11

Op de Realengracht, voor een oud, tot appartementen omgebouwd pakhuis, stond een politiesurveillancewagen met blauw zwaailicht half op het trottoir. Een jonge diender kwam uit de wagen en liep op De Cock toe. De oude rechercheur keek hem aan en meende de gelaatstrekken te herkennen.

‘Was jij er ook bij,’ vroeg hij wat onzeker, ‘toen we van de week in de appartementen op de Brouwersgracht het lijk van een vrouw hebben gevonden?’

De jonge diender knikte.

‘Dat was ik… met dezelfde maat.’

‘Hoe heet je?’

‘Jan Rozenbrand.’

De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.

‘Je vader is toch ook bij de politie?’

‘Ja, Peter Rozenbrand, rechercheur aan het hoofdbureau, afdeling Narcotica.’

De Cock keek hem bewonderend aan.

‘Je hebt er de vorige keer een goed mutatierapport van gemaakt.’

Jan Rozenbrand glimlachte gevleid.

‘Ik heb wel wat van mijn vader geleerd.’

De jonge diender wees langs de gevel van het pakhuis.

‘Het is op de tweede etage,’ legde hij uit. ‘Toen de buurvrouw van de derde etage na het bijwonen van een theatervoorstelling thuiskwam, vond ze op de tweede etage de toegangsdeur tot appartement 4 openstaan. Ze vond dat vreemd. Die deur staat, zeker zo laat op de avond, nooit open. Ze heeft eerst een paar maal geroepen. Toen ze geen antwoord kreeg is ze de woning binnengegaan.’

‘En vond een dode vrouw.’

Jan Rozenbrand knikte.

‘Mijn collega staat boven bij het lijk te wachten tot u komt. Ik heb zelf ook even naar haar gekeken. Volgens mij is er geen verschil.’

‘Waarmee?’

‘Met de Brouwersgracht. Op dezelfde manier gewurgd.’

Hij duimde over zijn schouder naar de surveillancewagen.

‘Zal ik via de mobilofoon om de meute vragen?’

De Cock glimlachte.

‘Doe maar. Ik hoop dat het spul nog niet op een oor ligt.’

Jan Rozenbrand liep van hem weg naar de wagen. De Cock riep hem terug. ‘Heb je de naam van de vrouw van de derde etage?’

De jonge diender knikte.

‘Staat in mijn boekje.’

‘Heeft zij de politie gebeld?’

Jan Rozenbrand knikte opnieuw.

‘Boven in haar eigen woning. Ze vertelde dat op het moment dat zij de dode vrouw vond, daar net de telefoon ging.’

‘En?’

‘Ze durfde de hoorn niet op te pakken.’

De Cock maakte een berustend gebaar.

‘Zet dat gegeven en haar volledige naam ook in je mutatierapport. Uitgebreid. Je weet inmiddels hoe dat moet.’

Jan Rozenbrand knikte.

‘Wilt u de naam van de dode vrouw? Die heb ik van het tableau met drukbellen overgenomen. Ik neem tenminste aan dat zij de bewoonster is. Tweede etage, appartement 4.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ik denk dat ik die naam wel ken.’

De grijze speurder slenterde van hem weg naar de deur en beklom de brede houten trap naar de tweede etage.

Vledder volgde.

Boven op het portaal bleef de oude rechercheur staan, bracht zijn ademhaling weer op peil en snoof. In het oude pakhuis hing nog de weeë zoete geur van de cacaobonen die hier eeuwenlang werden opgeslagen.

In de deuropening van appartement 4 stond een diender. Hij tikte ter begroeting aan de klep van zijn pet.

‘Ik ben maar hier op het portaal gaan staan. Binnen hield ik het niet uit. Ik sta niet graag lange tijd zo dicht bij een dood mens.’

De Cock keek hem monsterend aan.

‘Nog steeds niet aan de dood gewend?’

Zonder op antwoord te wachten liep de oude rechercheur aan de diender voorbij en ging naar binnen. In de hal herkende hij de parfumlucht. Hij snuffelde in de garderobe-nis en wees naar een gek jagershoedje met een vreemde klep.

Vledder reageerde niet.

In de hal nam De Cock de middelste van drie deuren en duwde die open. Een scharnier piepte een beetje. De oude rechercheur blikte in een ruim vertrek met hoge fauteuils om een ronde tafel. De situatie van de middag was vrijwel ongewijzigd.

Buiten de kring van de fauteuils lag op haar rug het lichaam van een vrouw. Ze was gekleed in een effen bruin mantelpakje van ruige tweed. Haar armen lagen strak langs haar lichaam. De handen waren iets geklauwd. Haar voeten, ongeveer veertig centimeter uit elkaar, staken in stoere, stevige wandelschoenen.

De Cock nam het beeld even in ogenschouw. Toen hij tot de overtuiging was gekomen dat niets hem was ontgaan, stapte hij op de vrouw toe en knielde bij haar neer.

Haar ogen, in de dood verstard, staarden naar de zoldering.

Strak om haar hals gewikkeld zat een lichtgroene zijden sjaal.

Snoerende strangulatiegroeven waren aan de randen zichtbaar.

Midden op haar voorhoofd kleefde een gedroogd blad.

Vledder boog zich over De Cock. De hete adem van de jonge rechercheur kriebelde in zijn nek.

‘Aleida de Waal,’ lispelde hij.

De Cock knikte.

‘Net als Anna-Marie de Graaf gewurgd met een groene zijden sjaal.’

Vledder wees.

‘Op haar voorhoofd kleeft een gedroogd cannabisblad.’

De Cock kwam uit zijn geknielde houding overeind en blikte om zich heen.

‘Waar,’ vroeg hij grimmig, ‘is Gerard van Akkeren?’

Bram van Wielingen, de politiefotograaf, stapte dreunend het vertrek binnen. Hij zwaaide ter begroeting naar De Cock en zette zijn aluminiumkoffertje in een van de fauteuils.

‘Ik zou net naar bed gaan,’ brulde hij luid. ‘Toen de telefoon ging had ik potjandorie al een been in mijn pyjama.’

De Cock keek hem bestraffend aan.

‘Schreeuw niet zo. Hier ligt een dode.’

Bram van Wielingen grijnsde.

‘Die hoort toch niets meer.’

‘De dood verdient eerbied.’

Bram van Wielingen trok zijn schouders op.

‘Nonsens,’ lispelde hij. ‘Iedereen gaat dood. Hoeveel eerbied moeten wij dan opbrengen?’

De Cock reageerde niet.

De fotograaf klapte zijn koffertje open, nam daaruit een fraaie

Hasselblad en monteerde een flitslicht. Eerst daarna keek hij naar de dode vrouw op de vloer.

‘Verrek,’ riep hij geschrokken, ‘al weer een. Het wordt toch geen epidemie?’

De Cock draaide zich om. In de deuropening stond dokter Den Koninghe. Achter hem torenden twee levensgrote broeders van de Geneeskundige Dienst, een brancard tussen hen in.

De oude rechercheur liep op de oude lijkschouwer toe en begroette hem hartelijk. Achter zijn rug fl itste Bram van Wielingen voor de eerste keer in het dode gelaat.

Dokter Den Koninghe trok aan de vouw de pijpen van zijn pantalon iets omhoog en hurkte bij de dode neer. Hij bekeek de strangulatiestriemen in haar hals, voelde met de rug van zijn hand aan haar kin en wangen en drukte in een devoot gebaar met duim en wijsvinger haar oogleden toe. Daarna kwam hij moeizaam uit zijn gehurkte houding omhoog.

De Cock wachtte geduldig de reeks routinehandelingen van de oude lijkschouwer af. Toen de dokter de glazen van zijn ziekenhuisbrilletje had gepoetst, sprak hij laconiek: ‘Ze is dood.’

‘Dat begreep ik,’ reageerde De Cock simpel.

De oude lijkschouwer gebaarde naar de dode.

‘Nog niet zo lang. Ik schat hooguit een uur. Haar lichaamstemperatuur is nog hoog.’

Hij keek naar De Cock op.

‘Je hebt de dader van de vorige nog niet gepakt?’

De grijze speurder schudde zijn hoofd.

‘Dan had deze vrouw nog geleefd,’ sprak hij somber. ‘Het is een vrijwel identieke moord.’

Dokter Den Koninghe knikte begrijpend. Hij wees nog eens naar de dode op de vloer.

‘Ik vind dat cannabisblad op haar voorhoofd toch heel decoratief.’

Met een lach op zijn gezicht lichtte de oude lijkschouwer tot afscheid zijn garibaldihoed, draaide zich om en liep het vertrek uit.

De Cock keek hem enige ogenblikken na. Daarna wendde hij zich tot de fotograaf, die zijn Hasselblad behoedzaam in zijn koffertje teruglegde.

‘Ben je klaar?’

Bram van Wielingen knikte.

‘Morgen heb je de foto’s bij je op het bureau. Hoe vond je mijn vorige prenten?’

‘Prima.’

De fotograaf pakte zijn koffertje op, groette tot afscheid en liep het vertrek uit. Vrijwel op hetzelfde moment kwam Ben Kreuger binnen.

De dactyloscoop wuifde naar De Cock en keek naar de dode vrouw op de vloer.

‘Dezelfde moordenaar?’

De Cock knikte.

‘Vrijwel zeker.’Ben Kreuger nam uit zijn koffertje een kleine plastic pot met aluminiumpoeder en zijn dassenharen kwast en begon aan de deurstijlen. Met zwart folie nam hij de door het aluminiumpoeder zichtbaar geworden vingerafdrukken over en bekeek ze aandachtig.

Verrast liep hij naar De Cock toe en liet het stuk folie zien.

‘Ik zal het uiteraard nog moeten verifiëren,’ sprak hij met ingehouden spanning, ‘maar ik ben er bijna van overtuigd dat ik dezelfde vingerafdruk ook in dat appartement aan de Brouwersgracht heb gevonden.’

De Cock bekeek de folie.

‘Heb je die vingerafdruk kunnen thuisbrengen?’

Ben Kreuger schudde zijn hoofd.

‘Hij kwam in onze collectie niet voor.’

‘Zoek eens op de naam Gerard van Akkeren.’

De dactyloscoop pakte zijn pen en noteerde de naam.

‘Wat weet je van hem?’

‘Weinig. Zijn naam wordt in verband gebracht met de handel in drugs.’

Ben Kreuger wees grinnikend naar de dode vrouw.

‘Wijst dat cannabisblad op haar voorhoofd naar hem?’De Cock negeerde de vraag.

Jan Rozenbrand, de jonge diender, stormde het vertrek binnen.

‘Ik heb een man gearresteerd,’ sprak hij hijgend.

De Cock keek hem verrast aan.

‘Waarom?’

‘De man kwam vanaf de Zandhoek de Realengracht op lopen.

Toen hij onze surveillancewagen met zwaailicht zag, draaide hij zich snel om en rende weg. Ik vond dat verdacht. Ik ben hem onmiddellijk achterna gegaan en op Bokkinghangen bij het Barentszplein kreeg ik hem te pakken.’

‘Heeft hij nog iets gezegd… verklaard waarom hij zo snel de benen nam?’

Jan Rozenbrand schudde zijn hoofd.

‘Ik heb hem ook niets gevraagd. Dat laat ik liever aan u over.’

‘Waar is hij nu?’

‘Beneden. Ik heb hem met handboeien aan een buis van de verwarming geketend.’

De Cock trok rimpels in zijn voorhoofd.

‘Meer heb je niet?’

‘Hoe bedoelt u?’

‘Hij rende van de Realengracht weg toen hij een politieauto zag staan?’

Jan Rozenbrand knikte.

‘Is dat niet verdacht?’

‘Het is verdacht,’ bevestigde De Cock.

‘Laten we samen eens naar hem gaan kijken,’ sprak hij vriendelijk.

Achter de jonge diender aan liep De Cock de brede houten trap af. In het portaal, met een handboei aan een buis van de verwarming vastgezet, zat een jongeman.

De Cock liet zich door zijn knieën zakken en hurkte bij hem neer. Om zijn lippen dartelde een glimlach.

‘Dag… Arno.’

In het aloude politiebureau aan de Amsterdamse Warmoesstraat blikten de lichtgroene ogen van Arno de Graaf schichtig om zich heen naar de kale wanden van de grote recherchekamer. Hij streek met zijn vingers langs de hals van zijn T-shirt.

De omgeving benauwde hem zichtbaar. Hij draaide zijn gezicht naar De Cock.

‘Tante Aleida is dood?’

De oude rechercheur knikte.

‘Vermoord.’

Arno de Graaf zuchtte diep.

‘Ik vond het al zo gek dat ze mijn telefoontje niet opnam. Hoe?’

‘Wat bedoel je?’

‘Hoe werd ze vermoord?’

‘Gewurgd.’

‘Net als moeder?’

‘Precies zo.’

‘Dezelfde vent?’

‘Of vrouw.’

Arno de Graaf schudde zijn hoofd.

‘Het was geen vrouw.’

‘Hoe weet jij dat?’

‘Dat voel ik.’

De Cock glimlachte.

‘Daar koop ik geen brood voor. Heb je voor mij niet meer dan dat gevoel… bewijzen?’

Arno de Graaf ontweek de vraag. Hij liet zijn hoofd iets zakken.

‘Het is allemaal de schuld van moeder… een eigenwijs wijf. Vader zat bij Pedro de Jaager in de handel in hasjiesj. Het ging hem niet slecht. Echt niet. Maar moeder wilde meer. Ze stookte vader op om zelf in de hasjhandel te gaan.’

De Cock keek hem ongelovig aan.

‘Buiten Pedro de Jaager om?’

‘Precies.’

‘En dat deed hij?’

Arno de Graaf knikte.

‘Met tegenzin,’ riep hij geëmotioneerd. ‘Vader probeerde moeder ervan te overtuigen dat daar problemen van zouden komen. Maar het malle mens wilde niet luisteren. Ze wilde nooit luisteren. Naar niemand. Ook niet naar mij. Vader was gek op haar. Blind… met oogkleppen.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Het werd zijn dood.’

‘Logisch. Pedro de Jaager pikte het niet dat iemand onder zijn duiven schoot.’

‘Toen is moeder voor zichzelf begonnen?’

‘Samen met tante Aleida de Waal. Ze namen de handel die vader was gestart, gewoon over.’

De Cock keek hem schattend aan.

‘Hoe reageerde Pedro de Jaager?’

Arno de Graaf trok een pijnlijk gezicht.

‘Op een of andere manier was hij veel banger voor mijn moeder, dan hij ooit voor mijn vader was geweest. Ze blufte hem af.’

‘Hoe?’

Arno de Graaf verschoof op zijn stoel.

‘Over de doden niets dan goeds. Meneer De Cock, ze was mijn moeder.’

De oude rechercheur plukte aan zijn onderlip.

‘Toen je hoorde dat jouw moeder was vermoord,’ sprak hij gedragen, ‘was je eerste reactie… we hebben een rat in onze familie… neef Henry Achterberch, zoon van oom Alfred, de jongste broer van mijn moeder… verslaafd aan de heroïne en tot elke moord in staat.’

Arno de Graaf keek naar hem op. ‘Je hebt goed geluisterd.’

De Cock knikte. ‘Dat is mijn vak. Jij was ervan overtuigd dat neef Henry Achterberch jouw moeder had vermoord. Wat heb je met die overtuiging gedaan?’

Arno de Graaf snoof.

‘Waarom vraag je mij niet rechtstreeks of ik hem heb neergeschoten?’

De Cock grijnsde.

‘Oké, heb je hem neergeschoten?’

Arno de Graaf schudde langzaam zijn hoofd.

‘Ik kon hem niet vinden.’

‘Stephanie van Bruggen vond hem.’

Arno de Graaf knikte.

‘Ik heb het gehoord. In zijn oude schuur… vijf kogels in zijn bast.’

De Cock trok een bedenkelijk gezicht.

‘Waarom ging jij niet naar die oude schuur?’

‘Ik wist niet dat hij die schuur nog had. Volgens mijn laatste berichten woonde hij in een kraakpand aan de Oostenburgerkade.’

‘Daar heb je geïnformeerd?’

‘Ja, maar niemand wist wat of wilde praten.’

De Cock boog zich iets naar hem toe.

‘Waarom ging je op zoek naar Keesie de Scheurder?’

Arno de Graaf keek hem verrast aan.

‘Wie zegt dat?’

De Cock grijnsde.

‘Heb ik uit betrouwbare bron.’

Arno de Graaf kauwde nerveus op zijn onderlip.

‘Keesie de Scheurder was het maatje van Henry Achterberch.’

De Cock knikte gedwee.

‘Keesie aan het stuur van een motor en Henry bij hem achterop met een kalasjnikov op schoot.’

Arno de Graaf keek hem aan.

‘Jij zegt het.’

De Cock grinnikte.

‘Je hebt gelijk. Ik zeg het. En jij gaat het bevestigen.’

Arno de Graaf schudde zijn hoofd.

‘Ik zei toch: over de doden niets dat goeds. Als ik dat bevestig, beschuldig ik mijn dode moeder.’

Загрузка...