18

‘Intuïtie… intuïtie.’

De jonge Vledder stak in wanhoop zijn beide armen omhoog. ‘Die meid maakt mij ziek met haar intuïtie.’

De Cock keek hem lachend aan.

‘Je hebt natuurlijk de pee in omdat ze je afblafte.’ Hij imiteerde wat stuntelig de stem van Flossie. ‘Dient u ook het recht?’ Vledder gebaarde heftig.

‘Recht…wat weet dat kind van recht? Zij zit vol met wraak.’ De Cock schudde zijn hoofd.

‘Vol met verdriet,’ verbeterde hij.

Vledder grijnsde.

‘Verdriet,’ zei hij misprijzend. ‘Heb je haar ogen gezien toen ze dat pistool vasthield? Als ze een kans had gekregen, dan had ze hem vermoord. Geloof me. En op basis waarvan? Een roddel… een roddelverhaal van een stelletje hysterische telefonistes.’ Zijn gezicht zag rood van verontwaardiging. ‘Meer niet.’ De Cock streek over zijn grijze haren.

‘Van Doornenbosch is dood,’ zei hij gelaten. ‘Of we er ooit nog eens achter komen of hij inderdaad de man was die Peter van Geffel vermoordde…’ Hij maakte een mistroostig gebaar. ‘In ieder geval kunnen we Florentine La Croix uitsluiten. Ik zal uiteraard het pistool nog laten onderzoeken, maar ik ben er nu al vrijwel zeker van dat zij niet verantwoordelijk is voor de dood van de secretaris.’

Vledder haalde onwillig zijn schouders op.

‘Ik moet je helaas gelijk geven,’ zei hij spijtig. ‘Ik geloof ook niet dat Flossie Van Doornenbosch vermoordde.’ Hij zuchtte diep. ‘Het is jammer. Ze zou zo’n passende verdachte zijn geweest. Ze had een motief, een pistool… en een kat.’

De Cock legde met een pijnlijk gezicht zijn beide benen op zijn bureau. Hij had moeie voeten en voelde weer die duivelse prikkelingen in zijn kuiten. Het maakte hem onrustig. Het was in de regel een slecht voorteken. Maar nu hoopte hij toch vurig dat het voorteken hem bedroog en dat hij dichter bij de oplossing was dan zijn voeten hem wilden doen geloven.

Hij wuifde naar Vledder, die in een stoel tegenover hem was gaan zitten.

‘Hoe is het met het geld dat in de bagageruimte onder het lijk van de secretaris lag?’

‘Dat ligt in de kluis van het hoofdbureau.’

‘Het is toch geteld?’

‘Ja, natuurlijk.’

‘Hoeveel is het?’

‘Zeshonderdvijfentwintigduizend gulden, bestaande uit enkele bankbiljetten van duizend, maar verder voornamelijk kleinere biljetten. Het tellen was nog een heel karwei. Als de opgave van de N.V. Van der Bent & Goossens juist is, dan is er nog één miljoen achthonderdvijfenzeventigduizend gulden zoek.’ De Cock glimlachte.

‘Samen met de lieden die de overval pleegden.’

Vledder beet een tijdje nadenkend op de nagel van zijn rechterduim. ‘Vind je dat niet vreemd?’ vroeg hij na een poosje. De Cock keek hem niet-begrijpend aan. ‘Dat de anderen er met één miljoen achthonderdvijfenzeventigduizend vandoor zijn?’ Vledder schudde zijn hoofd.

‘Ik bedoel die zeshonderdvijfentwintigduizend onder het lijk van Van Doornenbosch. Dat roept onmiddellijk een vraag op.’ ‘Wat voor vraag?’

Vledder gebaarde ongeduldig.

‘Waarom liet de moordenaar het geld liggen? Mooi makkelijk geld, kleine coupures, die hij zo zonder bezwaar had kunnen uitgeven.’ Hij sloeg hard met zijn vuist op het bureau. ‘Dat is toch idioot. Daar moet toch een reden voor zijn?’

De Cock schoof zijn onderlip naar voren.

‘Misschien,’ zei hij aarzelend, ‘misschien interesseerde de moordenaar zich niet voor het geld.’

Vledder stond geagiteerd op.

‘Wat is de opzet van deze hele affaire?’

‘Roof,’ antwoordde De Cock laconiek.

‘Juist…en waarom werd Sluwe Pietje vermoord?’

‘Vermoedelijk omdat hij, gedreven door het geweten ván en zijn liefde vóór de mooie Flossie, de overval wilde voorkomen.’ Vledder boog zich naar zijn mentor.

‘Juist, de lieden die deze zaak op touw hebben gezet zijn dus duidelijk op geld uit. Niets anders. Zelfs een moord vormt geen beletsel.’ Hij grinnikte vreugdeloos. ‘En toch laat men zeshonderdvijfentwintigduizend gulden, mooi belastingvrij geld, renteloos in een bagageruimte bij een dood lijk achter.’ De Cock lachte om de formulering.

‘Je hebt gelijk, Dick. Het is inderdaad hoogst merkwaardig.’ Hij gebaarde voor zich uit. ‘Trouwens, de wagen aan het Gein is in zijn geheel een merkwaardige zaak. Door het vinden van de nummerplaten NG 12–83 kunnen we aannemen dat men na de overval met de Simca naar de schuilplaats aan de Boerensteeg is gereden. Maar daar kon hij uiteraard niet blijven. Hij zou dan ook vrijwel onmiddellijk door onze mensen zijn gevonden. Wat mij nu al een tijdje intrigeert is, waar bleef de wagen daarna? Ik bedoel vanaf de Boerensteeg tot aan het moment waarop hij aan het Gein letterlijk en figuurlijk aan de dijk werd gezet?’ Vledder stak een sigaret op en blies de rook naar de zoldering. ‘Als we wisten,’ zei hij gemelijk, ‘wie de wagen met het lijk naar het Gein reed, dan waren we al een stuk verder.’ De Cock knikte.

‘Hebben de bandensporen nog iets opgeleverd?’

‘Je bedoelt die aan het Gein?’

‘Ja.’

Vledder haalde zijn notitieboekje uit zijn binnenzak. ‘Het grondmonster,’ zei hij bladerend, ‘heb ik nog in de la van mijn bureau. Daar kunnen we toch voorlopig nog niets mee doen.’ Hij vouwde zijn boekje open. ‘De banden,’ las hij, ‘zijn zogenaamde radiaalbanden. Ze zijn nog vrij nieuw. Er was in de klei een scherp, diep profielspoor. Ik schat dat er met de banden niet meer dan tien- à vijfduizend kilometer was gereden. De wielbreedte was 1,40 à 1,45 meter en de wielbasis 3,10 à 3,15 meter.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen. ‘Hoe groot was de wielbasis?’

‘Drie meter tien… drie meter vijftien, ongeveer. Het was daar op het weggetje aan de rand van de dijk niet zo precies te meten.’ De Cock sloeg met zijn vlakke hand tegen zijn voorhoofd. ‘Stom, dat ik niet eerder met je over die bandensporen ben begonnen.’

Vledder keek hem verbaasd aan. ‘Wat dan?’

De Cock nam met een zwaai zijn benen van het bureau en slenterde naar de kapstok.

‘Die wielbasis van 3,15 meter.’

Vledder liep achter hem aan.

‘Wat is daarmee?’

De Cock trok zijn jas aan.

‘Ik ben een ouderwetse man,’ zei hij vriendelijk grijnzend. ‘Ik heb niet zoveel verstand van auto’s. Ik weet alleen dat drie meter vijftien voor een personenauto een uitzonderlijke wielbasis is. Bij de meeste wagentypen is de wielbasis niet veel groter dan 2,40 à 2,50 meter. Ik ken feitelijk maar twee wagens met een zogenaamde longwheelbasis: de onvolprezen Rolls Royce en… de Bentley.’

Vledder keek hem aan. Een moment was hij sprakeloos. Toen begonnen zijn ogen te glinsteren.

‘De wagen van Van der Bent.’

Dick Vledder chauffeerde de Volkswagen met vaste hand door het woelige stadsverkeer. Op zijn jeugdige gezicht lag een sombere, ontevreden trek.

De Cock keek hem van opzij aan.

‘Wat is er?’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Niets,’ zei hij kriegelig, ‘niets bijzonders. Ik heb alleen een beetje de pee in op mijzelf. Dat is alles.’

De Cock glimlachte.

‘Waarom?’

Vledder antwoordde niet direct. Hij keek strak voor zich uit naar de weg.

‘Het zit me dwars,’ zei hij na een poosje.

‘Wat?’

‘Die sporen… die bandensporen aan het Gein. Kijk, De Cock, ik heb ze vanmiddag aan het dijkje ontdekt. Ik heb ze nauwlettend bekeken. Ik heb ze zorgvuldig opgemeten en alles keurig in mijn boekje geschreven.’

‘Nou en?’

Vledder kneep zijn lippen op elkaar.

‘Dat jij mij moest vertellen dat de bandensporen naar Van der Bent leiden… zie je, dat zit me niet lekker. Ik had er verdomme zelf op moeten komen.’ Hij keek argwanend opzij naar zijn oude leermeester. ‘Hoe… hoe kwam jij zo op die Bentley? Voor zover ik weet, interesseer jij je helemaal niet voor auto’s.’ ‘Het was niet zo moeilijk,’ bekende De Cock. ‘Het kwam eigenlijk door een opmerking van opperwachtmeester Windt. Hij zei dat hij nog nooit door middel van voet- en bandensporen een zaak had opgelost. Dat zette mij aan het denken. Ik vroeg mij af welke kansen wij hadden. De kring van onze verdachten was niet zo groot. Voor zover mij bekend was er maar één met een auto.’ ‘Van der Bent met zijn Bentley.’

De Cock knikte.

‘En toen ik wat technische gegevens over die wagen opzocht, kwam ik vanzelf op die lange wielbasis.’

Vledder keek De Cock bewonderend aan.

‘Fantastisch.’

De Cock glimlachte.

‘Dank je,’ zei hij. ‘Het was alleen stom van me om niet direct naar het resultaat van je opmetingen te vragen.’

Een tijdlang reden ze zwijgend voort. Het ging niet snel. De meeste verkeerslichten in de binnenstad zaten tegen. Leunend op zijn stuur vloekte Vledder op de chef van de verkeersdienst, die verantwoordelijk was voor de regeling van de lichten op de kruispunten. Het was een onrechtvaardige kritiek. De Cock zat behaaglijk onderuitgezakt. Plotseling ontdekte hij onder het colbertje van de jonge rechercheur een verdikking. Hij strekte zijn hand en voelde een schouderholster met een pistool. ‘Gewapend?’

Vledder kreeg een kleur. Hij voelde zich betrapt. Hij kende de afkeer van De Cock voor wapens.

‘Ik heb het lijk van Van Doornenbosch gezien,’ zei hij verontschuldigend. ‘Ik voel er weinig voor om op dezelfde manier te worden neergeschoten.’

De Cock reageerde niet. Zijn gedachten speelden rond de figuur van Van der Bent. De opmerking dat hij nooit voor de tweede keer had moeten trouwen, had tijdens het onderzoek meer diepte gekregen. De vrouw van de directeur was hem ontrouw. Dat was duidelijk. Ze had relaties onderhouden met de secretaris. Zoals zo vaak in dergelijke gevallen was iedereen daarvan op de hoogte behalve de bedrogen echtgenoot. Lag hier een motief voor moord? Een crime passionnel? Maar in welk verband stond dat alles met de overval?

Vledder onderbrak zijn overpeizingen. ‘Zou Van der Bent thuis zijn?’

De Cock knikte traag.

‘Ik denk van wel,’ zei hij voorzichtig. ‘Hij is de hele dag niet op kantoor verschenen.’

Vledder grinnikte. ‘Hoe weet je dat?’

‘Ik heb het laten controleren. Zie je, Van der Bent was nooit uit mijn gedachten.’

‘Jij hebt alles in je gedachten.’

Het klonk wat schamper.

De Cock trok zijn rechterschouder wat omhoog.

‘Ik doe mijn best,’ zei hij simpel. ‘Het is overigens een kwestie van routine.’ Ze reden onder de Utrechtsebrug door langs de linkeroever van de Amstel. Het was er stil. Het stadsrumoer leek plotseling ver weg. Zachtjes glinsterde de rivier in het bleke licht van de maan. Het had iets spookachtigs. Bij de oude begraafplaats Zorgvlied hees De Cock zich wat omhoog. ‘Stop hier.’

Vledder keek hem verwonderd aan. ‘We zijn er nog niet.’ De Cock knikte.

‘We gaan verder lopen.’

Ze parkeerden de wagen aan de kant van de weg en stapten uit. Onder weg spra ken ze geen woord. Vla k voor de villa va n Va n der Bent bleef De Cock staan en haalde een plastic zakje te voorschijn. ‘Steek dit bij je.’

‘Wat moet ik ermee?’

‘Je kunt modder toch niet in je handen houden.’

‘Modder?’

De Cock zuchtte omstandig.

‘Weet je nog,’ vroeg hij geduldig, ‘hoe wij tijdens ons vorige bezoek aan de villa via de garage binnenkwamen?’ ‘Ja.’

‘Mooi, diezelfde weg nemen we nu weer. Alleen kondigen we ons bezoek niet aan. Als Van der Bent zoals ik verwacht, thuis is, dan staat de Bentley in de garage. Je schraapt wat modder van de zijkanten en uit de profielgroeven van de banden en doet dat in het plastic zakje. Ik licht je wel bij. Misschien hebben we geluk. Het heeft sinds gisternacht niet geregend en de directeur heeft intussen zijn wagen niet openlijk grondig laten schoonspuiten.’ ‘En daarna?’

De Cock glimlachte.

‘Daarna gaan we beiden naar de officiële voordeur en melden ons als eerbare dienaren van de wet.’

Over het gezicht van Vledder gleed een brede grijns. ‘En dat zijn we.’

Загрузка...