaan, wat is er gebeurd… wat is er gebeurd?” ’
‘Hij antwoordde niet?’
Mevrouw Van der Vennen sloot even haar beide ogen.
‘Zo nu en dan bewoog zijn mond. Ik hield er mijn oor dichtbij. Ik kon niet verstaan wat hij zei. Ik dacht iets te horen van: kel… kel. Maar daar kan ik mij ook in vergissen.’
Mevrouw Van der Vennen plukte een zakdoekje uit de mouw van haar blouse en droogde haar tranen.
‘Vertelt u mij wie het heeft gedaan?’
De Cock schudde zijn hoofd. ‘Ik mag als rechercheur de zaak van uw man niet in behandeling nemen.’
Mevrouw Van der Vennen keek hem verbijsterd aan.
‘Waarom niet?’
De Cock zuchtte.
‘Wervershoof behoort tot een andere regio dan Amsterdam. Ik ben niet bevoegd om hier op te treden.’
De ogen van mevrouw Van der Vennen vulden zich opnieuw met tranen. ‘Doet… eh, doet u dan helemaal niets om de moordenaar van Bob te vinden? U hebt hem gekend… weet wat een fijne man hij was. Zijn moordenaar… zijn moordenaar mag toch niet…’
Mevrouw Van der Vennen was niet in staat om haar zin af te maken en bij De Cock schoot een brok in zijn keel.
‘Ik… eh, ik zal,’ sprak hij haperend, ‘het onderzoek op een afstand volgen… raad geven… als men daarnaar luisteren wil.’
Mevrouw Van der Vennen bette haar tranen. Met een vurige blik keek ze naar hem op.
‘En als u weet wie het heeft gedaan… wilt u het mij dan vertellen?’
De Cock schatte haar blik. ‘Wilt u het graag weten… wilt u de moordenaar van uw man kennen?’
Mevrouw Van der Vennen knikte nadrukkelijk.
‘Dat wil ik.’
‘Waarom?’
Mevrouw Van der Vennen trok haar gezicht strak.
‘U, als rechercheur… gelooft u in gerechtigheid?’
De Cock ademde diep. ‘Aardse gerechtigheid,’ antwoordde hij ontwijkend, ‘blijft het werk van mensen… gebrekkig en onvolkomen. Ik ben bereid om in een hemelse gerechtigheid te geloven.’
Mevrouw Van der Vennen staarde voor zich uit. Om haar mond kwam een harde trek.
‘Hemelse gerechtigheid,’ reageerde ze smalend. ‘Zo lang kan en wil ik niet wachten.’