2

Vledder trok de lade van zijn bureau open, nam er het procesverbaal over de zaak tegen Pedro de Jaager uit en legde het voor zich neer. Hij tikte met een kromme wijsvinger op de omslag.

‘Hoe noem je dit,’ vroeg hij breed grijnzend, ‘God straft onmiddellijk?’

De Cock keek hem verwijtend aan.

‘Ik ken de beweegredenen van God niet,’ antwoordde hij strak, ‘en ik matig mij niet aan om daarover een oordeel te vellen.’

Vledder tikte opnieuw op het proces-verbaal.

‘Wat doen we hier nu mee… weggooien? Pedro de Jaager is dood en strafvervolging, zo heeft de politie mij geleerd, vervalt bij de dood van de verdachte.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Laat Afra Molenkamp het proces-verbaal maar in de administratie verwerken. En als Afra het goed doet… en dat doet ze… dan kunnen we het altijd terugvinden. Ik heb het gevoel dat die affaire nog lang niet is afgelopen. Er lopen meer onderzoeken naar liquidatiemoorden door de duopassagier van een motorrijder.’

‘Niet bij ons,’ antwoordde Vledder.

‘Wij zijn ervoor gespaard gebleven… tot nu. Ik herinner mij een paar gevallen in het centrum van Rotterdam en Den Haag, en zelfs een op de snelweg. Het is een handige methode. Met een motor kan men snel manoeuvreren en in het verkeer verdwijnen. Bovendien bieden de helmen die motorrijders en hun passagiers dragen, weinig kans op herkenning.’

‘Mijn zegen hebben ze,’ riep Vledder. ‘Dat weet je. Hoe meer criminelen elkaar naar het hiernamaals helpen, hoe liever…’

De Cock schudde afkeurend zijn hoofd.

‘Hou daar nu eens mee op, dat is een onchristelijke gedachte.’

‘Goed, goed,’ kantelde Vledder, ‘hoelang kunnen die lui, in een dichtbevolkt en beschaafd land als het onze, elkaar ongestraft afmaken?’

‘Je hebt gelijk,’ sprak De Cock mat. ‘Dat is onbegrijpelijk. Het druist ook tegen elk rechtsgevoel in.’

Vledder trok een bedenkelijk gezicht.

‘Ik heb toch het idee,’ sprak hij weer op de oude toon, ‘dat de politie in het algemeen bij de oplossing van liquidatiemoorden maar weinig inzet toont en dat de meeste rechercheurs in hun hart denken, zoals ik denk.’

‘Namelijk: laten ze hun gang maar gaan.’

‘Precies.’

De Cock maakte een afwerend gebaar.

‘Dat is niet goed,’ sprak hij bestraffend. ‘Wij Nederlanders gruwelen alleen al bij de gedachte aan het invoeren van de doodstraf, maar in de boezem van het bendewezen worden regelmatig zonder enige gewetenswroeging doodvonnissen uitgesproken en uitgevoerd.’

‘En wie ligt daar wakker van?’

De Cock trok zijn schouders op. ‘Misschien een enkeling… iemand die weet dat hij het bij een bende heeft verbruid.’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Geen hond… het kan de gewone burger totaal niets schelen wat criminelen elkaar onderling aandoen.’

De Cock negeerde de opmerking.

‘Pedro de Jaager was vermoedelijk een van de topfi guren van de beruchte groep Tentakel. Hij zal naar alle waarschijnlijkheid uit rancune zijn vermoord in opdracht van de groep waartoe Arno de Graaf, alias het Muurbloempje behoorde.’

Vledder knikte instemmend.

‘Dat is de groep van de Hosselaars. Volgens de Narcoticabrigade bestrijden de Hosselaars en de Tentakels elkaar al jaren.’

Het gezicht van De Cock versomberde.

‘Elkaar bestrijdende bendes,’ sprak hij ernstig, ‘volgen vaak de regels van de vendetta, de bloedwraak, die voorkomt in een land waar in het overheidsgezag slecht is ontwikkeld.’

Vledder keek hem verrast aan. ‘Leven wij in zo’n land?’

De Cock plukte aan het puntje van zijn neus. ‘Bendeleden tonen in het algemeen weinig respect voor overheidsgezag. Omdat ze kapitaalkrachtig zijn, kunnen ze zich uitstekende advocaten veroorloven. Vaak ontlopen zij hun berechting, waardoor het aanzien van de rechtspleging in ons land steeds verder afbrokkelt.’

De oude rechercheur zuchtte.

‘Uiteraard heeft de onderlinge strijd ook een economisch aspect. Ik denk dat de Tentakelbende en de Hosselaars ongeveer dezelfde markt bestrijken.’

‘Door al die liquidaties is het zijn van bendelid een ongezonde bezigheid geworden,’ grapte Vledder.

De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd. ‘Informeer eens bij Narcotica of er na de dood van Pedro de Jaager nog topfi guren van de oorspronkelijke Tentakelbende in leven zijn. Ik heb dat nooit zo goed bijgehouden.’

‘Vind je het echt belangrijk?’ vroeg Vledder. ‘Hun plaatsen worden onmiddellijk door zogeheten adjudanten overgenomen. De hasjtransporten gaan gewoon door. Zolang er in onze samenleving vraag is naar drugs, wordt er voor aanbod gezorgd.’

‘Wat ik opmerkelijk vind, is dat ook leden van de Hosselaargroep op dezelfde manier door de duopassagier van een motorrijder werden geliquideerd. Het lijkt erop dat beide bendes zich van dezelfde huurmoordenaars bedienen.’

De oude rechercheur stond plotseling op.

‘Daar… eh, daar… eh, daar moet toch een wig tussen te drijven zijn. Als je de huurmoordenaars vangt, dan… dan kun je toch achter de opdrachtgevers komen?’

Hij struikelde over zijn woorden.

Vledder keek hem lachend aan.

‘Je bent toch niet van plan om je met concurrerende bendes te gaan bemoeien? Dat is zonde van de tijd. Dat de Narcoticabrigade ons met de zaak Pedro de jaager heeft opgezadeld, vind ik al vervelend genoeg.’

De Cock knikte.‘Met de liquidatie van Pedro de Jaager hebben we gelukkig niets te maken. Dat behoort tot de competentie van de politieregio Gooi-en Vechtstreek. Je moet onze collega’s in Maarssen wel van onze bemoeienissen in deze affaire op de hoogte brengen.

’Hij zweeg even.

‘Het wordt overigens tijd dat er een landelijk rechercheteam op die liquidatiemoorden wordt gezet. Het loopt langzamerhand…’De deur van de recherchekamer werd met een klap opengegooid en meester Van Hardenberg stormde met wapperende haren op De Cock toe.

‘Ik stel u verantwoordelijk,’ brieste hij. ‘Verantwoordelijk voor de dood van mijn cliënt.’

De Cock keek hem verward aan.

‘Ik… eh, ik verantwoordelijk?’ vroeg hij niet-begrijpend.

Meester Van Hardenberg knikte nadrukkelijk.

‘U hebt zijn moordenaar ingelicht. U hebt hem gezegd dat Pedro de Jaager werd vrijgelaten. Dat kan niet anders. Nog geen uur na zijn vrijlating joeg zijn moordenaar hem een reeks kogels door zijn lijf. Men heeft hem bij de afslag Maarssen opgewacht.

Men heeft geweten dat Pedro de Jaager na enkele dagen detentie als vrij man op weg was naar zijn huis aan de Vecht.’

De Cock keek hem onbewogen aan.

‘Waarom legt u uw claim niet bij justitie?’ vroeg hij met een ondertoon van verbazing.

‘Justitie?’

De Cock knikte.

‘De officier van justitie is… zo staat in de wet… opsporingsambtenaar bij uitnemendheid. Ook hij wist dat Pedro de Jaager zou worden vrijgelaten. Het was zijn beslissing.’

De oude rechercheur zweeg even voor het effect. Hij ging rustig zitten en hing lui achterover.

‘En u, heer Van Hardenberg,’ sprak hij zalvend, ‘u was toch de eerste man die vernam dat Pedro de Jaager uit zijn gevangenschap werd ontslagen. Het verzoek om zijn invrijheidstelling kwam van u. U… eh, u zou zich toch liefdevol over hem ontfermen?’

Meester Van Hardenberg reageerde fel.

‘U suggereert dat ik… eh, dat ik…’

De Cock onderbrak hem.

‘Als u uw cliënt had geadviseerd om ons de waarheid omtrent de liquidatie van Arno de Graaf te vertellen… ons te openbaren waar het lijk van het Muurbloempje werd gedumpt… dan had uw cliënt nu beslist nog geleefd. Voor sommige bendeleiders is de bajes een veiliger oord dan de openbare weg.’

Vledder lachte vrijuit.

‘Je hebt meester Van Hardenberg goed aangepakt. Prachtig. Hij ging op kousenvoeten weg.’

De Cock bromde.

‘Hij zal toch wel weer klagen over “lekken” bij politie en justitie.’

Vledder gniffelde.

‘Dan komt zijn naam weer eens in de krant en dat is goed voor de klandizie. Zo bouwen sommige advocaten aan hun reputatie.

Het zou mij niets…’

Er werd op de deur van de recherchekamer geklopt. Vledder riep: ‘Binnen.’

De deur ging langzaam open en in de deuropening verscheen een opzichtige dame in een donkerblauw mantelpakje, waaronder een witzijden blouse met volanten.

De Cock schatte de vrouw op achter in de veertig. Haar haren waren hoogblond geverfd en haar make-up was iets te zwaar aangezet. Op haar korte laarsjes met hoge blokhakken stapte ze naderbij en bleef bij het bureau van de grijze speurder staan.

‘Ik wil met u spreken,’ sprak ze hees. ‘U bent toch rechercheur De Cock?’

‘Met… eh, met ceeooceekaa,’ reageerde hij bijna automatisch.

Hij gebaarde naar de stoel naast zijn bureau. ‘Gaat u zitten.

Waarmee kan ik u van dienst zijn?’

Ze nam plaats en trok haar korte rokje iets dichter naar haar knieën.

‘Ik ben de moeder van Arno de Graaf.’

De Cock keek haar verrast aan.

‘Ik heb de laatste dagen zo mijn best gedaan om u te ontmoeten, maar u was voortdurend op pad.’

Mevrouw De Graaf negeerde de opmerking.

‘Ik heb gehoord dat Pedro de Jaager vanmorgen is gesneuveld.’

De Cock keek haar verbaasd aan.

‘Noemt u dat zo? Gesneuveld.’

Mevrouw De Graaf knikte. ‘Het moest eens gebeuren,’ reageerde ze kalm. ‘Naar mijn gevoel heeft het veel te lang geduurd voordat iemand hem te grazen nam.’

De Cock keek haar onderzoekend aan.

‘U bent vrij snel op de hoogte van zijn dood.’

Mevrouw De Graaf glimlachte. ‘Ik heb zo mijn kanalen.’

‘Hebt u enig idee wie voor de moord op Pedro de Jaager verantwoordelijk is?’

Mevrouw De Graaf trok haar schouders op.

‘Pedro de Jaager was een fi elt, een schurk. Die man had zoveel vijanden, dat het mij verbaast dat hij nog zo lang in leven is gebleven.’

Ze lachte gnuivend. ‘Ik zou maar niet naar zijn moordenaar zoeken. Dat is onbegonnen werk.’

‘Er wordt gefl uisterd dat de Hosselaarsbende er iets me te maken heeft.’

Mevrouw De Graaf keek De Cock meelijwekkend aan.

‘De Hosselaars bestaan niet meer.’

‘Uitgemoord?’

‘Gesneuveld.’

‘En de Tentakels?’

Mevrouw De Graaf trok haar mond strak.

‘Pedro was de laatste der mohikanen.’

De Cock strekte zijn wijsvinger naar haar uit.

‘Behoorde uw zoon tot de bende van de Hosselaars?’

‘Arno heeft nooit tot een bende behoord.’

De Cock toonde verbazing.

‘Waarom werd uw zoon dan door Pedro de Jaager geliquideerd?’

Mevrouw De Graaf liet haar hoofd iets zakken.

‘Arno werd niet geliquideerd.’

‘Wat dan?’

‘Arno leeft.’

De Cock slikte.

‘Ik… eh, ik heb Pedro de Jaager hier drie dagen vastgehouden op verdenking van moord op uw zoon Arno de Graaf, bijgenaamd het Muurbloempje.’

‘Dat is ook goed,’ sprak ze gelaten. ‘Dat gaf mij de kans om Arno goed te verstoppen.’

Ze verschoof iets op haar stoel.

‘Toen ik erachter kwam dat Pedro de Jaager het op mijn zoon had voorzien, heb ik het gerucht verspreid dat Arno door Pedro de Jaager was geliquideerd. Ik hoopte dat de politie het gerucht zou oppakken.’

De Cock ademde diep.

‘En dat lukte.’

Mevrouw De Graaf schonk hem een milde glimlach.

‘Ik wist dat men bij Narcotica al jaren zocht naar een mogelijkheid om iets tegen Pedro de Jaager te ondernemen. Er was niet veel voor nodig om hen tot actie te bewegen.’

Ze maakte een verontschuldigend gebaar.

‘Het is alleen jammer dat ze u voor hun karretje hebben gespannen.’

De Cock maakte een grimas.

‘Nu begrijp ik waarom wij nooit het lijk van de geliquideerde Arno de Graaf hebben kunnen vinden.’

Mevrouw De Graaf lachte spottend.

Èr was geen liquidatie en er was geen lijk.’

‘Als uw zoon Arno de Graaf,’ sprak De Cock nadenkend, ‘bijgenaamd het Muurbloempje, niet tot een concurrerende bende behoorde, waarom zocht Pedro de Jaager dan zijn dood?’

‘Mijn zoon Arno is niet zo’n doetje. Geen… eh, geen muurbloempje.’

‘Hoe komt hij aan die bijnaam?’

Mevrouw De Graaf trok aan haar opgeschoven rokje.

‘Arno nam nooit deel aan besprekingen. Hij hield zich altijd afzijdig. Dat gewauwel irriteerde hem. Wanneer anderen heftig discussieerden, leunde hij tegen een muur en luisterde. Vandaar… Muurbloempje.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Ik heb nog geen antwoord gekregen op mijn vraag: waarom zocht Pedro de Jaager de dood van uw zoon?’

‘Hij had hem een kunstje gefl ikt.’

‘Wat voor een kunstje?’

‘Daar laat ik mij niet over uit.’

De Cock hield zijn hoofd iets schuin.

‘Een ripdeal?’

Om de ceriserode lippen van mevrouw De Graaf dartelde een glimlach.

‘U mag het ook wel weten. Pedro de Jaager is toch dood.’

‘En kan geen aangifte meer doen.’

‘Precies.’

‘Dus een ripdeal?’

Mevrouw De Graaf knikte traag.

‘Mijn zoon Arno leverde hem een grote partij hasj. Een vrachtwagen vol. Toen Pedro de Jaager de partij wilde doorverkopen, bleek de hasjiesj gedroogde koeienmest te zijn.’

De Cock wreef over zijn brede kin.

‘Genoeg voor de doodstraf.’

Mevrouw De Graaf staarde voor zich uit.

‘Ik heb Arno gewaarschuwd om het niet te doen. Ik wist toch wat de consequenties waren.’

De Cock keek haar verwonderd aan.

‘U was van die deal op de hoogte?’

Mevrouw De Graaf knikte.

‘Arno besprak alles met mij. En nog. Hij zal nooit iets ondernemen zonder het eerst met mij te bespreken.’

De Cock kneep zijn ogen halfdicht.

‘Pedro de Jaager was geen domme man. Integendeel. Hij handelde al jaren in drugs… zonder ooit te zijn gesnapt. Hoe kon hij van uw zoon zo’n grote partij hasj kopen? Kende hij uw zoon?

Had hij wel eens meer partijen van hem gekocht?’

Mevrouw De Graaf zuchtte diep.

‘Arno is een zoon van zijn vader.’

De Cock grijnsde.

‘Dat snap ik.’

Mevrouw De Graaf negeerde de opmerking.

‘En zijn vader was jarenlang compagnon van Pedro de Jaager… tot die schurk hem na een klein meningsverschil liet liquideren.’

Загрузка...