13

De heer Van Westerhoff, adjunct-bureauchef van de rijksdouanedienst op Schiphol wees naar de lichten van een groot slank vliegtuig, dat aan het einde van de startbaan omhoogtrok. ‘Daar gaat-ie,’ zei hij met een brede grijns. ‘Bestemming Houston.’

De Cock keek de lichten van het vliegtuig een tijdlang na. Toen draaide hij zich langzaam om en wendde zich tot de douaneman. ‘En?’

‘Niets.’

‘Wat niets?’

‘Hij is niet gekomen. Ik had mijn mannen goed geïnstrueerd en alle denkbare maatregelen genomen. Voor niets. Hij kwam niet.’ De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Het vliegtuig is dus zonder hem vertrokken?’

De adjunct-chef stak beide handen omhoog.

‘Dat neem ik aan. Voor zover ik heb kunnen nagaan, was er onder de passagiers voor Houston geen man die beantwoordde aan de beschrijving die u mij van Van Doornenbosch hebt gegeven.’

‘Stond hij wel op de passagierslijst?’

‘Ja, ik heb dat laten controleren. Van Doornenbosch stond erop.’ ‘A lleen? ’

‘Hoe bedoelt u?’

De Cock zuchtte.

‘Volgens mijn inlichtingen was Van Doornenbosch in het bezit van twee vliegtickets. Ik vraag mij af voor wie dat tweede ticket was.’ Van Westerhoff keek hem verwonderd aan. ‘Voor zijn echtgenote, natuurlijk.’

De Cock liet zijn mond openzakken. ‘Echtgenote?’ ‘Ja, op de passagierslijst stond: Van Doornenbosch en echtgenote.’

Ze reden in een matig gangetje terug naar Amsterdam. De Cock zat diep onderuitgezakt naast Vledder. Het schijnsel van het groene controlelampje van de mobilofoon gaf aan zijn vriendelijk gezicht de tegenstrijdige aanblik van een wegens verregaande goedheid uit de hel gestoten duivel. Hij grinnikte zachtjes voor zich uit. ‘Echtgenote,’ zei hij spottend. ‘Ik denk niet dat de KLM naar trouwboekjes vraagt.’

Vledder trok zijn kin uitdagend omhoog. ‘Jij wel?’

De Cock keek naar hem op.

‘Wat bedoel je?’

Vledder grijnsde.

‘Vraag jij wel naar trouwboekjes? Ik herinner mij niet dat jij de vrouw die ons in de Boerensteeg verraste naar haar trouwboekje hebt gevraagd.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Dat heb ik ook niet. Toch kan ik je vertellen dat zij ruim vijfendertig jaar geleden als Judith Klarenbeek in Amsterdam werd geboren. Ze was een gevierde danseres voor zij met Van Doornenbosch trouwde.’

‘Hoe kom je aan die wijsheid?’

‘Ik heb het even laten informeren. Er is overigens niets ten nadele van het echtpaar bekend.’

Vledder keek peinzend voor zich uit.

‘Zij was in ieder geval niet de vrouw die als echtgenote op de passagierslijst stond.’

De Cock glimlachte. ‘Een logische conclusie. De echte mevrouw Van Doornenbosch zou niet in de Boerensteeg naar haar man gaan zoeken als zij tegelijkertijd een afspraak met hem had om naar Houston te gaan.’ Hij pauzeerde even. ‘Alhoewel…’ ‘Wat?’

‘Misschien was de reis naar Houston wel een geheim dat mevrouw Van Doornenbosch onder geen beding aan ons wilde openbaren.’

Vledder keek hem onderzoekend aan.

‘Je bedoelt dat mevrouw Van Doornenbosch wel de echtgenote van de passagierslijst was, maar dat de heer Van Doornenbosch niet op tijd verscheen om zich reisvaardig te maken?’ De Cock knikte langzaam.

‘Zo zou het kunnen zijn,’ zei hij bedachtzaam. ‘Het is in ieder geval een mogelijkheid die wij niet mogen verwaarlozen. Toch lijkt het mij veiliger om de echtgenote van de passagierslijst voorlopig geen naam te geven, maar simpel het tweede ticket te noemen. Dat voorkomt verrassingen. Zie je, dartele mannen van het type van Van Doornenbosch hebben vaak een zwak voor amoureuze perikelen.’

Vledder lachte.

Een tijdlang reden ze zwijgend voort. Vledder staarde gespannen door de voorruit. Zijn jeugdige gezicht stond ernstig. Boven zijn neus, tussen zijn ogen, lag een dwarse denkrimpel. ‘Weet je,’ zei hij plotseling, ‘we hebben er al drie.’

De Cock keek verrast naar hem op.

‘Drie wat?’

Vledder grijnsde.

‘Drie vrouwen. Tel maar op. De echte echtgenote, de echtgenote van de passagierslijst en… de vrouw die belde.’ De Cock fronste zijn stoppelige wenkbrauwen.

‘Je bedoelt de vrouw die de tip gaf dat vriend Van Doornenbosch in het bezit was van twee vliegtickets?’

Vledder knikte.

‘Precies, en zij is voor ons een heel belangrijke vrouw. Ga maar na. Ten eerste wist zij dat Van Doornenbosch het land ging verlaten en ten tweede… dat jij daar belangstelling voor had. En vooral dat laatste is bijzonder interessant. Het betekent namelijk dat zij de relatie kent of vermoedt tussen Van Doornenbosch en… de overval.’ De Cock drukte zich uit zijn halfliggende houding omhoog en keek zijn vroegere leerling glunderend aan.

‘Goed,’ zei hij bewonderend, ‘heel goed. Ik had het zelf beslist niet beter gekund. Een glasheldere redenering. Die vrouw is voor ons onderzoek inderdaad van het grootste belang.’ Vledder bloosde onder het geweld van zoveel lof. ‘Het is alleen jammer,’ zei hij spijtig, ‘dat wij niet weten wie zij is. Zij zou ons misschien kunnen vertellen voor wie dat tweede ticket was.’ ‘En,’ vulde De Cock aan, ‘waarom de reis van Van Doornenbosch uiteindelijk niet doorging.’

Ze reden de stad binnen. De straten lagen er op het nachtelijk uur verlaten bij. Geen bussen, geen trams. Een enkele melkwagen rammelde over de Overtoom.

De Cock wreef met de rug van zijn hand langs zijn ogen. ‘Breng mij naar huis,’ geeuwde hij. ‘Ik wil een paar uur slapen. Morgen zien we wel weer.’

Vledder trok aan het eind van de Overtoom de wagen linksaf de Nassaukade op.

‘Heb je nog plannen?’

De Cock knikte traag. ‘Zo gauw je wakker bent, ga je naar Haarlem en vraagt belangstellend aan mevrouw Van Doornenbosch of haar man inmiddels is thuisgekomen.’

‘En?’

‘Wat?’

‘A ls h ij is t huisgekomen? ’

De Cock haalde nonchalant zijn schouders op.

‘Dan laat je heel vriendelijk je mooie tanden zien en zegt zalvend dat het nu eenmaal de gewoonte is van liefhebbende vrouwen om zich voor niets zorgen te maken. En als meneer de secretaris nog steeds niet is komen opdagen, dan beloof je plechtig dat wij ijverig naar hem zullen gaan zoeken.’ Vledder knikte begrijpend.

‘En wat doe jij?’

De Cock wreef zich in zijn handen en grinnikte.

‘Ik ga naar vriend Lowietje. Ik ben benieuwd wat vandaag aan de dag de whisky kost.’

Met zijn breed gezicht in een vriendelijke grijns, slenterde De Cock over de Achterburgwal. Een paar uur slaap had de vermoeidheid uit zijn botten verdreven en hij voelde zich bereid weer een dag vol misdaad onder ogen te zien. Hij groette opgewekt een paar zware jongens en lichte meisjes en bezorgde vriend en ex-inbreker Handige Henkie, die wat moeizaam voor hem uit strompelde, een doodschrik door onverhoeds een zware hand op zijn schouder te leggen.

Henkie kromp ineen en draaide zich toen langzaam om. Zijn gezicht zag rood en hij had een schichtige blik in zijn ogen. Hij zuchtte zichtbaar van opluchting toen hij de rechercheur herkende.

‘Verdomme De Cock’, zei hij hoofdschuddend, ‘dat moet je bij mij niet meer doen. U weet, dat ik al jaren uit de penoze ben, maar toch… als ik een hand op mijn schouder voel, krijg ik de stuipen.’

De Cock glimlachte.

‘Niet aan het werk?’

Henkie gebaarde naar zijn linkerbeen.

‘Ik heb van de week in het magazijn een brok ijzer op mijn poot gehad.’

‘Je weet toch zeker,’ vroeg hij argwanend, maar met een grijns, ‘dat het een brok ijzer was?’

Henkie keek hem vol onschuld aan.

‘Natuurlijk, wat dacht u dan? U ziet het, ik huppel er opgewekt mee in de ziektewet. Het kan nog wel een paar dagen duren, zegt de dokter.’

De Cock trok zijn gezicht in een ernstige plooi.

‘Je bent er maar mooi mee,’ zei hij op meewarige toon. ‘Enfin, je hebt nu in ieder geval de tijd om met mij en op mijn kosten een drankje te gaan drinken.’

Henkie grijnsde. ‘Alle tijd van de wereld.’

Aan de zijde van De Cock strompelde hij mee naar het penozecafeetje van Smalle Lowie.

Ze schoven de zware gordijnen opzij en stapten naar binnen. Er was op het vroege uur nog geen enkele bezoeker. Lowietje stond achter de tapkast en poetste glazen. Hij groette joviaal. De Cock en Handige Henkie liepen door tot achter in het schemerige lokaaltje en gingen daar aan een tafeltje zitten. Henkie trok een extra stoel bij en vlijde daarop zijn gekwetste linkerbeen.

‘Ik moet ermee rusten,’ zei hij verklarend.

De Cock knikte begrijpend.

Smalle Lowietje slofte naderbij. Op een morsig blaadje torste hij twee flessen en drie glazen.

‘Kom eens gezellig bij ons zitten,’ nodigde De Cock uit. ‘Ik trakteer.’

Lowietje trok een grijns. ‘Hoezo… ben je jarig?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Nee, dat duurt nog wel een paar maanden. Ik heb de zaak van de overval zo goed als opgelost.’ Hij maakte een nonchalant gebaar. ‘En dat is toch wel een dronk waard. Vind je niet?’ Henkie snoof.

‘Het is maar hoe je het bekijkt,’ zei hij smalend. ‘Ik voor mij vind dat nou niet direct een reden om feest te vieren.’ De Cock lette scherp op de reacties van Smalle Lowietje. Bij zijn rechteroog registreerde hij een zenuwtrek.

‘Ik heb er nog niets van in de kranten gelezen,’ zei hij terwijl hij inschonk.

De Cock beluisterde een lichte achterdocht.

‘Ik denk dat de commissaris de pers nog niet heeft willen inlichten vóórdat ik de daders heb gearresteerd. Ze zouden, gealarmeerd door berichten in de pers wel eens opnieuw op de vlucht kunnen slaan. En dat willen wij vóór alles voorkomen. Het doel is een spoedige arrestatie.’ Hij pauzeerde even voor het effect. ‘We hopen echt dat het niet lang meer duurt. Het kon dan wel eens te laat zijn.’

Handige Henkie keek hem verbaasd aan. ‘Te laat?’

De Cock knikte met een ernstig gezicht. ‘Een van de jongens is bij de overval gewond geraakt. Hij heeft tijdens zijn vlucht van een diender een schot in zijn rug opgelopen. We weten dat de man vrij veel bloed heeft verloren. Als die kogelwond niet snel en goed wordt behandeld, kon het wel eens fataal zijn.’ ‘Je bedoelt dat-ie er kapot aan gaat?’

De Cock maakte een mistroostig gebaar.

‘Het is altijd gevaarlijk om met een schotwond te blijven rondlopen.’

Handige Henkie schudde vertwijfeld het hoofd.

‘Waarom meldt die jongen zich dan niet? Hoeveel straf zal hij voor die overval krijgen? Twee jaar? Heeft hij net mooi de tijd om volledig te genezen.’

De Cock speelde nadenkend met het glas in zijn hand. ‘Moord… voor moord kom je met twee jaar gevangenisstraf niet klaar.’

Lowietje kwam met een ruk van zijn stoel overeind. Zijn langgerekt gezicht zag rood en zijn adamsappel wipte op en neer. ‘Die jongens,’ riep hij fel, ‘hebben met de moord op Sluwe Pietje niets te maken.’

De Cock keek verrast omhoog.

‘Zo,’ zei hij bedaard, ‘dat is een buitengewoon krasse uitspraak.’ Hij leunde in zijn stoel achterover en staarde Lowietje onafgebroken aan. ‘Vind je het gek als ik je vraag hoe je aan die wijsheid komt?’

De Smalle slikte. Een blauwe ader klopte in zijn magere hals. Langs zijn schonkige wangen zwiepte een zenuwtrek. ‘Ik… ik dacht zomaar.’ De Cock streek met zijn pink over de rug van zijn neus. ‘Ik meen mij te herinneren,’ zei hij traag, ‘dat jij bij ons vorig onderhoud heel anders dacht.’

Hij trok zijn bovenlip op en grijnsde vals. ‘Je bent toch niet van mening veranderd sinds zij de whisky van jou betrekken?’

Загрузка...